Eenentwintig spellen waarmee een groep kinderen elkaar echt leert kennen
Elk spel volledig uitgewerkt: wat je nodig hebt, hoe de kinderen staan, wat je letterlijk voorleest, stap voor stap het verloop, varianten voor jonger en ouder, en de valkuilen waar het meestal misloopt. Bij elk spel een tekening van de opstelling; bij elf spellen een printblad dat je meteen kan kopiëren, knippen en uitdelen.
Iedereen zegt zijn naam met een beweging erbij; de hele groep doet ze na. Na twee rondjes zit elke naam vast.
Een bol wol vliegt door de kring. Wie gooit, noemt de naam van wie vangt - en houdt de draad vast. Er ontstaat een web.
Een impuls vliegt door de kring: ZIP naar je buur, ZAP dwars door de kring, BOING terug. In de kennismaakversie roep je een naam.
Eén kind in het midden met een opgerolde krant. Er wordt een naam geroepen; die persoon moet snel een ándere naam roepen vóór de mepper hem tikt.
Ogen dicht, één kind verdwijnt onder een laken. Ogen open: wie zit eronder? Je moet de hele groep scannen om het te weten.
Een blad met zestien vakjes: 'iemand die een huisdier heeft', 'iemand die kan fluiten'. Elk vakje een andere handtekening. Rij vol = bingo.
Iedereen vertelt drie dingen over zichzelf. Twee zijn waar, één is verzonnen. De groep raadt welke.
Een stoel te weinig. Wie in het midden staat, roept iets over zichzelf; iedereen voor wie dat óók geldt, moet wisselen.
Ga in een rij staan op volgorde van je verjaardag. Zonder praten. Er is geen andere manier dan elkaar opzoeken.
Twee rijen tegenover elkaar. Eén vraagkaart, negentig seconden, dan schuift één rij door. Iedereen spreekt met acht anderen.
Iedereen pakt kriskras twee handen vast. Ontwar de knoop tot er weer een kring staat - zonder ooit los te laten.
Muziek aan: bewegen. Muziek uit: op een krant springen. Elke ronde wordt de krant kleiner - en op elk eiland ligt een vraag.
Je begint als ei. Win je steen-papier-schaar van een ander ei, dan word je kip. Dan dinosaurus. Dan superheld.
Eén kind is detective en staat buiten. De kring kiest een leider die bewegingen start; iedereen volgt. De detective moet raden wie.
Een wapenschild met vier vakken: wat ik graag doe, waar ik graag ben, waar ik goed in ben, iets wat niemand weet. Daarna stel je elkaar voor.
Je schrijft een zin, geeft door; die tekent hem, vouwt de zin weg en geeft door; die schrijft wat hij ziet. Aan het eind lees je alles voor.
Twee zelfgevouwen kubussen: eentje met vragen, eentje met wie moet antwoorden. Gooien en praten.
Drie overlappende cirkels. In je eigen deel schrijf je wat alleen voor jou geldt; in het midden alleen wat voor alle drie klopt. Zoek er vijf.
Eén kind geblinddoekt, de ander stuurt met alleen zijn stem door een parcours. Daarna wisselen.
Een blad op je rug. Iedereen schrijft er één positief ding op. Op het einde mag je het lezen - en meenemen.
Iedereen tekent zijn vakantie in zes stripvakjes. Daarna vertel je hem in twee minuten - met je eigen tekening als spiekbriefje.