Menselijke Bingo
Zoek iemand die.... Een blad met zestien vakjes: 'iemand die een huisdier heeft', 'iemand die kan fluiten'. Elk vakje een andere handtekening. Rij vol = bingo.
Waarom dit spel werkt
In elke nieuwe groep vormen zich binnen tien minuten kliekjes. Menselijke bingo breekt dat open met een spelregel in plaats van met een preek: je mág per persoon maar één vakje invullen, dus je moet wel verder. En de vakjes geven meteen gespreksstof: je vraagt niet 'hoe heet je', maar 'kan jij fluiten?' - dat is een veel makkelijker eerste zin.
Wat je nodig hebt
Materiaal
- Eén bingoblad per kind (zie printblad).
- Eén potlood of stift per kind.
- Eventueel een klein prijsje voor de eerste volle rij.
Vooraf klaarzetten
- Print één blad per kind. Er zijn twee versies: met tekeningen voor 6-8 jaar, met tekst voor 9-14 jaar.
- Lees de zestien vakjes zelf even door en vervang wat niet past bij jouw groep. Twee lege vakjes laten invullen door de kinderen werkt ook goed.
- Zorg voor genoeg potloden - naar één potlood zoeken is de snelste manier om de vaart eruit te halen.
De opstelling
Iedereen door elkaar in de ruimte, staand. Geen tafels: aan tafels blijven kinderen zitten.
Zo leg je het uit
Je krijgt een blad met zestien vakjes. In elk vakje staat iets, bijvoorbeeld 'heeft een hond'. Je gaat rond en zoekt iemand voor wie dat klopt. Die persoon schrijft zijn naam in dat vakje. Belangrijkste regel: elke naam mag maar één keer op je blad staan. Dus je moet met minstens zestien verschillende mensen praten. Wie een volle rij heeft, roept BINGO.
Stap voor stap
Uitdelen en starten
Bladen en potloden uit, en meteen starten. Niet eerst uitgebreid uitleggen - één keer voordoen met een vrijwilliger volstaat.
Rondlopen
Kinderen lopen rond en vragen. Loop zelf ook mee met een blad: je bent dan een aanspreekpunt voor het kind dat nergens durft aan te kloppen.
Eerste bingo
Bij de eerste volle rij: 'BINGO!' - even applaus, maar het spel gaat gewoon door tot de meeste bladen vol zijn.
Terug in de kring
Ga terug in kring zitten mét de bladen. Dit is het belangrijkste deel: nu ga je oogsten.
Oogsten
Roep enkele vakjes op: 'Wie heeft er iemand gevonden die een instrument speelt? Wie was dat?' Het kind moet nu de naam van de ander zeggen. Zo hoort de hele groep tien namen mét een verhaal erbij.
Varianten
Bingo met foto's
Voor kleuters: vakjes met tekeningen in plaats van tekst; het kind zet een kruisje of plakt een sticker en zegt de naam luidop.
Blackout
Niet één rij maar het hele blad. Duurt langer, maar iedereen praat dan echt met iedereen.
Zelf de vakjes maken
Vanaf 11 jaar: laat de groep eerst zelf zestien vakjes bedenken. Dat is al een kennismakingsspel op zich.
Bingo in duo's
Twee kinderen samen één blad. Voor verlegen kinderen een enorme verlichting - ze durven samen wat ze alleen niet durven.
Makkelijker en moeilijker maken
Negen vakjes in plaats van zestien, en 'drie op een rij' als doel. Vakjes met tekeningen erbij.
Bij elk vakje moet je ook één extra detail noteren ('hond - heet Bo'). Bij het oogsten wordt daarnaar gevraagd.
Waar het meestal misloopt
- Vrienden vullen elkaars blad volledig in. Daarom die ene regel: één naam per blad. Herhaal hem drie keer voor je start.
- Te veel vakjes die maar op één kind slaan. Kijk je blad na: elk vakje moet op minstens drie kinderen kunnen slaan.
- Het oogsten overslaan omdat de tijd op is. Doe het dan korter, maar sla het nooit over - daar zit de hele opbrengst.
Afsluiten
Printklaar materiaal
Openen, printen op ware grootte (100%), knippen. Alles staat ook samen in de printbank.
Twee versies: zestien vakjes met tekst, en negen vakjes met tekeningen.
NaamkaartjesVouwbordjes met grote letters. Acht per blad, in vier kleuren.