Je leest drie mythen en haalt ze uit elkaar (begin, probleem, hoogtepunt, afloop), je zoekt uit wat elke mythe eigenlijk verklaart, en je vertelt het verhaal van Icarus opnieuw door de ogen van zijn vader. Daarnaast orden je de stamboom van de goden, reken je met toeschouwers tot boven de tweehonderdduizend, zet je breuken om in procenten, herleid je het stadion van 185 meter naar kilometer, lees en schrijf je in Griekse letters, situeer je Olympia en Troje op de kaart, beschrijf je een god in het Frans en ontwerp je het toernooischema als algoritme.
Super plus 6 draait rond één opdracht: de leerling is grammateus, de schrijver die de Spelen van de goden vastlegt. Daaruit komen alle vakken. Taal krijgt het grootste gewicht (verhaalstructuur, motief, perspectief, zelf een mythe schrijven), maar de wiskunde is niet decoratief: de uitslagen van de Spelen leveren echte grote getallen, echte breuk-procentomzettingen en een oude lengtemaat die herleid moet worden. Nieuw terrein tegenover de klasleerstof: niet 'een verhaal navertellen' maar de bouw ervan benoemen en er een ander vertelperspectief op zetten; niet 'grote getallen lezen' maar afronden, plaatswaarde en gemiddelde in één context; niet 'het alfabet' maar het schriftsysteem waar ons alfabet uit voortkomt; niet 'een schema invullen' maar zelf het patroon achter een toernooischema vinden en bewijzen. Er is deze bundel geen spelling. De drie mythen zijn volledig zelf geschreven; de mythologische verwantschappen zijn nagekeken en het ene punt waarop de overlevering zichzelf tegenspreekt (de afkomst van Hephaistos) is bewust in de bundel gelaten als bronnenvraag.
In het Grieks is een grammateus de schrijver: degene die optekent, ordent en bijhoudt. Zo iemand verzint niets, maar zonder hem weet niemand later nog iets.
Het Griekse woord gramma betekent teken of letter. Zoek bij elk woord hieronder wat het nog altijd met tekens of letters te maken heeft.
| woord | wat heeft het met tekens of letters te maken? |
|---|---|
| grammatica | |
| diagram | |
| programma | |
| telegram |
Een grammateus schrijft ook op wat hij zelf niet gelooft. Waarom is dat belangrijk? Schrijf twee redenen op.
1In de eerste jaren van de wereld hadden de mensen alles behalve één ding. Ze hadden handen en ogen en een stem, ze konden lopen en tellen en onthouden. Maar ze hadden geen vuur. 's Nachts zaten ze in het donker, en wat ze maakten, maakten ze van hout en van steen.
2Prometheus was geen god van de Olympus maar een Titaan, uit het geslacht dat er vóór de goden was. Hij keek naar de mensen zoals je kijkt naar iemand die je zelf gemaakt hebt. Hij vroeg aan Zeus of de mensen het vuur mochten krijgen. Zeus zei nee. Wie vuur heeft, zei hij, maakt ovens; en wie ovens heeft, maakt zwaarden.
3Prometheus wachtte tot de goden sliepen. Hij brak een stengel van een reuzenvenkel af, een plant met een merg dat smeult zonder te vlammen. Aan het vuur van de goden stak hij één vonk aan en hij liet die in de holle stengel zakken. Zo droeg hij het vuur naar beneden, zonder rook, alsof hij een wandelstok droeg.
4Die nacht zag Zeus vanaf de berg iets wat er nooit geweest was: kleine oranje stippen in het dal, en er kwamen er elke avond meer bij. Hij liet Prometheus vastketenen aan een rots hoog in het oosten. Elke dag at een adelaar van zijn lever; elke nacht groeide ze weer aan, zodat de straf nooit afliep.
5Veel later kwam Herakles langs die rots. Hij schoot de adelaar neer en sloeg de ketens los. Prometheus was vrij. De mensen hadden het vuur toen al zo lang dat ze niet meer wisten waar het vandaan gekomen was.
Opgetekend door de grammateus, naar wat de ouden vertellen
Een Titaan is geen god van de Olympus. De Titanen waren de laag ervóór: Kronos en Rhea waren Titanen, en Prometheus ook. De goden hebben die laag niet uitgewist, ze zijn er gewoon bovenop komen staan.
Zeus geeft een reden om het vuur niet te geven. Schrijf die reden in je eigen woorden op, en zet erbij of je hem sterk of zwak vindt.
Je weet al hoe je een verhaal navertelt. Nieuw is dat je de bouw ervan kan aanwijzen.
Zoek elk stuk terug in de tekst. Noteer eerst bij welke regels het staat, en schrijf het daarna in je eigen woorden.
| stuk | welke regels? | in je eigen woorden |
|---|---|---|
| begin | ||
| probleem | ||
| hoogtepunt | ||
| afloop |
Prometheus en Zeus willen allebei iets. Schrijf van elk op wat hij wil, en welke zin uit de tekst je dat laat zien.
Ik heb dit verhaal vandaag driemaal gehoord, en driemaal iets anders. Ik schrijf het op zoals de oudste vrouw op de markt het vertelde, want zij vertelde het het traagst.
Demeter is de godin van het graan. Alles wat groeit en rijpt, groeit en rijpt omdat zij ernaar kijkt. Ze had één dochter, Persephone, en die was op een middag bloemen aan het plukken in een veld.
De grond ging open. Hades, de broer van Demeter, kwam uit de onderwereld naar boven, nam Persephone mee, en de grond sloot zich weer. Demeter zocht negen dagen en negen nachten. Ze at niet en ze keek naar niets. En zolang zij niet keek, groeide er niets: het graan bleef in de aarde en de bomen bleven kaal. De mensen aten op wat er nog in de schuren lag, en daarna lag er niets meer.
Zeus zag dat het zo niet verder kon en stuurde Hermes naar beneden. Hij vond Persephone in het donker, op een troon die ze nooit gevraagd had. Ze mocht terug, maar ze had in de onderwereld een paar granaatappelpitten gegeten, en wie daar eet, hoort daar een beetje bij. Ze moest elk jaar terugkeren: in het oudste lied dat wij kennen een derde van het jaar, in latere verhalen de helft.
Daarom, zei de vrouw, is er winter. Als Persephone beneden is, kijkt Demeter nergens naar. Komt ze boven, dan wordt alles in één week groen. Ik heb het opgeschreven zoals zij het zei. Of het waar is, is niet mijn werk; mijn werk is dat het niet verloren gaat.
Een derde van het jaar is hoeveel maanden? En de helft? Reken het uit en schrijf erbij welke van de twee versies volgens jou het best bij onze winter past.
Een mythe geeft een oorzaak aan iets wat elk jaar terugkomt. Dat is geen onzin: het is een antwoord van mensen die nog niet konden meten wat wij kunnen meten.
Als het bij ons winter is, is het in Australië zomer. Het verhaal van Demeter kan dat niet uitleggen: er is maar één Persephone, en ze kan niet tegelijk boven en beneden zijn. De schuine aardas legt het wel uit, want terwijl het ene halfrond van de zon weg helt, helt het andere er juist naartoe.
Zet de twee antwoorden naast elkaar. Schrijf in de laatste kolom ook wat je zou moeten meten om het na te kijken.
| de vraag | wat het verhaal zegt | wat wij nu weten |
|---|---|---|
| Waarom is het in de winter koud? | ||
| Waarom wordt het in de lente weer groen? | ||
| Waarom is het in Australië net andersom? |
1Daedalus was de beste bouwer die er was. Koning Minos van Kreta had hem laten komen om een doolhof te bouwen waar niemand meer uit raakte. Daedalus bouwde hem. Daarna liet Minos hem niet meer gaan, want wie een doolhof kan bouwen, kan er ook iemand uit halen.
2Zo zat Daedalus vast op het eiland, samen met zijn zoon Icarus. De haven werd bewaakt en elk schip werd doorzocht; zelfs de vissers moesten melden wie er te lang naar het water stond te kijken. Maar er is nog een weg weg van een eiland, dacht Daedalus, en die wordt door niemand bewaakt.
3Hij verzamelde veren, van groot tot klein, legde ze naast elkaar als de pijpen van een fluit en zette ze vast met was. De kleinste bond hij er bovendien met een draad aan vast. Zo maakte hij twee paar vleugels. Voor ze vertrokken zei hij tegen zijn zoon: niet te laag, want het zeewater maakt de veren zwaar, en niet te hoog, want de zon maakt de was zacht. Blijf tussen de twee.
4Ze stegen op. De vissers beneden lieten hun netten los om te kijken. Een tijd lang vloog Icarus vlak achter zijn vader. Maar vliegen went snel, en wat went, wordt saai. Hij ging hoger. Hij ging nog hoger, omdat het kon. De was werd week, de veren lieten los, en zijn armen sloegen in de lucht op niets.
5Daedalus riep zijn naam en hoorde alleen de zee. Later noemden de mensen dat stuk water en het eiland ernaast naar de jongen. Daedalus vloog alleen verder, tot hij ver in het westen aan een kust landde.
Opgetekend door de grammateus, naar wat de ouden vertellen
Daedalus geeft twee waarschuwingen tegelijk. Waarom is het gevaarlijk om er maar één te onthouden?
Zoek de zin waarin je al voelt dat het misloopt, nog vóór het misloopt. Schrijf hem over en leg uit waaraan je het merkt.
In de tekst van blad 6 kijkt een verteller van buitenaf mee. Straks vertelt Daedalus zelf, in de ik-vorm.
Vul in wat Daedalus op dat moment wist, en wat hij pas achteraf begreep. Bij één rij is er geen verschil; zet dat er dan bij.
| wat er gebeurde | wat Daedalus toen wist | wat hij pas later begreep |
|---|---|---|
| de veren en de was verzamelen | ||
| de waarschuwing geven | ||
| omkijken en niemand zien | ||
| alleen verder vliegen |
Bedenk je eerste en je laatste zin al. Schrijf ze allebei op; de rest komt op het volgende blad.
Je bent Daedalus. Je schrijft één dag na de vlucht aan je broer, die op Kreta is achtergebleven. Schrijf in de ik-vorm en vertel alleen wat jij gezien, gehoord en gedacht hebt. Gebruik je plan van blad 7, en houd de vier stukken van blad 3 in je hoofd.
Schrijf de brief. Begin met een aanhef en eindig met een groet.
Elke lijn naar beneden betekent kind van. Staan twee namen naast elkaar op één laag, dan zijn ze broer, zus of partner.
| in de stamboom | wie |
|---|---|
| de oudste laag | Ouranos en Gaia, de ouders van de Titanen |
| de Titanen | Kronos en Rhea |
| hun zes kinderen | Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon, Zeus |
| Zeus en Metis | Athena |
| Zeus en Leto | Apollo en Artemis, een tweeling |
| Zeus en Maia | Hermes |
| Zeus en Hera | Ares |
| Hera | Hephaistos — hier spreken de verhalen elkaar tegen |
Hestia, Demeter, Hera, Hades, Poseidon en Zeus staan allemaal op dezelfde laag. Wat zijn ze dus van elkaar?
Een oom is de broer van je vader of van je moeder. Een tante is hun zus. Een grootouder staat twee lagen boven jou.
Beantwoord de vragen met het schema erbij. In de laatste kolom zet je hoe je het ziet: via welke namen loop je?
| de vraag | het antwoord | hoe je het ziet |
|---|---|---|
| Wie zijn de ooms van Apollo? | ||
| Wie is de grootmoeder van Athena? | ||
| Hoeveel broers en zussen heeft Zeus? | ||
| Wat zijn Ares en Athena van elkaar? | ||
| Is Hera de tante van Apollo? | ||
| Wie is de overgrootvader van Hermes? |
Over Hephaistos spreken de verhalen elkaar tegen: in het ene is hij het kind van Hera alleen, in het andere van Zeus en Hera. Wat doe jij daarmee als grammateus? Schrijf op wat je noteert en waarom.
De helpers geven je elke avond hun getal door. Jij zet ze op een rij en maakt er één antwoord van dat klopt.
| dag | toeschouwers |
|---|---|
| dag 1 | 34 500 |
| dag 2 | 41 200 |
| dag 3 | 58 700 |
| dag 4 | 47 900 |
| dag 5 | 62 400 |
Tel de vijf dagen op. Schrijf daarna het totaal nog twee keer: één keer afgerond op het tienduizendtal en één keer op het honderdduizendtal.
In jouw totaal staan twee vieren naast elkaar. Hoeveel is de eerste waard en hoeveel de tweede? En hoeveel mensen kwamen er op dag 5 méér dan op dag 1?
Op de vorige Spelen kwamen er in totaal 198 400 mensen. Hoeveel zijn het er nu meer? En hoeveel toeschouwers waren het er dit jaar gemiddeld per dag?
Je kent breuken en je kent het procentteken. Nieuw is dat het twee manieren zijn om precies hetzelfde op te schrijven.
Vul de tabel af. Vereenvoudig de breuk zo ver je kan, en schrijf er dan het procent bij.
| stad | deelnemers | breuk van de 200 | procent |
|---|---|---|---|
| Athene | 50 | ||
| Sparta | 40 | ||
| Korinthe | 25 | ||
| Thebe | 20 | ||
| Argos | 15 | ||
| Olympia | 10 | ||
| de overige steden | 40 |
Drie achtsten van alle deelnemers is jonger dan twintig. Hoeveel zijn dat er, en hoeveel procent? Tel daarna alle procenten uit de tabel op: wat moet eruit komen, en waarom?
Wij meten met de meter, die uit een afspraak komt. De Grieken meten met de baan zelf, en met hun eigen voeten.
Reken elke afstand om. Vul eerst de meters in, dan de kilometers.
| loopnummer | stadia | in meter | in kilometer |
|---|---|---|---|
| de korte ren | 1 | 185 m | 0,185 km |
| de dubbele ren | 2 | ||
| de middenren | 12 | ||
| de lange ren | 24 | ||
| de weg naar het dorp | 200 |
Hoe lang was één Griekse voet? En hoeveel stadia is één kilometer? Schrijf bij allebei je stappen op, zodat iemand anders je kan volgen.
De Grieken namen hun tekens over van de Feniciërs, die alleen medeklinkers schreven. De Grieken deden er iets nieuws bij: tekens voor de klinkers. Daardoor kan je een woord lezen dat je nog nooit gehoord hebt.
Vier van deze vijf tekens zijn valstrikken: ze lijken op een letter van ons, maar ze zeggen iets anders. Zoek uit welke vier.
| Grieks teken | lijkt op onze | valstrik of niet? |
|---|---|---|
| Ρ (rho) | P | |
| Η (èta) | H | |
| Χ (chi) | X | |
| Ν (nu) | N | |
| Υ (upsilon) | Y |
De meeste tekens lees je zoals ze eruitzien. Deze moet je even apart onthouden.
Schrijf elke naam over in onze letters, en zet erbij wie of wat het is.
| in Griekse letters | in onze letters | wie of wat is het? |
|---|---|---|
| ΖΕΥΣ | ||
| ΑΘΗΝΑ | ||
| ΣΠΑΡΤΗ | ||
| ΔΕΛΦΟΙ | ||
| ΚΡΗΤΗ | ||
| ΑΠΟΛΛΩΝ |
Lees eerst de strook bovenaan. Schrijf daarna je eigen voornaam in Griekse hoofdletters, en zet erbij welk teken je niet kon gebruiken en waarom.
Griekenland is geen blok land maar een kust met eilanden ervoor. Bijna alles ligt aan water, en dat is de reden dat de verhalen van stad naar stad reisden.
Vul de gids aan. Schrijf in de tweede kolom kort waar het ligt, en in de derde in welk land het nu ligt.
| plaats | waar het ligt | welk land nu |
|---|---|---|
| de Olympus | ||
| Athene | ||
| Sparta | ||
| Delphi | ||
| Olympia | ||
| Kreta | ||
| Troje |
Onder aan de kaart van de landmeter staat een balkje met een streepje erop. Dat streepje zegt hoeveel echte kilometer één centimeter op zijn kaart is.
Reken elke afstand om naar echte kilometers.
| van Athene naar | op de kaart | in het echt |
|---|---|---|
| Delphi | 2,6 cm | |
| Sparta | 3,2 cm | |
| Olympia | 4,4 cm | |
| de Olympus | 6,0 cm | |
| Kreta | 6,2 cm | |
| Troje | 8,0 cm |
Een bode legt 40 km per dag af. Hoeveel volle dagen is hij onderweg naar Olympia, en hoeveel naar de Olympus? Let op: een halve dag telt als een hele.
In het Frans verandert een bijvoeglijk naamwoord mee met wie of wat je beschrijft. Bij een godin komt er dus iets bij.
Op het bordje staat déesse, met een streepje op de eerste e. Dat accentje is geen versiering: het zegt hoe je die klank uitspreekt.
Zet elk woord in de vrouwelijke vorm en schrijf in de laatste kolom welke van de vier regels je gebruikt hebt.
| mannelijk | vrouwelijk | welke regel? |
|---|---|---|
| fort | forte | regel 1 |
| grand | ||
| puissant | ||
| rapide | ||
| sage | ||
| jaloux | ||
| courageux | ||
| beau |
Ik ben Camille en ik zit in Lyon in hetzelfde jaar als jij. Wij werken over dezelfde vazen en beelden als jullie. Onze leerkracht vroeg om onder elk beeld een kaartje te schrijven van vier of vijf zinnen, niet meer. Ik stuur je het mijne, zodat je ziet hoe kort het mag zijn.
Artémis est une déesse. Elle est la sœur d'Apollon. Elle est rapide et forte. Elle aime la chasse et la forêt. Elle n'est pas jalouse, mais elle est sévère. Kijk goed naar forte en naar jalouse: over een godin schrijf je de vrouwelijke vorm. Nu jij. Kies een god of een godin en schrijf er jouw kaartje bij.
Schrijf jouw kaartje: vier of vijf zinnen in het Frans. Onderstreep elk bijvoeglijk naamwoord en zet er een v bij als je de vrouwelijke vorm gebruikt hebt.
Een toernooischema is niets anders dan één regel die je blijft herhalen tot er nog één over is.
Vul de tabel aan. In de laatste kolom schrijf je hoe je aan je getal komt.
| deelnemers | rondes | wedstrijden | hoe je het ziet |
|---|---|---|---|
| 8 | 3 | 7 | 4 + 2 + 1 |
| 16 | |||
| 32 | |||
| 64 | |||
| 6 |
Schrijf de regel op waarmee je bij élk aantal deelnemers meteen weet hoeveel wedstrijden er nodig zijn. Leg daarna uit waarom die regel wel moet kloppen.
Je leest van boven naar beneden en je slaat niets over.
Loop het reglement af voor elke deelnemer. Zet erbij bij welke stap het beslist wordt.
| deelnemer | wat we van hem weten | mag hij meedoen? bij welke stap blijkt dat? |
|---|---|---|
| Kallias | op tijd, tien maanden getraind, naam opgetekend, twee onderdelen | |
| Nikias | op tijd, acht maanden getraind | |
| Thera | twee dagen te laat | |
| Damon | op tijd, twaalf maanden, naam niet opgetekend, drie onderdelen | |
| Iason | op tijd, tien maanden, naam opgetekend, vijf onderdelen |
Teken het reglement als schema: hokjes voor de vragen, pijlen voor ja en nee. De twee terugsprongen teken je als een pijl naar boven.
Je hebt drie mythen gelezen en uit elkaar gehaald. Nu maak je er zelf een.
Een mythe verklaart iets wat elke keer opnieuw gebeurt. Laat je afloop dus niet eenmalig zijn: er moet iets blijven doorgaan, elke dag of elk jaar.
Welk verschijnsel kies je, en wat wil je er precies mee verklaren?
Zet je plan in de vier stukken. Schrijf halve zinnen; het net komt op het volgende blad.
| stuk | wat er bij jou gebeurt |
|---|---|
| begin | |
| probleem | |
| hoogtepunt | |
| afloop, en wat sindsdien blijft gebeuren |
Schrijf je mythe hier in het net, met je plan van blad 22 ernaast. Begin met een titel. Lees achteraf hardop na en streep elke zin weg die niets toevoegt. Loopt je verhaal door tot onder aan het blad, schrijf dan op de achterkant verder.
Schrijf je mythe.
De deelnemers en de kransen staan er al. De twee procentkolommen en de totaalrij zijn nog leeg.
Vul de eindstand af, inclusief de totaalrij.
| stad | deelnemers | % van de deelnemers | kransen | % van de kransen |
|---|---|---|---|---|
| Athene | 50 | 25 % | 12 | |
| Sparta | 40 | 20 % | 10 | |
| Korinthe | 25 | 12,5 % | 6 | |
| Thebe | 20 | 10 % | 5 | |
| Argos | 15 | 7,5 % | 4 | |
| Olympia | 10 | 5 % | 3 | |
| de overige steden | 40 | 20 % | 0 | |
| totaal |
Olympia stuurde 10 deelnemers en won er 3 kransen mee; Sparta stuurde er 40 en won er 10. Welke stad deed het beter per deelnemer? Reken het uit, en leg dan uit waarom de stad met de meeste kransen daarom nog niet de sterkste ploeg had.
Je krijgt de rol die de grammateus niet durfde weg te gooien: het verhaal van Perseus, met twee plaatsen waar hij zichzelf tegenspreekt, een orakel dat twee kanten op kan en een naam die in de beginletters verstopt zit. Daarna knip je de twaalf goden uit, plak je ze op het fries van het A3-blad en loop je met een pion de vierentwintig stadia van de renbaan rond.
Dit is geen tweede bundel. Dit is het materiaal waarmee de bundel tot leven komt.
Onder het fries ligt een renbaan van vierentwintig vakjes rond het stadion.
Een grammateus schrijft ook op wat hij zelf niet gelooft, en zet erbij dat hij twijfelt. Waarom is dat eerlijker dan één versie kiezen en de andere weggooien?
1Perkament is duur, dus ik schrijf klein en ik schrijf niets twee keer. Dit verhaal staat in geen enkele rol die je al gelezen hebt. Ik heb het van een oude man uit Argos, die het van zijn grootvader had. Ik schrijf het op zoals hij het vertelde, met de fouten erin, want ik weet niet welke van ons twee zich vergist.
2Het begon bij Akrisios, de koning van Argos. Hij had een dochter en geen zoon, en dat liet hem niet slapen. Wie zou er na hem op zijn stoel zitten? Hij liet inspannen en reed naar Delphi, waar je één vraag mag stellen aan iemand die verder kan kijken dan jij.
3In de tempel kreeg hij twee regels terug, niet meer. WIE JE UIT DE WEG GAAT, ZAL JE VINDEN. NIET IN DE OORLOG, MAAR IN HET SPEL. Akrisios las de eerste regel en werd rustig: hij zou die man dus zelf vinden, en wie je vindt, kan je tegenhouden. Hij reed naar huis en liet een kamer van brons bouwen voor zijn dochter Danaë.
4Lang bleef het stil in die kamer, en toch werd er een kind geboren. Wie de vader was, zeggen de rollen met één naam: de god van de bliksem. Danaë noemde de jongen Perseus. Akrisios wilde er niet naar kijken. Hij liet moeder en kind in een houten kist zetten, spijkerde het deksel dicht en duwde de kist in zee. Zo hoefde hij niets te beslissen, dacht hij, en toch was hij ervan af.
5Op het eiland Serifos spoelde die kist tussen de netten van een visser aan. Diktys heette hij. Hij brak het deksel open, zag een vrouw en een kind, en zei tegen niemand wie ze waren. Achttien jaar groeide Perseus op tussen zout en touw, en hij leerde beter roeien dan wie ook op dat eiland.
6Niemand op Serifos sprak de koning tegen, ook Diktys niet, want die koning was zijn eigen broer. Polydektes wilde Danaë hebben en Perseus stond hem in de weg. Daarom gaf hij een feest en vroeg aan elke gast een geschenk. Perseus had niets. Breng mij dan de kop van de Gorgo, zei de koning, en hij lachte erbij zodat de anderen ook lachten.
Opgetekend door de grammateus, naar wat een oude man uit Argos vertelde. De rol loopt door op blad 3.
Een orakel gaf nooit een bevel. Het gaf een zin terug, en wat je met die zin deed, was je eigen zaak. Wie hem verkeerd las, kon dat later aan niemand verwijten.
1Drie geschenken kreeg hij mee voor hij vertrok. Zo heb ik het gehoord en zo schrijf ik het op. De godin met de uil kwam met een schild van brons, gepoetst tot het een spiegel was. De bode met de vleugelschoenen bracht de schoenen zelf, een zak met een brede band, en een kap waaronder je onzichtbaar wordt. Allebei noemden zij hem broer, en geen van beiden lachte erbij.
2Eerst kwam de bode, daarna de godin. Dat weet ik zeker, want de oude man uit Argos hield zijn twee handen omhoog toen hij het vertelde: links de schoenen, rechts het schild. Perseus trok de schoenen aan op het strand en viel bijna om, want zijn voeten wilden vooruit voor hij het zelf wist.
3Grijze zusters woonden aan de rand van het westen, drie in getal, met samen één oog dat ze aan elkaar doorgaven. Zij wisten de weg naar het eiland van de Gorgonen en zij wilden die weg aan niemand zeggen. Perseus wachtte tot het oog van de ene hand naar de andere ging en nam het onderweg over. Toen kreeg hij zijn antwoord vrij snel.
4Reizen op vleugelschoenen gaat sneller dan reizen op een schip, maar niet oneindig snel. Hij vertrok toen de zonnewagen nog laag stond en hij landde toen die wagen het negende streepje voorbij was. Twaalf streepjes heeft de hemel tussen de ene rand en de andere; reken zelf uit hoeveel er nog over waren.
5Achter een rand van zwarte rotsen sliepen drie zusters van een andere soort. Wie hen recht aankeek werd steen, en rond hun slaapplaats stonden daar de bewijzen van, tussen het gras. Perseus draaide zich om, hield het schild schuin boven zich en keek alleen naar wat er in het brons te zien was. Wat hij daarna deed, heb ik niet gezien, en wat ik niet gezien heb, schrijf ik niet op.
6Met de zak dicht over zijn schouder ging hij weer de lucht in. Onder hem kwam het water omhoog in één lange rug, en op die rug stond een god met een drietand, kwaad. Perseus boog diep, want hij wist wie daar stond: zijn vader had maar twee broers, en deze droeg de zee. Hij zei niets verkeerds, en de golf zakte terug.
Twee zinnen in deze kolom spreken blad 4 tegen.
1Midden op de terugweg, boven een kust die hij niet kende, zag hij een meisje aan een rots staan, alleen, met het water al tot aan haar voeten. Een dier uit zee kwam op haar af. Perseus ging ertussen staan. Wat er precies gebeurde vertellen ze in elke stad anders; iedereen is het erover eens dat het meisje Andromeda heette en dat zij met hem is meegegaan.
2Aan het strand van Serifos legde hij alles op een rij voor hij naar de stad liep: de vleugelschoenen, het schild, de zak en de kap. Vier voorwerpen, geleend en heel gebleven. Wie iets leent van een god, zei hij tegen zichzelf, brengt het terug voor hij iets anders doet.
3Toen hij bij het paleis kwam, zat Polydektes aan tafel met zijn vrienden en vroeg lachend of de jongen zijn geschenk bij zich had. Perseus zei ja. Hij deed de zak open en hield hem omhoog, en hij keek zelf de andere kant op. De koning stond op van zijn stoel en is nooit meer gaan zitten.
4Er waren spelen in Larissa, ver in het noorden, en Perseus ging erheen zoals iedereen erheen ging. Op de heuvel zat rij na rij, en op de eerste rij zaten de oude mannen, want die zien slecht. Eén van hen was uit Argos gekomen en had zijn naam niet gezegd bij de poort.
5Uit de hand van Perseus vloog de schijf scheef. De wind pakte hem, of de grond stond niet recht, of hij gooide gewoon slecht: in Argos zeggen ze het zo en in Larissa anders. De schijf kwam op de eerste rij neer. De oude man uit Argos stond niet meer op, en pas toen hoorde iedereen zijn naam.
6Sindsdien vertellen ze dat orakel op de markt na aan wie het horen wil. Denk eraan hoe het ging: eerst gaf de godin het schild, pas daarna kwam de bode met de schoenen. En denk aan de tweede regel, die niemand belangrijk had gevonden. Ik heb opgeschreven wat ik hoorde. Wat er niet in staat, heb ik niet gehoord.
Hier eindigt de rol van de grammateus.
De laatste regel van deze kolom spreekt een regel uit kolom II tegen. Dat is geen drukfout; dat is je werk.
Je weet al hoe je een verhaal navertelt. Nieuw is dat je met regelnummers bewijst wat je beweert.
Zoek de vier stukken van het verhaal terug in de rol.
| stuk | kolom + regel(s) | in je eigen woorden |
|---|---|---|
| begin | ||
| probleem | ||
| hoogtepunt | ||
| afloop |
Zoek de twee tegenspraken. Noteer telkens allebei de plaatsen en schrijf erbij wat er precies niet klopt.
| waarover | eerste plaats | tweede plaats | wat klopt er niet |
|---|---|---|---|
| een aantal | |||
| een volgorde |
Kies bij elke tegenspraak de versie die je gelooft, en schrijf erbij waarom. Bij één ervan kan je het niet bewijzen; zeg dat dan.
In WIE JE UIT DE WEG GAAT, ZAL JE VINDEN staat niet wie er zoekt en wie er gevonden wordt.
Schrijf de orakelspreuk twee keer over, elke keer zo dat er nog maar één betekenis overblijft.
Zet de beginletter van elke regel onder elkaar, van kolom I tot kolom III. Er staat een naam.
Vier goden uit de rol staan ook op het A3-fries. Vul de gids aan; leg de stamboom van blad 9 van de bundel ernaast.
| wie in de rol | welk medaillon (1-12) | wat is hij of zij van Perseus? |
|---|---|---|
| de god van de bliksem, zijn vader | ||
| de godin met de uil | ||
| de bode met de vleugelschoenen | ||
| de god met de drietand |
Een vazenschilder zet er soms iets in wat de tekst tegenspreekt. Tel daarom wat je kan tellen.
Kijk in het schild zelf. Wat is daar te zien, hoeveel slangen tel je, en waarom kijkt hij niet recht?
Tel de voorwerpen op de bank. Welke regel van de rol klopt daarmee, en welke regel niet meer?
Van wie is dit wapen? Wat is hij van Perseus, en bij welke kolom en regel hoort deze plaat?
Zet je potlood op elk ding dat je telt en tel nog eens over. Een grammateus die zich verteld heeft, schrijft dat later ook op.
Tel de blaadjes. Dat getal zegt je hoeveel medaillons er op het A3-fries staan. Klopt het?
Welke regel van de rol heeft deze vazenschilder geschilderd? Geef kolom en nummer, en zeg waaraan je het ziet.
Op welk streepje staat de wagen, en hoeveel zijn er nog over? In welke regel staat dat ook?
Eén van de zes platen spreekt de rol tegen. Welke, en welke regel geloof je daarna niet meer?
Op het A3-blad staan twaalf lege medaillons met een gestreepte rand. Onder elk medaillon staat een hint.
De kaarten zeggen niet wie van wie is. Dat moet je halen uit de stamboom van blad 9 van de bundel.
Op het fries lopen drie soorten lijnen naar deze rij. De legende onder het fries zegt welke wat betekent.
Eén god hieronder komt in de lange rol voor als de halfbroer van Perseus. Wie is het, en aan welke regel zie je dat?
Knip strook voor strook, en leg wat je uitknipt meteen op de goede plaats.
De prijs was alleen een krans van takken. Geen geld, geen beker: bladeren die na een week verdorden, en een naam die bleef.
Elk vak hieronder zegt wat het ding deed, niet hoe het heet.
Lees de strook hierboven met je letterstrook erbij en schrijf op wat er staat.
Schrijf met de letterstrook je eigen voornaam in Griekse hoofdletters op de achterkant van blad 11. Zet erbij welke klank je niet kon schrijven.
Aan wie na mij de pen krijgt. Ik laat je mijn inktpot, mijn mes om te snijden en drie rollen na. De rollen zijn niet af, want een rol is nooit af. Wat wel af is, is de lijst: wie er won, hoeveel er kwamen kijken en hoe ver ze liepen.
Eén ding vraag ik je. Hoor je iets wat niet klopt met wat je al opgeschreven hebt, gooi het oude dan niet weg. Zet het nieuwe ernaast en schrijf erbij van wie je het hebt. Ik heb mij in mijn laatste rol twee keer vergist en ik heb het laten staan. Wie mijn vergissing vindt, heeft meer geleerd dan wie mijn rol netjes overschrijft.
Mijn naam staat niet onder deze brief. Hij staat wel in die laatste rol, alleen niet op een plaats waar je hem verwacht: zoek niet onderaan en niet in de marge, maar kijk waar elke regel begint. De spelen komen trouwens terug. De renbaan blijft even lang, de krans blijft even klein, en de heuvel zit weer vol. Er is alleen altijd iemand nodig die het opschrijft, ook op de dagen waarop er niets bijzonders gebeurt. Vanaf morgen ben jij dat.
Schrijf hem terug: één vondst uit zijn rol, en één zin die je hem niet gelooft.
Bedenk een dertiende gebeurtenisvakje: welk teken, welk vakje, en wat gebeurt er dan?