Je krijgt de rol die de grammateus niet durfde weg te gooien: het verhaal van Perseus, met twee plaatsen waar hij zichzelf tegenspreekt, een orakel dat twee kanten op kan en een naam die in de beginletters verstopt zit. Daarna knip je de twaalf goden uit, plak je ze op het fries van het A3-blad en loop je met een pion de vierentwintig stadia van de renbaan rond.
Dit bijvoegsel is materiaal, geen tweede bundel. De kern is één doorlopende mythe over Perseus (bladen 2, 3 en 4) die nergens in de bundel staat en die met opzet rammelt: de verteller spreekt zichzelf één keer tegen over een aantal en één keer over een volgorde, hij verzwijgt de gewelddadigste zin, hij laat een orakelspreuk staan die twee betekenissen heeft, en de beginletters van zijn achttien regels vormen zijn eigen naam. De ontledingsbladen 5 en 6 laten de leerling dat allemaal bewijzen met kolom- en regelnummers; het herschrijven van de dubbelzinnige spreuk is echt nieuw terrein (zinsbouw, niet woordsoorten). De zes platen op blad 7 en 8 bevatten elk één telbaar of aanwijsbaar detail dat de tekst bevestigt of tegenspreekt. Het knipwerk sluit aan bij blad 9 en 10 van de bundel: de twaalf medaillons op het A3-fries dragen alleen verwantschapshints, de knipkaarten alleen attributen, zodat de leerling de stamboom nodig heeft om ze te koppelen. Onder het fries ligt een spelbord met de vierentwintig stadia van de lange ren uit blad 13 van de bundel. Let op: de tekst geeft geen enkel antwoord van de bundel weg.
Dit is geen tweede bundel. Dit is het materiaal waarmee de bundel tot leven komt.
Onder het fries ligt een renbaan van vierentwintig vakjes rond het stadion.
Een grammateus schrijft ook op wat hij zelf niet gelooft, en zet erbij dat hij twijfelt. Waarom is dat eerlijker dan één versie kiezen en de andere weggooien?
1Perkament is duur, dus ik schrijf klein en ik schrijf niets twee keer. Dit verhaal staat in geen enkele rol die je al gelezen hebt. Ik heb het van een oude man uit Argos, die het van zijn grootvader had. Ik schrijf het op zoals hij het vertelde, met de fouten erin, want ik weet niet welke van ons twee zich vergist.
2Het begon bij Akrisios, de koning van Argos. Hij had een dochter en geen zoon, en dat liet hem niet slapen. Wie zou er na hem op zijn stoel zitten? Hij liet inspannen en reed naar Delphi, waar je één vraag mag stellen aan iemand die verder kan kijken dan jij.
3In de tempel kreeg hij twee regels terug, niet meer. WIE JE UIT DE WEG GAAT, ZAL JE VINDEN. NIET IN DE OORLOG, MAAR IN HET SPEL. Akrisios las de eerste regel en werd rustig: hij zou die man dus zelf vinden, en wie je vindt, kan je tegenhouden. Hij reed naar huis en liet een kamer van brons bouwen voor zijn dochter Danaë.
4Lang bleef het stil in die kamer, en toch werd er een kind geboren. Wie de vader was, zeggen de rollen met één naam: de god van de bliksem. Danaë noemde de jongen Perseus. Akrisios wilde er niet naar kijken. Hij liet moeder en kind in een houten kist zetten, spijkerde het deksel dicht en duwde de kist in zee. Zo hoefde hij niets te beslissen, dacht hij, en toch was hij ervan af.
5Op het eiland Serifos spoelde die kist tussen de netten van een visser aan. Diktys heette hij. Hij brak het deksel open, zag een vrouw en een kind, en zei tegen niemand wie ze waren. Achttien jaar groeide Perseus op tussen zout en touw, en hij leerde beter roeien dan wie ook op dat eiland.
6Niemand op Serifos sprak de koning tegen, ook Diktys niet, want die koning was zijn eigen broer. Polydektes wilde Danaë hebben en Perseus stond hem in de weg. Daarom gaf hij een feest en vroeg aan elke gast een geschenk. Perseus had niets. Breng mij dan de kop van de Gorgo, zei de koning, en hij lachte erbij zodat de anderen ook lachten.
Opgetekend door de grammateus, naar wat een oude man uit Argos vertelde. De rol loopt door op blad 3.
Een orakel gaf nooit een bevel. Het gaf een zin terug, en wat je met die zin deed, was je eigen zaak. Wie hem verkeerd las, kon dat later aan niemand verwijten.
1Drie geschenken kreeg hij mee voor hij vertrok. Zo heb ik het gehoord en zo schrijf ik het op. De godin met de uil kwam met een schild van brons, gepoetst tot het een spiegel was. De bode met de vleugelschoenen bracht de schoenen zelf, een zak met een brede band, en een kap waaronder je onzichtbaar wordt. Allebei noemden zij hem broer, en geen van beiden lachte erbij.
2Eerst kwam de bode, daarna de godin. Dat weet ik zeker, want de oude man uit Argos hield zijn twee handen omhoog toen hij het vertelde: links de schoenen, rechts het schild. Perseus trok de schoenen aan op het strand en viel bijna om, want zijn voeten wilden vooruit voor hij het zelf wist.
3Grijze zusters woonden aan de rand van het westen, drie in getal, met samen één oog dat ze aan elkaar doorgaven. Zij wisten de weg naar het eiland van de Gorgonen en zij wilden die weg aan niemand zeggen. Perseus wachtte tot het oog van de ene hand naar de andere ging en nam het onderweg over. Toen kreeg hij zijn antwoord vrij snel.
4Reizen op vleugelschoenen gaat sneller dan reizen op een schip, maar niet oneindig snel. Hij vertrok toen de zonnewagen nog laag stond en hij landde toen die wagen het negende streepje voorbij was. Twaalf streepjes heeft de hemel tussen de ene rand en de andere; reken zelf uit hoeveel er nog over waren.
5Achter een rand van zwarte rotsen sliepen drie zusters van een andere soort. Wie hen recht aankeek werd steen, en rond hun slaapplaats stonden daar de bewijzen van, tussen het gras. Perseus draaide zich om, hield het schild schuin boven zich en keek alleen naar wat er in het brons te zien was. Wat hij daarna deed, heb ik niet gezien, en wat ik niet gezien heb, schrijf ik niet op.
6Met de zak dicht over zijn schouder ging hij weer de lucht in. Onder hem kwam het water omhoog in één lange rug, en op die rug stond een god met een drietand, kwaad. Perseus boog diep, want hij wist wie daar stond: zijn vader had maar twee broers, en deze droeg de zee. Hij zei niets verkeerds, en de golf zakte terug.
Twee zinnen in deze kolom spreken blad 4 tegen.
1Midden op de terugweg, boven een kust die hij niet kende, zag hij een meisje aan een rots staan, alleen, met het water al tot aan haar voeten. Een dier uit zee kwam op haar af. Perseus ging ertussen staan. Wat er precies gebeurde vertellen ze in elke stad anders; iedereen is het erover eens dat het meisje Andromeda heette en dat zij met hem is meegegaan.
2Aan het strand van Serifos legde hij alles op een rij voor hij naar de stad liep: de vleugelschoenen, het schild, de zak en de kap. Vier voorwerpen, geleend en heel gebleven. Wie iets leent van een god, zei hij tegen zichzelf, brengt het terug voor hij iets anders doet.
3Toen hij bij het paleis kwam, zat Polydektes aan tafel met zijn vrienden en vroeg lachend of de jongen zijn geschenk bij zich had. Perseus zei ja. Hij deed de zak open en hield hem omhoog, en hij keek zelf de andere kant op. De koning stond op van zijn stoel en is nooit meer gaan zitten.
4Er waren spelen in Larissa, ver in het noorden, en Perseus ging erheen zoals iedereen erheen ging. Op de heuvel zat rij na rij, en op de eerste rij zaten de oude mannen, want die zien slecht. Eén van hen was uit Argos gekomen en had zijn naam niet gezegd bij de poort.
5Uit de hand van Perseus vloog de schijf scheef. De wind pakte hem, of de grond stond niet recht, of hij gooide gewoon slecht: in Argos zeggen ze het zo en in Larissa anders. De schijf kwam op de eerste rij neer. De oude man uit Argos stond niet meer op, en pas toen hoorde iedereen zijn naam.
6Sindsdien vertellen ze dat orakel op de markt na aan wie het horen wil. Denk eraan hoe het ging: eerst gaf de godin het schild, pas daarna kwam de bode met de schoenen. En denk aan de tweede regel, die niemand belangrijk had gevonden. Ik heb opgeschreven wat ik hoorde. Wat er niet in staat, heb ik niet gehoord.
Hier eindigt de rol van de grammateus.
De laatste regel van deze kolom spreekt een regel uit kolom II tegen. Dat is geen drukfout; dat is je werk.
Je weet al hoe je een verhaal navertelt. Nieuw is dat je met regelnummers bewijst wat je beweert.
Zoek de vier stukken van het verhaal terug in de rol.
| stuk | kolom + regel(s) | in je eigen woorden |
|---|---|---|
| begin | ||
| probleem | ||
| hoogtepunt | ||
| afloop |
Zoek de twee tegenspraken. Noteer telkens allebei de plaatsen en schrijf erbij wat er precies niet klopt.
| waarover | eerste plaats | tweede plaats | wat klopt er niet |
|---|---|---|---|
| een aantal | |||
| een volgorde |
Kies bij elke tegenspraak de versie die je gelooft, en schrijf erbij waarom. Bij één ervan kan je het niet bewijzen; zeg dat dan.
In WIE JE UIT DE WEG GAAT, ZAL JE VINDEN staat niet wie er zoekt en wie er gevonden wordt.
Schrijf de orakelspreuk twee keer over, elke keer zo dat er nog maar één betekenis overblijft.
Zet de beginletter van elke regel onder elkaar, van kolom I tot kolom III. Er staat een naam.
Vier goden uit de rol staan ook op het A3-fries. Vul de gids aan; leg de stamboom van blad 9 van de bundel ernaast.
| wie in de rol | welk medaillon (1-12) | wat is hij of zij van Perseus? |
|---|---|---|
| de god van de bliksem, zijn vader | ||
| de godin met de uil | ||
| de bode met de vleugelschoenen | ||
| de god met de drietand |
Een vazenschilder zet er soms iets in wat de tekst tegenspreekt. Tel daarom wat je kan tellen.
Kijk in het schild zelf. Wat is daar te zien, hoeveel slangen tel je, en waarom kijkt hij niet recht?
Tel de voorwerpen op de bank. Welke regel van de rol klopt daarmee, en welke regel niet meer?
Van wie is dit wapen? Wat is hij van Perseus, en bij welke kolom en regel hoort deze plaat?
Zet je potlood op elk ding dat je telt en tel nog eens over. Een grammateus die zich verteld heeft, schrijft dat later ook op.
Tel de blaadjes. Dat getal zegt je hoeveel medaillons er op het A3-fries staan. Klopt het?
Welke regel van de rol heeft deze vazenschilder geschilderd? Geef kolom en nummer, en zeg waaraan je het ziet.
Op welk streepje staat de wagen, en hoeveel zijn er nog over? In welke regel staat dat ook?
Eén van de zes platen spreekt de rol tegen. Welke, en welke regel geloof je daarna niet meer?
Op het A3-blad staan twaalf lege medaillons met een gestreepte rand. Onder elk medaillon staat een hint.
De kaarten zeggen niet wie van wie is. Dat moet je halen uit de stamboom van blad 9 van de bundel.
Op het fries lopen drie soorten lijnen naar deze rij. De legende onder het fries zegt welke wat betekent.
Eén god hieronder komt in de lange rol voor als de halfbroer van Perseus. Wie is het, en aan welke regel zie je dat?
Knip strook voor strook, en leg wat je uitknipt meteen op de goede plaats.
De prijs was alleen een krans van takken. Geen geld, geen beker: bladeren die na een week verdorden, en een naam die bleef.
Elk vak hieronder zegt wat het ding deed, niet hoe het heet.
Lees de strook hierboven met je letterstrook erbij en schrijf op wat er staat.
Schrijf met de letterstrook je eigen voornaam in Griekse hoofdletters op de achterkant van blad 11. Zet erbij welke klank je niet kon schrijven.
Aan wie na mij de pen krijgt. Ik laat je mijn inktpot, mijn mes om te snijden en drie rollen na. De rollen zijn niet af, want een rol is nooit af. Wat wel af is, is de lijst: wie er won, hoeveel er kwamen kijken en hoe ver ze liepen.
Eén ding vraag ik je. Hoor je iets wat niet klopt met wat je al opgeschreven hebt, gooi het oude dan niet weg. Zet het nieuwe ernaast en schrijf erbij van wie je het hebt. Ik heb mij in mijn laatste rol twee keer vergist en ik heb het laten staan. Wie mijn vergissing vindt, heeft meer geleerd dan wie mijn rol netjes overschrijft.
Mijn naam staat niet onder deze brief. Hij staat wel in die laatste rol, alleen niet op een plaats waar je hem verwacht: zoek niet onderaan en niet in de marge, maar kijk waar elke regel begint. De spelen komen trouwens terug. De renbaan blijft even lang, de krans blijft even klein, en de heuvel zit weer vol. Er is alleen altijd iemand nodig die het opschrijft, ook op de dagen waarop er niets bijzonders gebeurt. Vanaf morgen ben jij dat.
Schrijf hem terug: één vondst uit zijn rol, en één zin die je hem niet gelooft.
Bedenk een dertiende gebeurtenisvakje: welk teken, welk vakje, en wat gebeurt er dan?