Baker Street, 1898. Een landheer uit Farrowgate vindt elke ochtend rijen dansende mannetjes op zijn tuinhek, en jij wordt de codebreker die Holmes erbij haalt. Je werkt je door vier cijfers heen: eerst een sleutel van zesentwintig figuurtjes, dan het codewiel met klokrekenen en rest bij deling, dan het tellen van letters om een briefje te kraken zonder sleutel, en ten slotte het sleutelwoordcijfer dat bij elke letter een andere verschuiving gebruikt. Onderweg lees je hoe Londen er in die jaren uitzag, leer je in het Frans een naam en een adres spellen, en leer je Holmes zijn eigenste kunstje: het verschil zien tussen wat je waarneemt en wat je daaruit besluit. Op het einde kraak je de laatste brief en schrijf je voor Watson de handleiding die hij zelf nooit heeft kunnen maken.
Deze bundel is bundel 5 van acht en zit qua zwaarte in het midden van de reeks: er wordt meer gerekend dan in bundel 1 tot 4, en de meesterproef vraagt voor het eerst dat de leerling drie technieken achter elkaar toepast zonder dat er per stap gezegd wordt welke. De leerling kent uit de klas de deling met rest en de tafels; nieuw is dat de rest hier het antwoord zelf is (klokrekenen modulo 26), dat een staafdiagram uit zelf verzamelde gegevens wordt opgebouwd, en dat een geheimschrift met een sleutelwoord bij elke letter een andere verschuiving gebruikt. Taal levert de instructietekst en het onderscheid waarneming-gevolgtrekking, wereldorientatie en natuur leveren het Victoriaanse Londen achter het verhaal, Frans levert het alfabet en het spellen. Werk de bladen in volgorde: elk cijfer bouwt op het vorige, en de meesterproef gebruikt alle vier de sleutels. Reken op vier tot zes lesuren voor de hele bundel; de bladen 10 en 11 (tellen en staafdiagram) vragen samen een volledig uur.
Geachte heer Holmes, ik schrijf u omdat ik niet weet aan wie ik het anders zou vragen. Sinds drie weken vind ik 's ochtends krijttekeningen op de muur van onze tuinschuur: rijen mannetjes die dansen, elk met armen en benen in een andere houding. Ik heb er de eerste ochtend om gelachen. Mijn vrouw niet.
Nora is bleek geworden toen ze de eerste rij zag, en ze wil er sindsdien niet over praten. Ze heeft me alleen gevraagd de tekeningen weg te vegen en er verder niets van te zeggen. Dat heb ik gedaan. De volgende ochtend stond er een nieuwe rij, langer dan de vorige, op het hek naast de oude zonnewijzer.
Ik heb ze overgetekend voor ik ze uitveegde. Bij elk woord houdt het laatste mannetje een vlaggetje omhoog; dat viel me op omdat het zo regelmatig terugkomt. Verder zie ik er geen enkel patroon in. Is het kindergekrabbel, dan wil ik dat horen. Is het iets anders, dan wil ik dat nog liever horen. Met achting, Thomas Crale.
Crale geeft in zijn brief drie waarnemingen en een gok. Schrijf de drie waarnemingen op, en zet er daarna de gok onder. Hoe zie je het verschil?
Waarom is het vlaggetje bij het laatste mannetje van een woord goed nieuws voor wie de code wil kraken?
Elk mannetje staat voor een letter. Holmes legde de figuurtjes op een strook naast elkaar en gaf ze een nummer, van 1 tot 26.
Dit is de rij van de tuinschuur, de eerste die Crale overtekende. Ontcijfer hem met de sleutel hierboven en schrijf de zin eronder.
Schrijf eerst alle nummers over met genoeg ruimte eronder. Vul dan pas de letters in, woord per woord, en gebruik de vlaggen als grens.
Ontcijfer de rij van het hek en schrijf de boodschap op de lijnen eronder.
Nora wil antwoorden met een woord: NOOIT. Schrijf dat woord in nummers, met de vlag erachter. Bedenk daarna zelf een antwoord van drie woorden en schrijf dat er ook in nummers onder.
Een code waarin elk teken altijd dezelfde letter is, heet een vervangingscijfer. Hij is snel te schrijven en, zoals je verderop merkt, ook verrassend snel te kraken.
Zet de 26 letters op een klok: A op plaats 1, Z op plaats 26. Schuif je vanaf een letter een aantal plaatsen op, dan loop je gewoon door over de 26 heen.
Reken op de letterklok. Schrijf in de middelste kolom de deling met de rest, en in de laatste kolom de plaats en de letter waar je uitkomt.
| som | deling door 26 en de rest | plaats en letter |
|---|---|---|
| 24 + 5 | ||
| 19 + 12 | ||
| 21 + 5 | ||
| 3 - 7 | ||
| 26 + 1 |
Bij een van de vijf sommen hierboven loopt de gewone regel mis en moet je de uitzondering gebruiken. Welke is het, en wat gaat er mis als je er niet aan denkt?
Bij dit cijfer krijgt elke letter dezelfde verschuiving. Bij plus drie wordt A een D, B een E, en Z weer een C, want de klok loopt rond.
Holmes onderschepte dit telegram. De verschuiving is plus drie. Ontcijfer het.
Watson wil terugseinen: GEEN GEVAAR. Versleutel die twee woorden met dezelfde verschuiving en schrijf ze op.
Een verschuiving van 26 verandert niets, dus er blijven er 25 over om te proberen. Wie slim begint, is er veel sneller dan wie bij een begint.
Dit briefje lag in de zak van de tuinman. De verschuiving is onbekend.
| verschuiving die ik probeer | wat het derde woord (W X) dan wordt | kan dat? |
|---|---|---|
Schrijf de gevonden verschuiving en de hele klaartekst op.
1Toen Holmes in 1898 uit zijn raam keek, zag hij een stad die in honderd jaar zes keer zo groot was geworden. Rond 1800 woonden er ongeveer een miljoen mensen, rond 1900 meer dan zes miljoen. Ze kwamen van het platteland, want in de stad was werk: in de fabrieken, in de haven en bij het spoor.
2Dat spoor was nieuw. In 1825 reed in Engeland de eerste spoorlijn met stoomtreinen voor reizigers. Tien jaar later lag de eerste lijn van het Europese vasteland tussen Brussel en Mechelen. Vanaf 1863 reed er in Londen zelfs een trein onder de grond, de eerste ter wereld. Wie vroeger drie dagen onderweg was, deed er nu een halve dag over.
3Berichten gingen nog sneller. Vanaf 1837 werden er telegraafdraden langs de sporen gespannen. Een bericht dat je 's ochtends afgaf, lag een uur later in een kantoor honderden kilometers verderop. Voor het eerst reisde nieuws sneller dan de mens die het bracht. Een detective kon een vraag stellen en nog dezelfde dag een antwoord krijgen.
4Niet iedereen won erbij. In de fabrieken werkten kinderen van acht en negen jaar, twaalf uur per dag, voor een paar stuivers. Pas in 1889 verbood Belgie fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf. En omdat de oude nachtwachten de groeiende stad niet meer aankonden, kreeg Londen in 1829 een beroepspolitie: mannen in uniform, met een vast loon en een vaste ronde.
Uit het dossier dat Holmes voor deze zaak aanlegde
Vul aan met de tekst erbij. Zet in de laatste kolom wat er voor gewone mensen veranderde, niet wat de uitvinding was.
| vernieuwing | vanaf wanneer | wat veranderde er voor gewone mensen? |
|---|---|---|
| de stoomtrein voor reizigers | ||
| de telegraaf langs het spoor | ||
| de trein onder de grond | ||
| de beroepspolitie |
De tekst noemt twee dingen die sneller gingen en een ding dat voor sommige mensen slechter werd. Leg uit hoe die twee met elkaar te maken hebben.
Al dat werk draaide op steenkool, en het licht ook. In de gasfabriek verhitte men steenkool in gesloten ovens, zonder lucht erbij. Daardoor kwam er gas uit vrij dat door buizen naar de straatlantaarns werd gestuurd. Wat in de oven overbleef, was cokes en dikke zwarte teer. Vanaf 1807 brandden zo de eerste gaslantaarns van Londen.
Verbranden lukt alleen met zuurstof. Krijgt een vlam of een kachel te weinig lucht, dan verbrandt de steenkool niet helemaal en blijven er piepkleine zwarte deeltjes over: roet. Een miljoen schoorstenen maakten samen zoveel roet dat de mist er bruin van werd. Bij koud, windstil weer bleef die laag dagenlang boven de stad hangen.
Daar kon Holmes mee werken. Wie door zo'n stad loopt, neemt de stad mee aan zijn kleren. Londen zelf ligt op zware, plakkerige klei. Langs de rivier ligt grind en zand, en op de heuvels ten zuiden begint wit krijt. Drie soorten modder aan een laars zijn dus drie soorten grond, en drie mogelijke wegen die iemand die ochtend genomen heeft.
Stadsgas werd in buizen onder de straat vervoerd. Een lek rook je: men mengde er met opzet een stof bij die stonk, zodat niemand de lekkage over het hoofd zou zien.
Drie bezoekers komen bij Holmes binnen. Schrijf in de laatste kolom wat je uit de modder besluit, en zet erbij hoe zeker je bent.
| wat je aan de laars ziet | welke grond is dat? | wat besluit je, en hoe zeker? |
|---|---|---|
| zware, plakkerige klei tot boven de zool | ||
| wit, korrelig stof in de naden | ||
| grof grind en nat zand |
Waarom wordt de mist boven een stad bruin en niet grijs? Gebruik in je antwoord de woorden zuurstof en roet.
Het verhaal speelt in 1898. Om te weten hoe lang geleden iets toen was, trek je het jaartal van 1898 af.
| jaar | wat er gebeurde | hoeveel jaar voor 1898? |
|---|---|---|
| 1825 | eerste spoorlijn met stoomtreinen voor reizigers | |
| 1829 | Londen krijgt een beroepspolitie | |
| 1835 | eerste spoorlijn van het Europese vasteland | |
| 1837 | eerste telegraaflijn langs het Engelse spoor | |
| 1863 | eerste ondergrondse spoorlijn ter wereld | |
| 1889 | Belgie verbiedt fabrieksarbeid onder twaalf jaar |
Een man van 73 jaar zit in 1898 bij Holmes in de wachtkamer. Welke van de zes gebeurtenissen uit de tabel heeft hij zelf niet bewust kunnen meemaken, en waarom denk je dat?
Londen groeide van ongeveer 1 000 000 inwoners in 1801 naar ongeveer 6 500 000 in 1901. Reken uit hoeveel mensen er in die honderd jaar bij kwamen, en hoeveel dat gemiddeld per jaar is.
Tel per alinea en per letter apart. Zet een streepje per vondst, vijf streepjes als een hekje, en tel pas op het einde alles samen.
Een taal heeft gewoontes. Wie honderd Nederlandse zinnen naast elkaar legt, ziet dat sommige letters zich overal opdringen en andere zich bijna nooit laten zien. De e staat vooraan in die rij, met ruime voorsprong. Daarna volgen de n, de a en de t, en even later de i en de r.
Dat is geen toeval. Onze lidwoorden, onze uitgangen en onze kleine woordjes zitten vol met dezelfde letters. Elk meervoud op en levert meteen een e en een n. Elke zin met de of een of het sleept er nog een paar mee.
Een codebreker maakt daar gereedschap van. Hij telt de tekens in een geheime boodschap, zet ze op volgorde van hoe vaak ze voorkomen, en legt die volgorde naast wat hij van het Nederlands verwacht. Het teken dat bovenaan staat, is bijna altijd de e.
Turf de zes letters, alinea per alinea, en tel ze daarna op. Schrijf in de laatste kolom het totaal.
| letter | alinea 1 | alinea 2 | alinea 3 | totaal |
|---|---|---|---|---|
| e | ||||
| n | ||||
| a | ||||
| t | ||||
| i | ||||
| r |
Elk vakje staat voor tien letters. Kleur van links naar rechts een vakje per tien, en kleur een half vakje als er vijf of meer overblijven.
Zet de zes letters in volgorde van hoe vaak ze voorkomen, de grootste eerst. Vergelijk die rij met de rij die in de tekst van blad 10 voorspeld werd. Wat valt op?
Reken voor de e en voor de n uit welk deel van alle 586 letters ze innemen, in procent, afgerond op een heel getal. Schrijf ook je berekening op.
Tel de letters in het briefje. De letter die bovenaan staat, is bijna altijd de e.
Dit briefje kwam per post, zonder afzender. Tel de letters, vind de verschuiving en ontcijfer.
Hoeveel keer komt de letter die voor de e staat in dit briefje voor, en hoeveel keer die op de tweede plaats? Waarom is dat verschil belangrijk?
De letters zijn dezelfde als bij ons, maar hun namen niet. Lees de rij hardop; je hoort meteen welke vier je nooit zou raden.
Vous pouvez épeler, s'il vous plaît ? = Kan u dat spellen, alstublieft? En: Comment ça s'écrit ? = Hoe schrijf je dat?
Spel deze drie namen hardop in het Frans en schrijf de letternamen achter elkaar op: CRALE, VAYLE, HOLMES. Zet een streepje tussen de namen van de letters.
| wat de beambte vraagt | wat dat betekent | wat jij antwoordt |
|---|---|---|
| Comment vous appelez-vous ? | Hoe heet u? | Je m'appelle ... |
| Épelez votre nom, s'il vous plaît. | Spel uw naam, alstublieft. | C'est ... |
| Où habitez-vous ? | Waar woont u? | J'habite au ... |
| C'est une majuscule ? | Is dat een hoofdletter? | Oui, une majuscule. |
| Avec un trait d'union ? | Met een koppelteken? | Non, sans trait d'union. |
| Vous pouvez répéter ? | Kan u dat herhalen? | Oui, bien sûr. |
Schrijf in de tweede kolom hoe je het woord in het Frans spelt, letternaam per letternaam.
| wat je moet doorgeven | hoe je het spelt in het Frans |
|---|---|
| VAYLE | |
| CHARDON | |
| NORA | |
| de straat waar jij woont |
Je geeft je adres door: nummer 22, rue du Chardon. Schrijf de hele zin in het Frans, met het huisnummer voluit in woorden.
Bij het codewiel kreeg elke letter dezelfde verschuiving. Bij dit cijfer krijgt de eerste letter de eerste verschuiving, de tweede letter de tweede, en zo verder; na vier begin je opnieuw.
| sleutelletter | plaats in het alfabet | verschuiving |
|---|---|---|
| M | 13 | +13 |
| I | 9 | +9 |
| S | 19 | +19 |
| T | 20 | +20 |
Oefen het rekenen. Gebruik de letterklok van blad 4: word je groter dan 26, neem dan de rest na deling door 26.
| letter | verschuiving | som | wordt |
|---|---|---|---|
| H | +13 | 8 + 13 = 21 | U |
| O | +9 | ||
| N | +19 |
Schrijf je bericht op. Zet daarboven het sleutelwoord, letter voor letter herhaald, spaties overgeslagen. Reken dan per letter de som uit.
Een verschuiving van 26 brengt je precies terug op dezelfde letter. Kom je uit op de rest 0, dan sta je op plaats 26.
Versleutel GEEN GEVAAR met het sleutelwoord MIST. Schrijf eerst de sleutelletters boven de letters, dan de sommen, dan het resultaat.
Kijk naar de twee e's in GEEN. Worden ze hetzelfde teken? Leg uit waarom dat zo uitkomt.
Zet weer het sleutelwoord boven de tekens en trek nu af in plaats van op te tellen.
Ontcijfer dit bericht met het sleutelwoord MIST en schrijf de zin op de lijnen.
De letters Q N staan twee keer naast elkaar in de cijfertekst. Ontcijfer ze allebei. Komt er twee keer hetzelfde uit, en hoe kan dat, terwijl je op blad 16 net zag dat dezelfde letter meestal een ander teken wordt?
Ik heb vanmiddag opnieuw geprobeerd te doen wat hij doet, en ik ben er opnieuw naast gaan zitten. Er kwam een man binnen, en Holmes zei na vier tellen dat hij die ochtend te voet van de overkant van de rivier was gekomen en dat hij met zijn handen werkte. De man knikte alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
Achteraf heeft hij het uitgelegd, en het is nooit toveren. Hij ziet iets, en dan denkt hij iets. Het eerste is een waarneming: grijswitte spatten op de rand van de laars, een linkerhand die veel bruiner is dan de rechter. Het tweede is een gevolgtrekking: krijt betekent de heuvels ten zuiden, en een enkele gebruinde hand betekent dagenlang buiten zitten met die hand in de zon.
Het verschil dat ik telkens vergeet, is dit. Een waarneming kan je aanwijzen; een gevolgtrekking niet. En een gevolgtrekking kan fout zijn zonder dat de waarneming fout is. De bruine hand kan ook van een koetsier zijn die naar het westen rijdt, met de zon aan een kant. Holmes noemt er altijd twee en kiest dan de waarschijnlijkste. Ik noem er een en denk dat ik klaar ben.
Haal uit Watsons schrift twee waarnemingen en de gevolgtrekking die erbij hoort. Bedenk er telkens een tweede verklaring bij die ook zou kunnen kloppen.
| waarneming | gevolgtrekking van Holmes | wat het ook kan zijn |
|---|---|---|
| grijswitte spatten op de laarsrand | ||
| een linkerhand die bruiner is dan de rechter | ||
| de man knikte meteen |
Een goede deductie noemt eerst wat je ziet, dan wat je daaruit besluit, en dan hoe sterk dat besluit staat.
Vul de gids aan met drie deducties van jezelf: over iemand in je klas, over het lokaal, of over de afbeelding hierboven. De eerste rij is voorgedaan.
| wat ik zie | wat ik daaruit besluit | hoe zeker? |
|---|---|---|
| de gum is aan een kant helemaal afgesleten | die is veel gebruikt door dezelfde hand | waarschijnlijk |
Kies de deductie waar je het minst zeker over bent. Wat zou je kunnen nakijken om er zekerder over te worden? Noem twee dingen.
Een algoritme is een rij stappen die altijd tot een einde komt. Twee dingen mogen er nooit aan ontbreken.
| stap | wat je doet | wat als het misloopt |
|---|---|---|
| 1 tellen | tel hoe vaak elk teken voorkomt | |
| 2 sorteren | ||
| 3 vergelijken | leg je volgorde naast e, n, a, t, i, r | |
| 4 proberen |
Vul de lege vakjes van de tabel in. Schrijf bij stap 4 ook wat je doet als de eerste poging geen Nederlandse woorden oplevert.
Op welk soort geheimschrift werkt dit algoritme niet, en waarom niet? Denk aan blad 15.
Elk vakje is een stap. Onderaan staat een stap die je terugstuurt naar boven; dat heet een herhaling en die hoort erbij.
Vakje 8 moet je terugsturen naar een eerder vakje. Naar welk nummer, en wat verander je voor je het opnieuw probeert?
Vanmorgen om zes uur bracht een jongen dit pakje aan de deur en verdween voor Watson zijn jas aan had. Er zat geen naam bij en geen afzender, alleen drie stroken papier, genummerd, en een kaartje met de woorden: alles staat erin, in de goede volgorde.
Holmes legde de stroken naast elkaar en zei: het eerste stuk is van dezelfde hand als het hek in Farrowgate, het tweede is met een wiel gemaakt, en het derde met iets wat ik nog niet ken. Hij schoof ze naar jou toe. Begin bij het eerste; het vertelt je wat je met het tweede moet doen.
Strook een is in dansende mannetjes. Ontcijfer met de sleutel van blad 2.
Strook twee is met het codewiel gemaakt. Strook een heeft je net verteld hoeveel je moet draaien.
Strook twee gaf je een woord van vier letters. Reken eerst voor elk van die vier de verschuiving uit; ontcijfer daarna woord per woord.
Ontcijfer strook drie. Het is de langste van de drie, dus werk woord per woord en kijk elk woord na voor je verder gaat.
Waarom moesten de drie stroken in deze volgorde gekraakt worden? Leg uit wat er misloopt als je bij strook drie begint.
Schrijf 120 tot 160 woorden, in genummerde stappen. Je legt uit hoe je een briefje in dansende mannetjes leest en wat je doet als er geen sleutel bij zit.
Schrijf de handleiding. Lees hem daarna hardop en streep elke stap weg die je niet zonder aarzelen kan uitvoeren; herschrijf die eronder.
Een week voor de brief uit Farrowgate verdween in Londen een gezant: een man die brieven droeg en zijn hele dag indeelde op de slagen van de grote klok. Watson schreef er een verslag over dat hij zelf niet helemaal begrijpt. Jij leest dat verslag, legt er zes bewijsstukken naast, knipt acht krijtbriefjes uit en ontcijfert ze, en zoekt op het A3-stadsplan het ene vakje waar alles samenkomt.
Beste collega, Watson heeft deze week een verslag geschreven dat hij zelf niet helemaal begrijpt. Dat is geen verwijt: hij heeft eerlijk opgeschreven wat hij gezien heeft, en juist daardoor staat er meer in dan hij weet. Ik heb dat verslag, het stadsplan van de stad en alles wat wij verder gevonden hebben in dit dossier gelegd. Je krijgt het zoals het is.
Wat je moet doen, is dit. Lees het verslag eerst van voor naar achter en trek er nog niets uit. Kijk pas daarna naar wat er niet klopt: een naam, een uur, een dag. Leg de bewijsstukken ernaast. En vouw het stadsplan open, want er staat één plaats in het verslag die zo nauwkeurig beschreven is dat er maar één vakje bij past.
Ik zeg je niet welke plaats dat is, en ook niet wat er met de gezant gebeurd is; ik weet het zelf nog niet. Ik zeg je wel dat een van de stukken in dit dossier gelogen is, en dat je dat kunt bewijzen zonder ook maar iemand te ondervragen. Schrijf op wat je vindt, en zet er telkens bij waar je het gevonden hebt. Met achting, S. Holmes.
Vijf soorten stukken, en ze horen bij elkaar. Verwijs naar een regel met deel en nummer: 1-4 betekent deel 1, regel 4.
Het plan heeft een rooster van A tot L en van 1 tot 8. Een vakje noem je met de letter eerst, dus H5 en niet 5H.
Ontcijfer de vijf stroken met de sleutel uit de cartouche, zoek elke plaats op het plan en vul de tabel in. De laatste kolom vul je in door te tellen: hoeveel vakjes naar links of rechts, plus hoeveel naar boven of onder. Strook 6 laat je voorlopig leeg.
| strook | het woord | de plaats op het plan | het vakje | vakjes vanaf de vorige |
|---|---|---|---|---|
| 1 | ||||
| 2 | ||||
| 3 | ||||
| 4 | ||||
| 5 | ||||
| 6 |
Meet met je lat de afstand tussen het midden van vak E4 en het midden van vak H4. Schrijf op hoeveel millimeter dat is, hoeveel vakjes, hoeveel yards en hoeveel meter. Tel daarna de laatste kolom van je tabel op tot en met strook 5.
1Dit schrijf ik op de avond na de dag waarop wij de zaak hebben moeten laten liggen. Het is het dossier van de gezant, en het loopt van maandag zeven maart tot gisteravond. Holmes zegt dat een verslag dat je pas maakt als je het antwoord al kent, geen verslag meer is maar een verhaal. Ik houd mij dus aan wat ik zelf gezien en gehoord heb, en ik zet er telkens bij wanneer. Wat ik ervan denk, komt pas op het laatste blad.
2Elias Vayle is gezant bij het kantoor Chardon aan de Vismarkt. Een gezant draagt wat je niet aan de post durft toe te vertrouwen: contracten, wissels, brieven die een handtekening nodig hebben. Hij loopt elke dag dezelfde ronde, want een ronde die verandert, valt op. Vayle is vierendertig, klein van stuk, en draagt altijd dezelfde bruine jas met een gescheurde rechtermouw.
3Gisteren, donderdag tien maart, is hij niet teruggekomen. Het kantoor wachtte tot de avond en stuurde toen een jongen naar Baker Street. Holmes vroeg drie dingen: wat de gezant bij zich had, langs welke plaatsen hij die dag moest, en wie wist dat hij die ronde liep. Op de eerste vraag kwam geen antwoord, op de tweede een lijstje, op de derde een stilte. Ik heb die stilte opgeschreven, want ook een stilte is een waarneming.
4Elke ochtend begon zijn ronde bij het station Marlow, waar de vroege trein de postzakken afzet. Om zes uur stond hij daar. Om tien uur was hij in Baker Street, bij een notaris, twee huizen van het onze. Ver is dat niet, en toch deed hij er vier uur over. Holmes zei meteen dat daar het eerste getal zat dat niet klopt.
5Zes slagen, acht slagen, tien slagen: Vayle deelde zijn dag in op de grote klok, want lezen kon hij nauwelijks en een uurwerk bezat hij niet. Wat hij moest onthouden, tekende hij. Rijen mannetjes met armen en benen in vreemde standen, met krijt op een muur, een hek of een deurpost. Wie dat niet weet, loopt er straal voorbij. Ik heb er deze week drie rijen van overgetekend en ze achterin dit schrift geplakt.
Uit het schrift van dokter Watson, deel een — de tekst loopt door op blad 4
De nummers beginnen op elk blad opnieuw bij 1. Schrijf dus altijd het deel en het nummer: 1-4 is deel 1, regel 4, en 3-2 is deel 3, regel 2.
1Aan het kantoor Chardon hoort een portiersloket, en bij dat loket hoort een register. Wie binnenkomt of buitengaat, wordt erin geschreven: de naam, de dag, en het uur zoals de grote klok het gaf. De portier heet Mudge en zit daar sinds elf jaar. Boven zijn loket hangt een koperen bel die je van buiten niet hoort. Hij schoof mij het boek toe nog voor ik erom vroeg, en dat was het eerste wat mij niet beviel.
2Niemand had hem iets gevraagd, en toch stond de hele week al ingevuld, tot en met donderdagavond toe. Het handschrift was overal even net, de inkt overal even donker, en de regels stonden allemaal even ver uit elkaar. Zo ziet een boek er niet uit waarin een week lang elke dag een paar regels bij komen. Ik heb de vijf regels over de gezant overgeschreven; ze staan hieronder.
3Twee van die vijf regels kunnen niet waar zijn. Holmes heeft ze niet aangewezen. Hij heeft mij alleen gevraagd hoeveel slagen de grote klok op haar drukste moment geeft, en toen ik twaalf zei, schoof hij het boek naar mij toe en ging verder met zijn viool. Ik heb er een halfuur over gedaan, en ik heb mij geschaamd toen ik het zag. Het is niet moeilijk, zodra je weet wat een klok wel en niet kan.
Afschrift van deel twee — de tekst loopt door op blad 5
| dag | wat er in het register staat | het uur zoals de klok het gaf |
|---|---|---|
| maandag 7 maart | E. Vaile haalt de zakken op | de klok sloeg zes |
| dinsdag 8 maart | E. Vaile brengt het pakket terug | de klok sloeg acht |
| woensdag 9 maart | E. Vaile komt binnen | ik telde dertien slagen |
| donderdag 10 maart | E. Vaile gaat de deur uit | de klok sloeg zes |
| donderdag 10 maart | E. Vaile keert niet terug | om middernacht sloeg de klok zeven |
De grote klok van het parlement sloeg vanaf 1859 elk heel uur vanzelf. Tot dan werd er met de hand geluid, en een klok die uit zichzelf slaat, was voor veel Londenaars nog iets nieuws om trots op te zijn.
1Lezen kan Mudge wel; spellen niet. In zijn register staat de naam van de gezant anders dan op de loonlijst van het kantoor en anders dan onder elk papier dat de man zelf ooit getekend heeft. Het scheelt één letter, meer niet. Juist die ene letter doet mij nu denken dat wie het boek volgeschreven heeft, de gezant nooit van nabij gekend kan hebben.
2Er bleef daarna één plaats over die ik met eigen ogen wilde zien. Na de kerk van Sint-Brandaan moest de gezant die donderdag nog één keer naar de oude kade, en tussen die twee ligt maar één doorgang: een smalle steeg waar drie gaslantaarns in één rechte lijn achter elkaar staan. Ik heb ze twee keer geteld, want ik wilde mij niet vergissen. De kerk ligt er pal ten noorden van, de kade pal ten zuiden.
3En daar hing de mist. Om acht uur zag ik de middelste lantaarn nog als een vlek boven mijn hoofd; een kwartier later zag ik mijn eigen hand niet meer. Op de muur naast die middelste lantaarn stond een rij mannetjes in krijt, half uitgeveegd door het vocht. Ik heb ze overgetekend zoals ze stonden en niets veranderd aan wat ik niet begreep.
4Farrowgate stond in het lijstje van het kantoor als de bestemming van de brief die de gezant die dag bij zich had. Dat is een dorp, ver buiten de stad, en er loopt geen ronde heen. Het lijstje zelf is bovendien in een ander handschrift geschreven dan de rest van het kantoorboek. Waarom een man die alleen in Londen loopt een brief naar Farrowgate zou dragen, heeft niemand mij kunnen uitleggen.
5Toen ik dit alles uitschreef, heb ik elke alinea laten beginnen met de letter die ik hebben wilde. Holmes doet dat al jaren in zijn telegrammen, en hij heeft het mij geleerd zonder het ooit met zoveel woorden te zeggen. Wie mijn verslag leest zoals hij het leest, vindt er een zin in die ik nergens heb opgeschreven.
Uit het schrift van dokter Watson, deel drie — einde van het verslag
Watson zegt in de laatste alinea dat hij iets in zijn verslag verstopt heeft, maar niet wat. Ga er nu nog niet naar zoeken: op blad 7 staat precies waar je moet kijken.
De klok slaat elk heel uur zoveel slagen als het uur zelf: om vijf uur vijf slagen, om negen uur negen slagen.
Twee van de vijf regels uit het register op blad 4 kunnen niet waar zijn. Schrijf ze over en zeg er telkens bij waarom het niet kan.
| de regel uit het register | waarom dat niet kan |
|---|---|
De naam van de gezant staat in het verslag anders gespeld dan in het register. Vul de tabel in en zeg erbij hoe je weet welke spelling de juiste is. Op blad 13 van je bundel heb je die naam in het Frans gespeld; dat helpt.
| waar het staat | hoe de naam er staat | deel en regel |
|---|---|---|
| in het verslag van Watson | ||
| in het register van de portier |
Wat besluit je uit die drie vondsten samen? Noem eerst één ding dat je zeker weet, en daarna één ding dat je alleen vermoedt.
Soms wijst een tekst naar een plaats, en soms verbergt hij een boodschap. Voor allebei heb je hetzelfde nodig: nauwkeurig lezen.
In deel 3 staat één plaats zo nauwkeurig beschreven dat er op het plan maar één vakje bij past. Schrijf dat vakje op en noem de drie dingen uit de tekst die samen maar op één plek kloppen.
Schrijf van elke alinea van het verslag de eerste letter over, van deel 1 tot en met deel 3, in volgorde. Zet ze in de vakjes hieronder. Er komen drie woorden uit.
Wat betekent die zin voor de zaak, en waarom is hij toch geen bewijs?
Een boodschap die in de eerste letters van de regels of alinea's verstopt zit, heet een acrostichon. Dichters verbergen er al eeuwen namen mee, en niet altijd om aardig te doen.
Kijk een halve minuut naar elk beeld zonder iets op te schrijven.
Vul voor elk stuk in wat je ziet en wat je eruit besluit. Zet er ook bij hoe zeker je bent: zeker, waarschijnlijk of een gok.
| bewijsstuk | wat ik zie | wat ik eruit besluit, en hoe zeker |
|---|---|---|
| het lakzegel | ||
| de laarzen | ||
| de hoedendoos |
Twee van deze drie beelden spreken een regel uit het register tegen.
Vul de tabel in. Tel bij de lantaarn de kerven in de ijzeren kraag: dat is haar nummer.
| bewijsstuk | wat ik zie | wat ik eruit besluit, en hoe zeker |
|---|---|---|
| de lantaarn | ||
| de grote klok | ||
| de klopper |
De klok op stuk 5 spreekt één regel uit het register tegen. Welke regel, en hoe zie je dat?
Elk briefje bestaat uit drie woorden: een dag, een uur en één woord over wat er gebeurde. De streep is de vlag: daar eindigt een woord.
Leg je tijdlijn naast het register van de portier op blad 4. Welke regels uit het register worden door je briefjes bevestigd, en welke niet?
Knip beide schijven uit, leg de kleine op de grote en steek er een splitpen door het midden. Draai de kleine schijf tot de A staat bij de letter die je wilt.
Zet het wiel op elke verschuiving en ontcijfer het woord. Schrijf het antwoord in de laatste kolom.
| verschuiving | wat er staat | wat er dan staat |
|---|---|---|
| +3 | P L V W | |
| +8 | S I L M | |
| +11 | D E P P R |
Dit stond met krijt op de muur naast de middelste lantaarn. De verschuiving is plus drie.
Schrijf 120 tot 160 woorden. Gebruik je detectivekaart van blad 12, het vakje van blad 7 en je tijdlijn van blad 11.
Wat je niet kunt bewijzen, mag je gerust opschrijven, zolang je erbij zet dat het een vermoeden is. Holmes doet niets anders.
Schrijf je verslag. Lees het daarna hardop en streep elke zin weg waarvan je niet kunt zeggen waar je hem vandaan hebt.