← Back to CoursesDifferentiatie 5de Leerjaar
Differentiatie 5
Super plus 4 niveau 4/8

Newtons werkplaats

Proeven uit 1687, opnieuw gedaan in de klas

Deze bundel is één lange werkdag in een werkplaats van meer dan driehonderd jaar geleden: je laat twee ballen vallen en ontdekt waarom een veertje niet meedoet, je klokt tien keer tien slingeringen en leert wat het gemiddelde, de mediaan en het bereik je elk apart vertellen, je zoekt het evenwichtspunt van een hefboom en tekent de afstand-tijdgrafiek van een knikker die steeds sneller gaat. Daarnaast lees je over de pest van 1665 en de Royal Society, haal je de legende van de appel uit elkaar, schrijf je een instructietekst die een klasgenoot letterlijk kan volgen, meet je in het Frans, en zet je een val in stappen om in een herhaling die pas stopt bij de grond.

Download PDF In deze bundel zit geen knipblad, maar wel echt werk met materiaal: twee ballen van verschillend gewicht, een veertje, een touwtje van 25 cm met een gewichtje, een lat, een rond potlood, acht gelijke blokjes, twee knikkers, een lange plank of twee latten, en een stopwatch. Alles staat per blad opnieuw opgesomd. naar het bijvoegsel alle Super plus-bundels

Voor de leerkracht

Deze leerlingen kennen krachten als woord, kunnen meten met een lat, rekenen met kommagetallen en weten wat een gemiddelde is. Die vloer blijft onaangeroerd. Daarboven ligt het nieuwe terrein van deze bundel: zwaartekracht als kracht die op alles even hard versnelt, luchtweerstand als de verklaring voor de uitzondering, kracht maal arm als rekenregel voor evenwicht, mediaan en bereik naast het gemiddelde, en de afstand-tijdgrafiek waarin een gebogen lijn iets vertelt. Het verhaal is doorlopend: de leerling is assistent en houdt een logboek bij. De vier proeven zijn echt uitvoerbaar met klasmateriaal en leveren echte getallen; de getallen die in de bundel staan zijn realistisch en nagerekend, maar een eigen meting mag ervan afwijken. Laat dat uitdrukkelijk toe: de bundel leert net dat afwijkingen iets betekenen. Reken op zeven tot negen lesuren als je de proeven echt doet, en op vier als je enkel de bladen laat verwerken. Blad 1 en blad 24 vormen samen het kader: de brief van Newton en het antwoord van de leerling.

Zwaartekracht als kracht herkennen en met een pijl aanduiden waarheen ze werkt (6)Vaststellen dat twee voorwerpen van verschillend gewicht even snel vallen, en luchtweerstand als de uitzondering verklaren (6)Een eerlijke proef opzetten: gecontroleerde omstandigheden, één ding tegelijk veranderen (6)Een tijdsduur meten en beseffen waarom je tien slingeringen klokt in plaats van één (5)Het gemiddelde berekenen van zelf verzamelde metingen (5)De mediaan bepalen als de middelste waarde in geordende gegevens (6)Het bereik berekenen en gebruiken als maat voor de spreiding van een meetreeks (6)Inzien dat het gemiddelde en de mediaan niet samenvallen, en waarom een uitschieter het gemiddelde meer verschuift (6)Eerlijk omgaan met een afwijkende meting: reden zoeken, allebei berekenen, nooit zomaar schrappen (6)De hefboomregel kracht maal arm toepassen om evenwicht te voorspellen en een ontbrekend getal te zoeken (6)Een wip ontwerpen door met verhoudingen terug te rekenen naar een afstand (6)Alledaagse voorwerpen als hefboom herkennen en het steunpunt, de last en de kracht aanwijzen (6)Een afstand-tijdgrafiek opstellen op basis van zelf verzamelde meetgegevens (6)Uit de vorm van een grafiek afleiden of de snelheid gelijk blijft of toeneemt (6)Snelheid berekenen als afstand per tijdseenheid, en het verschil zien tussen gemiddelde snelheid en snelheid op een moment (6)De 17de eeuw situeren: de pest van 1665, de gesloten universiteit, het boek van 1687 en de Royal Society (5-6)Een bron van een anekdote onderscheiden en nagaan wie iets opschreef en wanneer (6)Beoordelen hoe betrouwbaar een herinnering van zestig jaar oud is als bewijs (6)De vaste onderdelen van een instructietekst herkennen: doel, materiaal, genummerde stappen, wat je noteert (6)Een instructietekst van iemand anders beoordelen en verbeteren op uitvoerbaarheid (6)Zelf een instructietekst schrijven die een klasgenoot letterlijk kan volgen (6)Franse maateenheden met het juiste lidwoord leren en omrekenen tussen eenheden (6)Een korte Franse labdialoog begrijpen en korte Nederlandse zinnen naar het Frans vertalen (6)Een val in stappen simuleren: elke seconde 10 m/s sneller, met de gemiddelde snelheid per seconde (6)Een algoritme met een herhaling lezen die stopt op een voorwaarde, en het met de hand doorlopen (6)Een fout in een gegeven rekentabel opsporen en op twee manieren bewijzen dat de verbetering klopt (6)Zelf een onderzoeksvraag omzetten in een proef met voorspelling, meetplan en besluit (6)Een besluit schrijven dat de eigen metingen als bewijs gebruikt, inclusief wat er nog beter kan (6)
Wereldoriëntatie · de werkplaats, 1687

Aan mijn nieuwe assistent

Cambridge, de derde dag van maart 1687
1

Je bent aangenomen. Ik hou niet van beleefdheden, dus lees dit één keer goed. Ik werk aan een boek waarin staat waarom een appel naar beneden valt en waarom de maan dat niet doet, en ik heb iemand nodig die meet, telt en opschrijft wat er écht gebeurt. Niet wat er zou moeten gebeuren.

Drie regels gelden in deze werkplaats. Eerst: je noteert wat je ziet, niet wat je hoopte te zien. Dan: je doet elke proef meer dan één keer, want één meting is een gerucht. En ten slotte: als je iets niet begrijpt, schrijf je dat er ook bij. Een eerlijke vraag is hier meer waard dan een mooi antwoord.

Dure toestellen heb je niet nodig. Een lat, een touwtje, een paar knikkers, wat blokjes en iets waarmee je de tijd meet. Daar heb ik het zelf ook mee gedaan. De rest is kijken, en dan nog eens kijken.

De werkplaats waar je vanaf morgen meet en noteert.
superplus04/w01_werkplaats_met_lessenaar.jpg
1

Newton schrijft dat één meting een gerucht is. Leg in je eigen woorden uit wat hij daarmee bedoelt, en geef een voorbeeld uit je eigen leven waarin één keer kijken je bedroog.

2

Welke van de drie regels lijkt jou het moeilijkst om vol te houden?

Wereldoriëntatie naam
Natuur · de valproef, deel 1 van 3

Een kracht teken je als een pijl

Je ziet een kracht nooit. Je ziet alleen wat ze doet.
2
Waaraan je een kracht herkent

Een kracht maakt iets sneller, trager, of doet het van richting veranderen. Omdat je ze niet kan zien, tekenen onderzoekers elke kracht als een pijl.

  • De pijl wijst waarheen de kracht duwt of trekt.
  • Hoe langer de pijl, hoe sterker de kracht.
  • De zwaartekracht trekt alles naar het midden van de aarde. Haar pijl wijst altijd recht naar beneden, ook bij een voorwerp dat stilligt.
Twee open handen, dezelfde hoogte, één teken om los te laten.
superplus04/n02_hand_laat_twee_ballen_los.jpg
1

Bij elk voorwerp hoort een pijl van de zwaartekracht. Zet erbij welke kant die pijl op wijst, en of er nog iets anders aan het werk is dat het voorwerp tegenhoudt.

het voorwerpwaarheen wijst de pijl van de zwaartekracht?houdt iets het tegen? wat?
een boek dat op je bank ligt
een knikker halverwege zijn val
een lamp die aan het plafond hangt
2

Voorspel. Je laat tegelijk een zware bal en een lichte knikker los, van dezelfde hoogte. Welke raakt eerst de grond? Schrijf je voorspelling op vóór je blad 3 maakt, en zet erbij waarom je dat denkt.

Natuur & techniek naam
Natuur · de valproef, deel 2 van 3

Loslaten, niet gooien

Wie gooit, duwt mee. Dan meet je je eigen arm in plaats van de zwaartekracht.
3
Zo doe je het eerlijk

Twee voorwerpen, dezelfde hoogte, samen loslaten. Doe elke proef minstens drie keer en laat telkens iemand anders luisteren.

  • Hou allebei je handpalmen naar beneden, op precies dezelfde hoogte boven de tafel.
  • Laat los op één teken van een klasgenoot, zonder je handen te bewegen.
  • Eén iemand kijkt, één iemand luistert. Hoor je één tik of twee?
Halverwege de val staan ze nog altijd naast elkaar.
superplus04/n03_twee_ballen_halverwege.jpg
proefwat je samen loslaathoor je één tik of twee?wie raakt eerst de grond?
1een zware bal en een lichte knikker
2een knikker en een gum
3twee dezelfde knikkers
4een blad papier, plat, en een knikker
5hetzelfde blad, tot een bal gepropt, en een knikker
1

Bij welke proeven hoorde je duidelijk twee aparte tikken? Wat hadden die voorwerpen met elkaar gemeen?

2

Proef 4 en proef 5 gaan over hetzelfde blad papier. Toch loopt het anders af. Wat is er veranderd, en wat is er níet veranderd?

Natuur & techniek naam
Natuur · de valproef, deel 3 van 3

Het veertje doet niet mee

Uit het logboek van de assistent, avond
4

Vandaag viel alles even snel. De zware bal en de lichte knikker tikten samen op de grond, hoe vaak we het ook deden. Ik had er twee tikken van verwacht en hoorde er één. Newton keek niet eens op van zijn papier. Hij zei alleen dat het gewicht niets te maken heeft met hoe snel iets valt, en dat ik daar niet hoefde te schrikken maar wel over moest nadenken.

Toen liet ik het veertje los. Dat zweefde, draaide en kwam pas veel later beneden. Ik dacht eerst dat mijn hele proef in duigen lag. Maar de lucht duwt terug tegen alles wat valt, en een veertje is breed en licht: het duwt met weinig gewicht tegen veel lucht. Een knikker is klein en zwaar en wint dat gevecht meteen. Het blad papier bewees het: plat zweefde het, tot een bal gepropt viel het bijna even snel als de knikker, terwijl het even zwaar bleef.

beeld
superplus04/n04_veertje_en_muntstuk.jpg
1

Het propte blad papier is even zwaar als het platte blad. Waarom valt het toch veel sneller?

2

In Newtons tijd bouwden geleerden een pomp die de lucht uit een glazen buis kon zuigen. Wat zou er in zo'n lege buis gebeuren met een veertje en een muntstuk die je samen loslaat?

Natuur & techniek naam
MEETBLAD
Wiskunde · de slinger, deel 1 van 3

Tien keer tien slingeringen

Eén slingering klokken lukt niet. Tien wel.
5
Wat je precies meet

Een slinger is een touwtje met een gewichtje eraan. Eén slingering is heen én terug: van links naar rechts en weer terug naar links.

  • Het touwtje is 25 cm lang, gemeten van de knoop tot het midden van het gewichtje.
  • Je klokt tien slingeringen na elkaar, want één slingering duurt korter dan de tijd die jij nodig hebt om op de knop te drukken.
Een moer aan een draadje: meer heb je niet nodig.
superplus04/w05_slinger_aan_een_balk.jpg
meting12345678910
tijd voor 10 slingeringen, in seconden9,810,19,910,010,29,910,112,210,09,8
1

Zet de tien metingen van klein naar groot op de lijn hieronder. Zo zie je meteen welke waarde eruit springt.

2

Welke meting springt eruit, en hoeveel scheelt ze met de meting die er het dichtst bij ligt?

3

De assistent schreef bij meting 8: ik drukte te laat op de knop. Is dat genoeg reden om die meting weg te gooien? Schrijf je antwoord op en bewaar het: op blad 7 kom je erop terug.

Wiskunde naam
Wiskunde · de slinger, deel 2 van 3

Gemiddelde, mediaan en bereik

Drie getallen over dezelfde tien metingen, en ze zeggen niet hetzelfde.
6
Drie manieren om naar tien getallen te kijken

Het gemiddelde ken je al als eerlijk verdelen. Er zijn nog twee getallen die iets over een meetreeks vertellen, en je hebt ze alle drie nodig.

  • Het gemiddelde: tel alles op en deel door het aantal metingen.
  • De mediaan: zet alles op volgorde en neem de middelste. Bij tien metingen ligt het midden tussen de vijfde en de zesde; neem daar het gemiddelde van.
  • Het bereik: het grootste getal min het kleinste. Het zegt hoe ver je metingen uit elkaar liggen.
Tien metingen, en drie manieren om ze samen te vatten.
superplus04/w06_tien_telstenen_op_de_bank.jpg
1

Bereken het gemiddelde van de tien metingen van blad 5.

stapjouw uitkomst
de som van de tien metingen
gedeeld door het aantal metingen
het gemiddelde, in seconden
2

Zoek de mediaan. Zet de tien metingen op volgorde, kleur de vijfde en de zesde, en reken uit wat er precies tussen die twee ligt.

3

Bereken het bereik en schrijf in één zin wat dat getal je over deze meetreeks vertelt.

Wiskunde naam
Wiskunde · de slinger, deel 3 van 3

Wat je met een rare meting doet

Wegmoffelen is geen onderzoek. Er bestaat een eerlijke manier.
7
De regel voor uitschieters

Een meting die ver naast de rest ligt, heet een uitschieter. Ze schrappen omdat ze je antwoord bederft is bedrog. Dit mag wel.

  • Zoek eerst een reden. Ging er iets mis bij het meten? Schrijf die reden op, ook als je ze niet vindt.
  • Reken het twee keer uit, mét en zónder de uitschieter, en zet allebei de getallen in je verslag.
  • Meet daarna liever opnieuw dan te schrappen. Een extra meting is sterker bewijs dan een doorstreping.
Hetzelfde gewichtje, een veel langer touw.
superplus04/w07_langer_touw_in_de_trap.jpg
1

Reken het gemiddelde van de negen overgebleven metingen uit, dus zonder meting 8. Vergelijk het met het gemiddelde van blad 6 en met de mediaan: welke van de twee schrok het meest van die ene meting?

2

De assistent hangt daarna een langer touwtje op en meet opnieuw tien slingeringen. Vul de laatste kolom aan: hoe lang duurt één slingering?

lengte van het touwtjetijd voor 10 slingeringentijd voor 1 slingering
25 cm10,0 s
50 cm14,2 s
100 cm20,1 s
3

Het touwtje wordt twee keer zo lang, maar de slingering duurt geen twee keer zo lang. Hoeveel keer zo lang duurt ze ongeveer wel?

Wiskunde naam
Natuur · de hefboom, deel 1 van 3

Kracht maal arm

Twee blokjes kunnen drie blokjes in evenwicht houden. Je moet alleen weten waar je ze legt.
8
De regel van de balk

Leg een lat over een rond potlood: dat is een hefboom. Het punt waarop ze steunt heet het steunpunt, en de afstand van dat punt tot je blokjes heet de arm.

  • Reken aan elke kant: aantal blokjes × arm in cm.
  • Zijn de twee uitkomsten gelijk, dan blijft de lat horizontaal. Dat is evenwicht.
  • Drie blokjes op 20 cm geeft 60. Twee blokjes op 30 cm geeft ook 60. Ze houden elkaar tegen, al is de ene stapel zwaarder dan de andere.
Drie blokjes dichtbij tegen twee blokjes veraf: perfect vlak.
superplus04/n08_lat_over_een_potlood.jpg
1

Reken per kant blokjes × arm uit en schrijf in de laatste kolom of de lat in evenwicht blijft. Blijft ze het niet, zet er dan bij welke kant naar beneden gaat.

linksrechtsproduct linksproduct rechtsevenwicht?
3 blokjes op 20 cm2 blokjes op 30 cm
4 blokjes op 15 cm2 blokjes op 30 cm
6 blokjes op 10 cm3 blokjes op 20 cm
2 blokjes op 25 cm5 blokjes op 10 cm
3 blokjes op 20 cm2 blokjes op 25 cm
1 blokje op 40 cm4 blokjes op 10 cm
2

Hier ontbreekt telkens één getal. Zoek het en schrijf erbij hoe je eraan komt.

linksrechtshet ontbrekende getal
3 blokjes op 20 cm... blokjes op 30 cm
6 blokjes op ... cm3 blokjes op 20 cm
Natuur & techniek naam
ONTWERP
Natuur · de hefboom, deel 2 van 3

Een wip die klopt

Dezelfde regel, alleen heten de blokjes nu kilogram.
9
Van blokjes naar kilogram

Op een wip werkt de hefboomregel precies zo. Een zwaar kind dicht bij het midden houdt een licht kind ver van het midden in evenwicht.

  • Reken links en rechts: massa in kg × afstand tot het midden in cm.
  • Is het product links groter, dan gaat links naar beneden.
De zware zit dichtbij, de lichte zit ver weg, en toch hangt de plank vlak.
superplus04/n09_wip_over_een_boomstam.jpg
1

Reken na of deze drie wippen in evenwicht zijn.

linksrechtsin evenwicht? zo niet, welke kant zakt?
30 kg op 150 cm45 kg op 100 cm
25 kg op 180 cm50 kg op 90 cm
40 kg op 120 cm30 kg op 150 cm
2

Jij weegt 35 kg en zit op 120 cm van het midden. Je vriend weegt 42 kg. Op hoeveel cm van het midden moet hij gaan zitten?

3

Ontwerp een wip waarop een volwassene van 70 kg en een kind van 28 kg samen vlak hangen. Teken de balk en het steunpunt, en zet de twee afstanden erbij.

Teken je wip en schrijf je twee producten eronder.
Natuur & techniek naam
Natuur · de hefboom, deel 3 van 3

Hefbomen die je elke dag vasthebt

Niet elke hefboom ziet eruit als een wip.
10
Zoek altijd dezelfde drie dingen

Bij elk voorwerp zoek je het steunpunt, de plaats waar de last zit, en de plaats waar jij duwt of trekt.

  • Kruiwagen: het wiel is het steunpunt, de last ligt in de bak, jij tilt aan de handvatten. Die zitten ver van het wiel, dus je hebt weinig kracht nodig.
  • Notenkraker: het scharnier is het steunpunt, de noot ligt er vlakbij, jij knijpt helemaal aan het uiteinde. Korte arm bij de noot, lange arm bij je hand.
Twee hefbomen op één werkbank, en allebei winnen ze kracht.
superplus04/n10_kruiwagen_en_notenkraker.jpg
1

Vul de gids aan. Bij het laatste vak kies je: wint dit voorwerp kracht, of wint het afstand?

voorwerpwaar zit het steunpunt?waar duw of trek jij?wint kracht of afstand?
kruiwagen
notenkraker
schaar
flesopener
2

Waarom zijn de handvatten van een kruiwagen lang en niet kort? Gebruik in je antwoord de woorden arm en kracht.

Natuur & techniek naam
Wiskunde · de helling, deel 1 van 3

Hoe ver na één, twee, drie tellen

Uit het logboek van de assistent, in de gang
11

We hebben een plank van twee meter in de gang gelegd en er aan één kant een stapeltje boeken van een centimeter of tien onder geschoven. Steiler mocht niet, zei Newton: bij een steile plank is de knikker beneden voor je goed en wel geteld hebt. Ik liet hem los en riep bij elke tel; Aisha zette met krijt een streepje waar hij op dat moment was.

Na tien pogingen lagen de drie streepjes bijna altijd op dezelfde plaats. Ik heb ze opgemeten met het lint. Ik dacht dat de knikker elke tel even ver zou rollen, maar dat klopt duidelijk niet: het tweede stuk is veel langer dan het eerste, en het derde is nog langer.

Drie krijtstreepjes, en ze liggen niet even ver uit elkaar.
superplus04/w11_knikker_op_de_plank.jpg
na ... tellenafstand vanaf de startlijn
1 seconde20 cm
2 seconden80 cm
3 seconden180 cm
1

Hoeveel keer zo ver als na één tel staat de knikker na twee tellen? En na drie tellen?

2

Deel alle drie de afstanden door 20 en schrijf op wat je overhoudt.

Wiskunde naam
Wiskunde · de helling, deel 2 van 3

De grafiek van een knikker

Twee grootheden in één tekening: de tijd ligt, de afstand staat.
12
Hoe je zo'n grafiek opbouwt

Je zet de tijd op de liggende as en de afstand op de staande as. Elk meetpunt wordt een kruisje; daarna verbind je de kruisjes met één vloeiende lijn.

  • Liggende as: de seconden 0, 1, 2 en 3, met gelijke afstanden ertussen.
  • Staande as: de centimeters van 0 tot 200, telkens 20 per hokje.
  • Een rechte lijn zou betekenen: elke seconde even ver. Buigt je lijn steeds steiler omhoog, dan gaat de knikker steeds sneller.
beeld
superplus04/w12_lat_en_potlood_op_ruitjespapier.jpg
1

Teken de afstand-tijdgrafiek van de drie metingen van blad 11. Zet ook het punt van 0 seconden en 0 centimeter erbij: bij de start stond de knikker stil.

Liggende as: de tijd in seconden. Staande as: de afstand in centimeter.
2

Is je lijn recht of gebogen? Schrijf op wat die vorm vertelt over de snelheid van de knikker.

Wiskunde naam
BEREKEND
Wiskunde · de helling, deel 3 van 3

Hoe snel ging hij eigenlijk?

Snelheid is afstand per tijd. Reken je per hele seconde, dan wordt het eenvoudig.
13
Van afstand naar snelheid

De afstand die de knikker in één seconde aflegt, vind je door de stand aan het einde min de stand bij het begin te nemen.

  • Legt hij in één seconde 60 cm af, dan was zijn snelheid in die seconde 60 centimeter per seconde, kort: 60 cm/s.
  • De gemiddelde snelheid over de hele rit is de totale afstand gedeeld door de totale tijd.
Meten, tellen, en pas dan rekenen.
superplus04/w13_zandloper_en_meetlint.jpg
1

Vul de tabel aan met de metingen van blad 11.

secondestand aan het beginstand aan het eindeafgelegd in die secondesnelheid in cm/s
de eerste0 cm20 cm
de tweede20 cm80 cm
de derde80 cm180 cm
2

Zet je drie snelheden naast elkaar. Met hoeveel cm/s komt er elke seconde bij?

3

Reken ook de gemiddelde snelheid over de hele rit uit: 180 cm in 3 seconden. Waarom is dat getal niet hetzelfde als de snelheid in de derde seconde?

Wiskunde naam
Wereldoriëntatie · Newton en zijn tijd, deel 1 van 2

Twee jaar thuis

De pest sloot de universiteit, en dat pakte anders uit dan iedereen dacht.
14

1665: iedereen weg uit de stad

1In 1665 brak in Londen de pest uit. Duizenden mensen stierven, en wie kon, vluchtte de stad uit. Ook de universiteit van Cambridge ging dicht. Isaac Newton, toen tweeëntwintig jaar, pakte zijn boeken en ging terug naar de boerderij van zijn moeder in Woolsthorpe, een paar dagreizen naar het noorden. Hij zou er bijna twee jaar blijven.

2Die twee jaar thuis werden de vruchtbaarste van zijn leven. Zonder lessen, zonder professoren en met bijna niemand om mee te praten, rekende hij, sleep hij glazen lenzen, liet hij zonlicht door een prisma vallen, en bedacht hij dat de kracht die een appel naar beneden trekt dezelfde kracht kan zijn die de maan in haar baan houdt. Veel van wat hij twintig jaar later publiceerde, is in die stille periode begonnen.

3In 1687 verscheen zijn grote boek, geschreven in het Latijn, want dat was de taal waarin geleerden van heel Europa elkaar lazen. Het kwam uit onder de naam van de Royal Society, een gezelschap dat in 1660 in Londen was opgericht om proeven te doen en de uitkomsten aan elkaar voor te leggen. De drukkosten betaalde een bevriende sterrenkundige uit eigen zak, want de kas van het gezelschap was net leeg: ze hadden hun geld uitgegeven aan een duur boek over vissen.

4Dat gezelschap drukte ook af wat er misliep. Dat klinkt als een detail, maar het is de kern van de zaak: een bewering die niemand mag nakijken, is geen wetenschap. Newton zelf was daar niet altijd blij mee. Hij had een hekel aan tegenspraak en heeft jarenlang ruzie gemaakt met andere geleerden over wie iets het eerst bedacht had.

Uit het archief van de werkplaats

Een boerderij ver van de stad, en twee jaar zonder lessen.
superplus04/o14_boerderij_in_de_winter.jpg
1

Waarom kon een gesloten universiteit voor Newton juist goed uitpakken? Noem twee dingen uit de tekst die hij thuis had en in Cambridge niet.

2

Wat is er bijzonder aan een gezelschap dat ook afdrukt wat er misgelopen is?

Wereldoriëntatie naam
BRON OF VERHAAL
Wereldoriëntatie · Newton en zijn tijd, deel 2 van 2

De appel uit elkaar gehaald

Iedereen kent het verhaal. Bijna niemand kent de bron.
15
Twee vragen voor je iets gelooft

Wie heeft het opgeschreven, en wanneer? Met die twee vragen valt de appel van Newton netjes uiteen in een stuk dat klopt en een stuk dat verzonnen is.

  • De bron: William Stukeley, een vriend van Newton, schreef in 1752 op wat Newton hem in 1726 verteld had: dat het idee bij hem opkwam toen hij een appel zag vallen.
  • De rekensom: het idee ontstond rond 1666. Newton vertelde het dus zestig jaar later, en zijn vriend schreef het pas na Newtons dood in 1727 op.
  • Wat er níet staat: in geen enkele bron valt de appel op zijn hoofd. Dat stukje is er later bij verzonnen, en het is precies het stukje dat iedereen onthoudt.
Eén appel die loslaat, en driehonderd jaar navertellen.
superplus04/o15_appelboom_bij_het_raam.jpg
1

Beoordeel elke bewering. Zet in de tweede kolom of er een bron voor bestaat, en in de derde hoe zeker jij ervan bent.

de beweringstaat het in een bron?hoe zeker ben jij?
Newton zag een appel vallen.
De appel viel op zijn hoofd.
Newton was thuis omdat de universiteit dicht was door de pest.
Newton vertelde het verhaal zelf toen hij een oude man was.
2

Waarom mag je een herinnering van zestig jaar oud niet zomaar als bewijs gebruiken? Noem twee redenen.

Wereldoriëntatie naam
Taal · de instructietekst, deel 1 van 2

De proef van Tomas loopt vast

Wie jouw instructie leest, staat met het materiaal in de hand.
16
Wat er in staat, en in welke volgorde

Een instructietekst is geen verhaal. Hij is geslaagd als iemand die er niet bij was hem kan uitvoeren zonder iets te vragen.

  • Doel: één zin over wat je te weten wil komen.
  • Materiaal: een lijst, met maten en aantallen erbij.
  • Stappen: genummerd, één handeling per stap, in de gebiedende wijs: meet, laat los, noteer.
  • Wat je noteert: welke getallen, in welke tabel, en hoe vaak je herhaalt.
beeld
superplus04/t16_instructieblad_met_vlekken.jpg

De slingerproef, door assistent Tomas

Neem een touw en hang er iets aan. Laat het slingeren en kijk hoe lang het duurt. Je hebt ook een chronometer nodig, denk ik, of gewoon meetellen is ook goed.

Dan tel je de slingeringen. Je moet niet te hard duwen, want dan klopt het niet meer. Het gaat eigenlijk vanzelf. Schrijf het daarna op in je schrift.

Herhaal het een paar keer tot je een goed getal hebt. Krijg je een raar getal, dan begin je gewoon opnieuw. Op het einde weet je hoe lang één slingering duurt.

Gevonden op de werkbank, ongedateerd

1

Zoek vier dingen die een klasgenoot zouden doen vastlopen. Schrijf per fout op wat er ontbreekt of wat er niet eerlijk aan is.

Taal naam
Taal · de instructietekst, deel 2 van 2

Schrijf er zelf een die wél werkt

Kies één proef uit deze bundel en zet ze op papier voor iemand die er niet bij was.
17
Twee dingen die het verschil maken

Schrijf in de gebiedende wijs en zet één handeling per stap. Lees je tekst daarna hardop terwijl je met je handen doet wat er staat: elke stap die je moet raden, is een stap die je moet herschrijven.

De ene leest voor, de andere voert uit. Wat niet lukt, herschrijf je.
superplus04/t17_twee_assistenten_aan_een_bank.jpg
1

Vul eerst de vier vaste onderdelen in.

onderdeelwat jij invult
Doel: wat wil je te weten komen?
Materiaal, met maten en aantallen
Hoe vaak herhaal je elke meting?
Wat noteer je, en waar?
2

Schrijf nu de stappen. Nummer ze, één handeling per stap, en denk aan iemand die de proef nog nooit gezien heeft.

Taal naam
Frans · au laboratoire, deel 1 van 2

Le mètre, la seconde

In een labo hoor je vooral eenheden. En elke eenheid heeft een geslacht.
18
Le of la?

In het Frans hoort bij elk woord een lidwoord dat je er meteen bij leert. Aan het woord zelf hoor je het niet, dus onthoud ze per paar.

  • le mètre, le centimètre, le gramme, le kilogramme, le chronomètre, le fil
  • la seconde, la minute, la règle, la balance, la bille, la plume
  • Meervoud: er komt een -s bij. deux secondes, trois mètres, dix billes.
Al dit gerief heeft in het Frans een le of een la.
superplus04/f18_meetgerief_op_een_plank.jpg
1

Vul het Franse woord in, met het juiste lidwoord ervoor.

Nederlandshet Franse woordle of la?
de meter
de seconde
de knikker
het touwtje
de veer
2

Reken om en schrijf je antwoord in cijfers: deux mètres is hoeveel centimeter, cent centimètres is hoeveel meter, en mille grammes is hoeveel kilogram?

Frans naam
Frans · au laboratoire, deel 2 van 2

Plus lourd, plus vite

Uit het logboek, bij het bezoek uit Parijs
19
Vergelijken in het Frans

Met plus vergelijk je twee dingen. Het woord dat erachter staat, past zich aan het geslacht aan.

  • plus lourd que is zwaarder dan, plus léger que is lichter dan. Bij een vrouwelijk woord wordt dat plus lourde en plus légère.
  • plus vite is sneller en plus lentement is trager. Die twee veranderen nooit.
beeld
superplus04/f19_twee_kinderen_bij_de_balans.jpg
wat er in het labo gezegd wordtwat het betekent
Bonjour ! Qu'est-ce qu'on fait aujourd'hui ?Dag! Wat doen we vandaag?
On mesure. Prends la règle et le chronomètre.
La bille rouge est plus lourde que la bille bleue ?
Oui, plus lourde. Mais elles tombent en même temps.
Et la plume ?En de veer?
La plume tombe plus lentement. C'est l'air.
Combien de fois ? Dix fois. Note le résultat.
1

Vertaal naar het Frans, met de woorden uit de tabel: De knikker valt sneller. — De veer is lichter. — Hoeveel keer?

Frans naam
Denken & code · de val in stappen, deel 1 van 2

Elke seconde tien meter per seconde sneller

Zo rekent een computer een val uit: seconde per seconde.
20
Snelheid en afstand zijn niet hetzelfde

Laat je iets vallen, dan komt er elke seconde ongeveer 10 m/s snelheid bij. Na één seconde valt het met 10 m/s, na twee met 20 m/s, na drie met 30 m/s.

  • De snelheid verandert tijdens zo'n seconde. Om de afgelegde afstand te vinden, neem je het gemiddelde van de snelheid aan het begin en aan het einde.
  • Eerste seconde: van 0 naar 10 m/s, gemiddeld 5 m/s, dus 5 meter afgelegd.
  • Tweede seconde: van 10 naar 20 m/s, gemiddeld 15 m/s, dus 15 meter, samen al 20 meter.
beeld
superplus04/c20_vallende_steen_langs_een_toren.jpg
1

Vul de tabel verder aan. De eerste twee rijen zijn al ingevuld.

na ... ssnelheid op dat momentgemiddeld in die secondeafstand in die secondetotale afstand
110 m/s5 m/s5 m5 m
220 m/s15 m/s15 m20 m
3
4
5
2

Kijk naar de kolom afstand in die seconde. Met hoeveel meter groeit die telkens?

3

Een toren is 45 meter hoog. Lees in je tabel af na hoeveel hele seconden de steen beneden is, en hoe snel hij op dat moment valt.

Denken & code naam
GEDEBUGD
Denken & code · de val in stappen, deel 2 van 2

Herhaal tot de grond

Vijf rijen doe je met de hand. Voor een diepe put zet je de stappen in een herhaling.
21
Een herhaling die zichzelf stopt

Je zet eerst de beginwaarden klaar. Daarna herhaal je telkens dezelfde vier stappen, en je stopt zodra de afstand groter is dan de hoogte.

  • Zonder stopvoorwaarde blijft de herhaling eeuwig doorlopen. Die voorwaarde is dus geen detail: ze is het hele verschil.
regelwat er gebeurt
begintijd = 0, snelheid = 0, afstand = 0
herhaal 1nieuwe snelheid = snelheid + 10
herhaal 2stuk = (snelheid + nieuwe snelheid) : 2
herhaal 3afstand = afstand + stuk, tijd = tijd + 1
herhaal 4snelheid = nieuwe snelheid
stop zodraafstand groter of gelijk aan de hoogte
beeld
superplus04/c21_rekenblad_met_doorhaling.jpg
1

In deze tabel is één getal verkeerd overgeschreven. Streep het door, zet het juiste getal erboven, en schrijf op de lijn twee manieren waarop je zeker weet dat jouw getal klopt.

na ... ssnelheidafstand in die secondetotale afstand
110 m/s5 m5 m
220 m/s15 m20 m
330 m/s25 m45 m
440 m/s35 m75 m
550 m/s45 m125 m
Denken & code naam
Meesterproef · deel 1 van 3

Je eigen vraag, je eigen proef

Valt een zwaardere knikker sneller van de helling? Jij gaat het uitzoeken.
22
Wat een eerlijke proef eerlijk maakt

Je verandert één ding en houdt al de rest precies gelijk. Verander je er twee tegelijk, dan weet je achteraf niet welk van de twee het gedaan heeft.

  • Het ene ding dat verandert, heet je proefstuk: hier is dat het gewicht van de knikker.
  • Alles wat gelijk blijft, schrijf je op vóór je begint. Anders vergeet je er onderweg eentje.
  • Kies twee knikkers die even groot zijn maar niet even zwaar. Verschillen ze ook in grootte, dan meet je twee dingen tegelijk.
Even groot, niet even zwaar: precies wat je nodig hebt.
superplus04/n22_twee_knikkers_op_de_balans.jpg
1

Schrijf je voorspelling op vóór je iets meet, en zet erbij waarop je die voorspelling baseert.

2

Leg je proef vast. Wat verandert er, en wat blijft er precies hetzelfde?

waarover het gaatjouw keuze
Wat verschilt er tussen de twee knikkers?
Wat blijft gelijk: helling, startlijn, eindlijn?
Hoe vaak herhaal je elke meting?
Hoe zorg je dat je allebei even eerlijk loslaat?
Natuur & techniek naam
Meesterproef · deel 2 van 3

Meten en noteren

Acht pogingen, en je schrijft ze allemaal op. Ook de mislukte.
23
Zo hou je het eerlijk

Laat altijd dezelfde persoon klokken en dezelfde persoon loslaten. Noteer elke poging meteen, ook als je denkt dat er iets misging: zet er dan in het kort bij wat er gebeurde.

Het blad ligt klaar naast de helling. Eerst meten, dan pas rekenen.
superplus04/n23_meetblad_op_de_werkbank.jpg
pogingzware knikker: tijdlichte knikker: tijdopmerking
1

Reken het gemiddelde uit voor elke knikker. Schrijf de som en de deling op.

2

Bereken ook het bereik van elke reeks. Is het verschil tussen je twee gemiddelden groter of kleiner dan dat bereik?

Natuur & techniek naam
Meesterproef · deel 3 van 3

Je verslag aan Newton

Aan I. Newton, in de werkplaats
24
Voor je begint te schrijven

Begin met je vraag, dan wat je gemeten hebt, dan je antwoord. Gebruik je eigen getallen als bewijs en schrijf ze voluit in je zinnen.

  • Zeg er eerlijk bij wanneer je metingen te dicht bij elkaar liggen om echt iets te besluiten.
beeld
superplus04/t24_verzegelde_brief.jpg
1

Schrijf je besluit in vijf tot acht zinnen. Noem je vraag, je getallen en je antwoord, en zeg erbij hoe zeker je ervan bent.

2

En dan één zin: wat doe je de volgende keer anders?

Taal naam

Bijvoegsel — Het kabinet van de werkplaats

13 blz. A4 + A3

In dit bijvoegsel lees je vier bladzijden uit het werkboek dat Newton in de tweede week van maart 1687 volschreef: drie proeven, drie tabellen en een week vol getallen. Eén optelling deugt niet, één dag kan helemaal niet, en boven elke dag staat een woord dat samen met de andere een zin vormt. Daarna knip je de slingerproef in stukken, leg je hem in de juiste volgorde, en bouw je van het A3-blad een echte slingerschaal, een echte hefboom van 320 millimeter en een rooster waarop je je eigen metingen zet.

Bijvoegsel apart openen en printen (13 blz.) Het kabinet van de werkplaats (A3, apart) Blad 9 is het knipblad met de zes kaarten, blad 10 is het plakblad. Het A3-blad (blad 14) knip je volgens blad 11: de hefboombalk, de meetstrook, de wijzer en de vier gewichtblokjes. Je hebt een schaar, lijm, een splitpen of een rechtgebogen paperclip en een prikpen nodig.
INVENTARIS
Bijvoegsel · de kast gaat open

Wat er in het kabinet ligt

Een bijvoegsel is geen tweede bundel. Het is het gereedschap waarmee de bundel tot leven komt.
1
Vier stukken, en wat je ermee doet

In deze kast liggen vier stukken. Ze horen bij elkaar: het ene bewijst wat het andere beweert.

  • Het werkboek — vier bladzijden die Newton in één week volschreef. Er staat iets in dat niet kan.
  • De platen — prenten waarin je moet tellen, niet kijken.
  • Het knip- en plakwerk — de slingerproef in zes stappen, door elkaar geschud.
  • Het kabinet zelf — een A3-bouwplaat op ware grootte. Knip uit, zet in elkaar, meet na.
De kast in de werkplaats. Eén lade staat op een kier.
superplus04/b_kabinetkast_met_laden.jpg
1

Op de plaat op dit blad staat de kast van de werkplaats, met één lade op een kier. Wat ligt erin, en bij welk van de vier stukken hierboven hoort dat?

2

Newton schrijft alles op, ook wat misliep. Bedenk één reden waarom een onderzoeker juist zijn mislukkingen bewaart, en één reden waarom dat moeilijk is.

Wereldoriëntatie naam
Het werkboek · blad 1 van 4

Maandag en dinsdag

Werkboek van I. Newton, de tweede week van maart 1687
Elke alinea heeft een regelnummer. Je hebt ze straks nodig.
2

1Maandag. Meten is niet hetzelfde als kijken, en dat schrijf ik hier bovenaan omdat ik het zelf om de haverklap vergeet. Vanmorgen heb ik de kast leeggehaald en alles op de bank gelegd: zes gewichtjes van gelijke zwaarte, een houten goot, een handvol knikkers, een zandloper en een kluwen dun touw. Verder heb ik vandaag niets gedaan dan ordenen; een dag zonder meting is geen verloren dag, maar ik noteer hem wel.

2De assistent knoopt voor mij een knoop in dat touw om de tien centimeter. Zo hoef ik nooit meer te meten: ik tel de knopen en ik ken de lengte. Wie later een plaat van mijn slinger bekijkt, kan de knopen dus natellen en weet meteen waarmee ik gewerkt heb.

3Dinsdag. Is een zwaar gewicht dicht bij het midden even veel waard als een licht gewicht ver weg? De lat over het ronde potlood zegt van ja, en ik heb het vier keer opgeschreven voor ik het geloofde. De gaten in mijn lat zitten om de twee centimeter, links en rechts van het steunpunt.

4Ik noteer links en rechts apart en reken van elke kant het getal maal de arm uit. Vier keer bleef de lat zo vlak als het tafelblad. Eén keer zakte ze, en juist naar die ene keer heb ik het langst zitten kijken. De tabel staat onderaan dit blad.

5De assistent vroeg of ik dan niet gewoon kon wegen. Natuurlijk kon ik wegen. Maar wegen vertelt je hoe zwaar iets is, en dit vertelt je waar je het moet leggen. Dat zijn twee verschillende vragen, en de tweede is de mijne.

beeld
superplus04/b_hefboom_in_evenwicht.jpg
linksrechtswat de lat deed
3 blokjes op 4 cm2 blokjes op 6 cmbleef vlak
5 blokjes op 2 cm1 blokje op 10 cmbleef vlak
3 blokjes op 8 cm2 blokjes op 12 cmbleef vlak
5 blokjes op 6 cm3 blokjes op 10 cmbleef vlak
2 blokjes op 8 cm1 blokje op 12 cmlinks zakte
Natuur & techniek naam
Het werkboek · blad 2 van 4

Woensdag en donderdag

Werkboek van I. Newton, vervolg
De tekst loopt door op blad 4, op een los vel dat later ingevouwen werd.
3

1Woensdag. Twee kaarsen heb ik opgebrand aan één enkele slinger. Ik hing het touw met zes knopen aan de balk, trok het gewichtje tot tien graden opzij, liet los zonder te duwen, en klokte acht keer tien slingeringen op het slingeruurwerk in de hoek, met de assistent die de tienden erbij schatte.

2De acht getallen staan onderaan dit blad. Ze liggen dicht bij elkaar, wat mij bevalt, want dat betekent dat mijn hand en mijn oog deze week meewerken.

3Samen tellen die acht getallen honderdzesentwintig komma vier, en gedeeld door acht is dat vijftien komma acht. Eén slingering duurt dus ruim anderhalve seconde. Ik heb de optelling niet nog eens overgedaan; het was al laat en de kaars stond laag.

4Donderdag. Keer op keer zakt er iets tussen de planken van deze kast weg. Vanmorgen rolde er een gewichtje onder de kast en ik heb het niet teruggevonden. Er liggen er nu nog vijf in hun vilten holtes. Ik schrijf het op, want anders telt iemand na mij verkeerd.

5Daarna het prisma voor het raam gezet. De banden op de muur telde ik van boven naar beneden: rood, oranje, geel, dan blauw, indigo en violet. Er hoort er nog één tussen, en ik weet welke, maar ik kreeg ze deze keer niet op de muur; het licht was te zwak en de lucht te grijs.

6Een geleerde die zes kleuren telt waar er zeven horen, heeft daarom nog geen zes kleuren. Hij heeft slechter licht. Ik noteer dus wat ik zag én wat ik miste, want dat tweede is even goed een meting.

De slinger van woensdag, aan de balk van de werkplaats.
superplus04/b_slinger_zes_knopen.jpg
poging12345678
tijd voor 10 slingeringen, in seconden15,415,615,515,515,715,415,615,5
Wiskunde naam
LOS BLAD
Het werkboek · blad 3 van 4

Het ingevouwen meetblad

Vrijdag en zaterdag, op een los vel geschreven en later in het werkboek gevouwen.
4

1Vrijdag. Kijken alleen volstaat niet als het snel gaat. Daarom heb ik de goot van drie meter op twee stapels boeken gelegd, zo vlak als ik durfde, en de knikker met krijt laten volgen: bij elke slag van het slingeruurwerk zette de assistent een streepje waar de knikker op dat ogenblik was.

2Vier streepjes, vier afstanden, opgemeten met het lint vanaf de startlijn. Ze staan in de tabel onderaan. Ik heb elke afstand drie keer gemeten en de drie uitkomsten scheelden hoogstens een halve centimeter, wat mij volstaat.

3Wat mij trof is dat de stukken tussen de streepjes niet even lang zijn. Elk volgend stuk is langer dan het vorige, en het verschil tussen twee opeenvolgende stukken is telkens even groot. Er zit een regel in die ik zie maar nog niet durf op te schrijven; ik laat de vier afstanden staan zoals ik ze gemeten heb.

4Zaterdag. Naar buiten kon ik niet, het regende de hele dag, dus heb ik de gaten in de lat nagemeten en de vijf gewichtjes gewogen die nog in de kast lagen. Ze verschillen onderling geen haar. Dat is voor mijn werk belangrijker dan hun gewicht zelf.

5Verder de zandloper op de proef gesteld. Ik keerde hem om en telde hardop tot hij halverwege stond: honderdtachtig tellen. Tot hij helemaal leeg was: driehonderdzestig. Hij loopt in drie minuten leeg, dus mijn hardop tellen gaat twee keer zo snel als de slagen van het uurwerk.

6Dat is geen kleinigheid. Wie mijn tabellen naleest en denkt dat mijn tellen seconden zijn, leest alles dubbel zo snel als het gebeurd is. Ik zet het er hier maar bij, in de hoop dat ik het zelf ook onthoud.

De goot in de gang, met de knikker op een van de vier krijtstreepjes.
superplus04/b_helling_met_knikker.jpg
na ... slagen van het uurwerkafstand vanaf de startlijn
1 slag10 cm
2 slagen40 cm
3 slagen90 cm
4 slagen160 cm
Wiskunde naam
Het werkboek · blad 4 van 4

Zondag

Werkboek van I. Newton, laatste bladzijde
Lees deze bladzijde traag. Er staat iets in wat een slinger nooit doet.
5

1Zondag. Hetzelfde gewichtje, hetzelfde uurwerk, dezelfde hoek van tien graden. Alleen het touw heb ik langer geknoopt: negen knopen in plaats van zes. En toch klokte ik precies hetzelfde als woensdag, ruim anderhalve seconde voor elke slingering. Drie keer gedaan, drie keer hetzelfde gekregen; de drie tijden staan onderaan.

2Dat bevalt mij uitstekend. Het zou betekenen dat de lengte van het touw er niet toe doet, en dat een slinger dus overal en altijd dezelfde maat geeft. Ik schrijf het met opzet groot op, want als het waar is, is het het mooiste wat ik deze week gevonden heb.

3Om zeker te zijn heb ik de knopen nog eens nageteld, met mijn vinger, hardop, van de balk tot aan het gewichtje. Negen. Het touw hing vrij en raakte nergens de muur. Er is dus niets mis met mijn opstelling, en dat is precies wat mij ongerust zou moeten maken.

4De assistent kijkt bedenkelijk en zegt dat hij het woensdag anders zag. Ik heb hem geantwoord dat één avond kijken geen meting is. Hij heeft gelijk noch ongelijk tot hij het opschrijft; dat heb ik hem ook gezegd, en ik heb hem het touw meegegeven om alles nog eens over te doen.

5Genoeg voor deze week. Ik sluit de kast, doe de luiken toe en laat dit schrift openliggen op de bank, zodat het morgen het eerste is wat ik zie.

6Wie dit schrift ooit naleest: begin bovenaan bij elke dag en lees alleen het eerste woord dat ná de dagnaam staat. Dan heb je de enige regel die ik in deze werkplaats werkelijk geleerd heb. De rest zijn getallen, en getallen moet je zelf narekenen.

Dezelfde balk, hetzelfde gewichtje, een ander touw.
superplus04/b_slinger_negen_knopen.jpg
poging met negen knopen123
tijd voor 10 slingeringen, in seconden15,515,415,6
Natuur & techniek naam
Ontleding · deel 1 van 2

De som die niet klopt

Verwijzingen als 'blad 3, regel 3' slaan altijd op de bladen van dit bijvoegsel.
6
Drie vragen bij elk gemiddelde

Voor je een gemiddelde gelooft, controleer je het. Dat hoeft niet lang te duren, en twee van de drie controles kan je uit je hoofd.

  • Ligt het gemiddelde tussen de kleinste en de grootste meting? Zo niet, dan klopt er iets niet.
  • Klopt de som? Tel opnieuw op, maar in een andere volgorde dan de eerste keer.
  • Klopt de deling? Vermenigvuldig je uitkomst terug met het aantal metingen.
beeld
superplus04/b_optelling_bij_kaarslicht.jpg
1

Tel de acht metingen uit de tabel van blad 3 zelf op en deel daarna door acht. Vul de drie stappen in.

stapjouw uitkomst
de som van de acht metingen
gedeeld door acht
afgerond op één cijfer na de komma
2

Newton noteert in blad 3, regel 3 een som én een gemiddelde. Eén van de twee is verkeerd, en het andere volgt er netjes uit. Welke van de twee is de echte fout? Bewijs het.

3

Kijk alleen naar de kleinste en de grootste meting in de tabel van blad 3. Leg uit waarom je aan die twee getallen al kon zien dat het gemiddelde van Newton niet kon kloppen.

Wiskunde naam
Ontleding · deel 2 van 2

De dag die niet kan

Blad 5 beschrijft iets wat een slinger nooit doet. Bewijs het met regelnummers.
7
Twee bladen naast elkaar

Vergelijken doe je niet op gevoel. Je legt de twee passages naast elkaar en je noteert bij elk verschil het blad en het regelnummer waar het staat.

  • Zoek eerst wat hetzelfde bleef. Dat is wat de vergelijking eerlijk maakt.
  • Zoek dan het ene ding dat veranderde. Daar moet het verschil vandaan komen, of nergens.
beeld
superplus04/b_twee_touwen_aan_een_balk.jpg
1

Zet blad 3, regel 1 naast blad 5, regel 1. Vul in wat gelijk bleef en wat veranderde.

waarover het gaatwoensdag (blad 3, regel 1)zondag (blad 5, regel 1)
het gewichtje
de hoek waarbij hij losliet
het aantal knopen in het touw
de tijd voor tien slingeringen
2

Onderaan het A3-blad staat een regel over slingers met een langer touw. Schrijf ze over en leg uit waarom de zondag van Newton daarmee in strijd is.

3

In blad 5, regel 4 schuift Newton de tegenspraak van zijn assistent opzij. Zijn zin klopt en toch is zijn redenering fout. Leg uit waarom.

Natuur & techniek naam
PLAAT III
Beelden met aanwijzingen

Drie platen om uit te lezen

Niet kijken maar tellen. In elke plaat zit een getal dat nergens uitgeschreven staat.
8
Plaat 1 — het prisma voor het raam.
superplus04/b_prisma_met_gat_in_het_spectrum.jpg
Plaat 2 — de zandloper van de werkplaats.
superplus04/b_zandloper_half_leeg.jpg
Plaat 3 — de kist met de gewichtjes.
superplus04/b_kist_met_holtes.jpg
1

Tel de banden op plaat 1. Newton noemt in blad 3, regel 5 zes kleuren op, in volgorde. Welke ontbreekt er, en waar hoort ze?

2

De zandloper is halverwege. Blad 4, regel 5 zegt hoe lang hij leegloopt. Hoeveel seconden zijn voorbij?

3

Tel op plaat 3 de holtes en de gewichtjes. Zoek de dag van het verschil: blad en regel.

Natuur & techniek naam
Knipwerk · deel 1 van 3

De slingerproef in zes stappen

De zes kaarten staan door elkaar. Knip ze uit; op blad 10 leg je ze goed.
9
Wat een stap tot een stap maakt

Een stap in een proef is één handeling die je ofwel doet ofwel niet doet. Twee handelingen in één stap zijn er één te veel.

  • Vraag je bij elke kaart af wat er na die stap vastligt en wat nog niet.
  • Twee kaarten lijken op elkaar. De ene mag pas als de andere gebeurd is.
  • Knip langs de buitenrand van elk kaartje. Je houdt er zes over, met een letter erop.
Knip hier de zes kaarten uit
loslaten
superplus04/b_kaart_loslaten.jpg
Kaart A
Laat los zonder te duwen. Iemand anders begint op datzelfde ogenblik te tellen.
knopen tellen
superplus04/b_kaart_knopen.jpg
Kaart B
Knoop het touw om de tien centimeter en tel de knopen. Nu ligt je lengte vast.
acht keer
superplus04/b_kaart_herhalen.jpg
Kaart C
Herhaal alles acht keer. Reken pas als je acht getallen hebt staan.
ophangen
superplus04/b_kaart_ophangen.jpg
Kaart D
Hang het touw aan het ophangpunt, recht boven de nul van de schaal.
klokken
superplus04/b_kaart_klokken.jpg
Kaart E
Klok tien slingeringen en schrijf de tijd meteen op, voor je iets anders doet.
opzij en stil
superplus04/b_kaart_opzij.jpg
Kaart F
Trek het gewichtje tot tien graden opzij en hou het doodstil.
Voor je knipt

Schrijf de letter van elke kaart ook nog eens op de achterkant. Valt je stapeltje om, dan hoef je niet alles opnieuw te lezen.

Taal naam
Knipwerk · deel 2 van 3

Zet de proef in de juiste volgorde

De hint bij elk vak vertelt wat er ná die stap vastligt. Er is maar één volgorde die kan.
10
Eerst leggen, dan lijmen

Lees alle zes de hints voor je iets vastplakt. Een volgorde die je halverwege moet omgooien, kost je meer tijd dan het lezen.

  • Leg de kaarten eerst los in de vakken. Verschuiven mag, overplakken niet.
  • Twijfel je tussen twee kaarten? Vraag je af welke van de twee zonder de andere kan.
Het plakblad van de slingerproef
1hierna weet je hoe lang je slinger is
2hierna hangt je slinger op zijn plaats
3hierna ligt de hoek vast, maar er beweegt nog niets
4hierna beweegt de slinger, en meet je nog altijd niets
5hierna staat je eerste getal op papier
6hierna pas mag je rekenen
beeld
superplus04/b_kaarten_op_de_werkbank.jpg
1

Schrijf achter elk nummer de letter van de kaart die je erop plakte, en zet erbij welke twee kaarten je het langst uit elkaar moest houden.

Taal naam
BOUWPLAAT
Knipwerk · deel 3 van 3

Zo zet je het kabinet in elkaar

Het A3-blad is geen prent maar gereedschap. Knip, vouw, prik, en meet daarna alles na.
11
Wat je erbij nodig hebt

Een schaar, lijm, een splitpen of een rechtgebogen paperclip, en een prikpen.

  • Knip vak 4, 5, 6 en 7 los. Vouw de strook van vak 2 tot een driehoek en lijm de flap vast: dat wordt je steunpunt.
  • Prik de wijzer op het ophangpunt van vak 1 en het middengat van de balk op de punt van het steunpunt. Allebei moeten ze vrij kunnen bewegen.
De gemonteerde hefboom: een gevouwen driehoek, een geperforeerde balk en twee blokjes aan een haakje.
superplus04/b_gemonteerde_hefboom.jpg
1

Vink af terwijl je bouwt, en meet elk onderdeel na met de meetstrook.

onderdeelklaar?wat je nameet
de balk van vak 4de lengte in mm
het steunpunt van vak 2de hoogte van de driehoek
de wijzer van vak 6van het gat tot de punt
2

Meet de balk na met de meetstrook van vak 5. Hoeveel millimeter is hij, en hoeveel gaten zitten er links van het middengat?

3

Hang blokje 3 in het gat van 4 cm links en blokje 2 in het gat van 6 cm rechts. Reken beide kanten uit en voorspel wat de balk doet.

Natuur & techniek naam
Meten op het bord

Vier kruisjes en één vloeiende lijn

Vak 3 van het A3-blad is jouw rooster. De metingen staan in de tabel van blad 4.
12
Een punt zetten

Een meetpunt heeft twee getallen nodig: eentje voor de liggende as en eentje voor de staande as. Met maar één van de twee staat het nergens.

  • Op het bord is één seconde 22 mm breed en is elke twintig centimeter 11 mm hoog.
  • Zet een kruisje waar de twee elkaar kruisen, en verbind pas als alle punten er staan.
beeld
superplus04/b_passer_op_ruitjespapier.jpg
1

Zet de vier metingen van blad 4 op het rooster van vak 3, en zet ook het punt van nul slagen en nul centimeter erbij. Vul eerst deze tabel in.

slagen van het uurwerkafstandstaat het kruisje er?
00 cm
1
2
3
4
2

Is je lijn recht of gebogen? Schrijf op wat die vorm zegt over de knikker.

3

Newton meet niet verder dan vier slagen. Reken uit hoe ver de knikker na vijf slagen zou staan, en leg uit waarom dat punt niet meer op het rooster past.

Wiskunde naam
Slot · je antwoord aan Newton

De regel die hij zelf verstopte

Aan I. Newton, in de werkplaats
13
Het eerste woord van elke dag

Newton zet het in blad 5, regel 6 recht voor je neus. Vul onder elke dag het eerste woord in dat ná de vette dagnaam staat, en lees ze daarna achter elkaar.

beeld
superplus04/b_notitieboek_met_veertje.jpg
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
1

Schrijf de zin die je in het rooster leest, in één regel over.

2

Schrijf nu je brief aan Newton: wat je narekende, welke dag niet kan, en wat je hem aanraadt. Zet bij elk getal het blad en het regelnummer waar het staat.

Taal naam
Blad 14Het kabinet van de werkplaats — een apart A3-blad, liggend. Dit blad zit niet in de A4-print.
Open en print de kaart apart (A3)
HET KABINET VAN DE WERKPLAATSbouwplaat en meetblad — knip uit, zet in elkaar, meet en reken na1Slingerschaal30252015105051015202530ophangpuntPrik de wijzer (6) hier vast met een splitpen.Hang je touw aan hetzelfde punt.Trek het gewichtje tot 10 graden opzij,laat los zonder te duwen en klok tien slingeringen.2De hefboom32zo ziet het er in elkaar uitvouwvouwvouwlijmsteunpuntDe gaten staan om de 2 cm.Hang een blokje in een gat.Blokje 5 telt als vijf blokjes van 1.Reken links: getal x arm in cm.Reken rechts op dezelfde manier.Even groot? De balk blijft vlak.Papier weegt niets. Dit bord rekent;de echte lat op het potlood bewijst.3Afstand en tijd012345020406080100120140160180200tijd in secondenafstand in centimeterZet elk meetpunt als een kruisje.4 De hefboombalk — knip uit langs de dikke lijn. Lengte 320 mm; de getallen zijn de arm in centimeter.steunpunt22446688101012121414320 mm012345678910111213141516171819205 Meetstrook — 20 cm, in millimeter. Knip uit en meet er alles mee na.6 Wijzer — prik het gat op het ophangpunt.12357 GewichtblokjesDe wetten van de werkplaatsEen slinger met een langer touw slingert altijd trager. Nooit even snel, nooit sneller.Een balk blijft vlak als getal x arm links even groot is als getal x arm rechts.Wie valt of rolt, legt elke seconde een langer stuk af dan de seconde daarvoor.Een gemiddelde ligt altijd tussen de kleinste en de grootste meting. Anders klopt je som niet.