Eerst vaar je: met één dobbelsteen van haven naar haven over het A3-bord, waar elke stip vijftig Romeinse mijl is en elke haven haar eigen prijzen heeft. Daarna lees je het dossier van de Alcyone: vier brieven en een scheepsjournaal die elkaar op twee punten tegenspreken. Het aantal amforen staat nergens met zoveel woorden, maar het zit verstopt in een tol van 2,5 % en in het loon van een paar kruiers. Je bewijst met regelnummers wie de waarheid schrijft, zet de reis op een tijdlijn in Romeinse datering, en legt de rekening sluitend met kaarten die je uitknipt.
Dit bijvoegsel hoort bij Super plus 3 en gebruikt dezelfde wereld: Lucius Varro, Portus Albus, de prijs van 21 sestertii per amfoor, de haventol van 2,5 % en de muntverhoudingen van blad 5. Het verraadt geen enkele oplossing van de bundel: de Alcyone is een tweede schip met eigen getallen. Het zwaartepunt ligt op bronnenkritiek (vier stemmen over één gebeurtenis, met regelverwijzing als bewijsvorm) en op twee terugrekeningen die de leerling zelf moet vinden: van een betaalde tol naar het aantal amforen, en van een uitbetaald kruiersloon naar een getelde lading. Geef blad 2 en 3 eerst en laat het spel echt spelen — twee tot vier spelers, twintig minuten volstaan. Blad 4 tot 7 zijn het dossier en horen in volgorde; blad 8 en 9 zijn de ontleding. Blad 11 en 12 horen samen, en blad 13 kan los als de leerling even iets met zijn handen wil doen. Een schaar, een lat en een lijmstift zijn nodig; voor het spel één gewone dobbelsteen.
Lucius Varro weer. De Fortuna Maris is nog niet in zicht en ik zit ondertussen met iets anders. Mijn tweede schip, de Alcyone, is met olie naar Massilia gevaren en daar is een deel van de lading niet aangekomen. Er liggen vijf stukken op mijn tafel: mijn eigen brief, het afschrift van de havenmeester, het journaal van het schip en twee brieven uit Massilia. Ze zeggen niet hetzelfde. Ik leg ze jou voor in de volgorde waarin ze geschreven zijn, en ik zeg er niet bij wie ik geloof.
Op mijn tafel ligt ook het bord waarmee ik jonge klerken leer wat handel is: de hele zee met acht havens erop, de afstanden in mijlen, en van elke haven wat ze koopt en wat ze verkoopt. Speel het eerst. Wie een keer met een dobbelsteen van Gades naar Alexandria heeft moeten varen, begrijpt waarom een kapitein onderweg soms rare dingen doet.
Eén raad voor de stukken. Schrijf nooit op dat iemand liegt zolang je er geen getal bij kan zetten. Een getal dat uit twee kanten hetzelfde komt, is bewijs. Een getal dat één man opschrijft, is een getal.
Lucius zegt wat volgens hem bewijs is en wat niet. Schrijf zijn regel in je eigen woorden op, en bedenk er zelf een voorbeeld bij dat niets met schepen te maken heeft.
Waarom laat hij jou eerst spelen en pas daarna lezen?
Alles wat je nodig hebt staat op het bord zelf.
Zoek deze vier reizen op het bord en reken de afstand om naar kilometer. Eén Romeinse mijl is 1 480 m.
| reis | afstand op het bord | in kilometer |
|---|---|---|
| Portus Albus naar Massilia | ||
| Ostia naar Carthago | ||
| Gades naar Portus Albus | ||
| Carthago naar Alexandria |
Je koopt in Gades 40 amforen olie en verkoopt ze in Portus Albus. Reken je winst uit, tol inbegrepen, en zet je antwoord daarna ook in denarii en sestertii.
Wat levert meer op: 30 zakken graan van Alexandria naar Athenae, of 30 zakken graan van Carthago naar Ostia? Reken beide uit met de tol erbij, tel de etappes, en zeg welke reis het meest opbrengt per etappe.
De vijf stukken staan op blad 4 tot en met 7. Elk stuk begint zijn regelnummers opnieuw bij 1.
1Lucius Varro groet Quintus Naevius. Vandaag laadt mijn kapitein Titus Rufus jouw olie in het ruim van de Alcyone. Hoeveel amforen het er zijn, staat op de rol van de havenmeester; ik schrijf het hier niet, want de was op mijn eigen tafeltje is uitgelopen en ik stuur je geen getal dat ik niet tweemaal heb nagerekend.
2De prijs is die van altijd: eenentwintig sestertii per amfoor. Je betaalt voor wat er bij jou aan de kade staat, geteld en wel, en voor geen enkele amfoor meer. Wat de zee neemt, neemt ze van mij en niet van jou; zo houden wij het al negen jaar en zo blijven wij het houden.
3Titus Rufus vaart zeven jaar voor mij. Zijn stuurman houdt het journaal bij tot op de dag, en beiden weten dat ik het lees zodra het schip terug is. Als er iets is, vraag je het journaal gewoon op; het ligt aan boord en niemand heeft het recht het voor jou weg te houden.
4Zet je zegel onder je antwoord zodra de lading bij je binnen is, en schrijf er het aantal bij dat jij zelf geteld hebt. Twee tellingen die uit elkaars mond komen zijn beter dan tien die uit dezelfde mond komen. Het ga je goed.
1Sextus Balbus, havenmeester, aan Lucius Varro. Hierbij het afschrift van wat er op mijn rol staat voor het schip Alcyone, uitgevaren de vierde dag voor de nonen van juni, bestemming Massilia, lading olie in amforen, eigenaar jijzelf.
2Het aantal amforen is op de rol niet meer te lezen. Mijn schrijver heeft er met zijn mouw over gestreken toen de was nog warm was, en wat er nu staat is een vlek met drie streepjes ernaast. Ik zet er geen getal bij dat ik niet kan verantwoorden.
3De tol is wel betaald en dat bedrag ligt vast, want het is geteld en het is in de kist gegaan: XCIV sestertii en II asses. Je kent onze rekenwijze: twee en een halve honderdste van de aangegeven waarde, en de aangegeven waarde is het aantal amforen maal de prijs per amfoor.
4Wil je het aantal terug, reken dan mijn tol terug. Dat is geen kunst voor iemand die zijn eigen boeken bijhoudt, en jij houdt ze bij. Stuur mij het antwoord, want ik moet mijn rol opnieuw schrijven en ik schrijf niets op wat ik niet van twee kanten heb.
| op de rol | wat er staat |
|---|---|
| schip | Alcyone, thuishaven Portus Albus |
| uitgevaren | de vierde dag voor de nonen van juni |
| lading | olie in amforen |
| aantal | uitgewreven, niet te lezen |
| tol, 2,5 % van de aangegeven waarde | XCIV sestertii en II asses |
Reken de tol terug, stap voor stap, tot je weet hoeveel amforen de Alcyone geladen heeft. Schrijf elke stap op een eigen regel en zet het aantal ook in Romeinse cijfers.
1De vierde dag voor de nonen van juni. Uitgevaren uit Portus Albus met de ochtendwind. Lading olie in amforen, geteld door de havenmeester en door hem op de rol gezet. Zee vlak, zicht tot aan de kaap.
2De derde dag voor de nonen. Goede vaart, wind uit het zuidwesten, niets te melden. De kok heeft vis gebakken en de kapitein heeft de wacht verzet.
3De dag voor de nonen. 's Nachts liep de wind om naar het noorden en is de stapel aan bakboord gaan schuiven. Zes amforen gebroken; de scherven en de olie zijn overboord gegaan. Niemand gewond.
4De nonen van juni. Voor anker onder het eiland Blascon om de stapel opnieuw vast te sjorren. Werk van een halve dag, zegt de bootsman.
5De achtste dag voor de idus van juni. Nog altijd voor anker bij Blascon. Toen de schaduw op de derde streep na de middag stond, kwam er een boot van de wal langszij. De kapitein heeft zelf met die mannen gesproken, aan de andere kant van het schip. Ik heb niets te noteren gekregen.
6De zevende dag voor de idus. Weer onder zeil met de landwind. Het schip ligt lichter dan bij het vertrek, zegt de bootsman, en hij vaart al twintig jaar.
7De vijfde dag voor de idus. Massilia binnengelopen bij laag water. De kruiers zijn beginnen lossen zodra de loopplank lag, en ze hebben doorgewerkt tot het donker was.
Zet de dagen van dit journaal op een rij met onze datums erbij (2 juni = a.d. IV non. Iun.). Hoeveel dagen lag de Alcyone stil, en welke regels bewijzen dat?
1Titus Rufus aan zijn heer Lucius Varro, geschreven te Massilia op de vierde dag voor de idus van juni. Het spijt mij dat ik met slecht nieuws kom. Ik heb in Portus Albus CLXXVI amforen ingeladen en er zijn er CLXVIII aan de kade van Massilia gezet, geteld terwijl ik ernaast stond.
2De oversteek heeft vijf dagen geduurd en wij hebben nergens voor anker gelegen, want met een ruim vol olie blijf je van de kust weg; dat hebt u mij zelf geleerd. De nacht na het vertrek liep de wind om en is de stapel aan bakboord gaan schuiven. Wat gebroken was, heb ik met scherven en al overboord laten gaan, want gebroken aardewerk in het ruim maakt van de eerstvolgende storm een ramp.
3Reken mij die acht amforen niet aan. Ik vaar zeven jaar voor u en ik heb u nog nooit een getal gestuurd dat niet klopte. Mijn journaal ligt aan boord; u weet waar de sleutel hangt.
1Quintus Naevius groet Lucius Varro, op de dag voor de idus van juni. Ik heb geteld zoals je vroeg, twee keer, met mijn zoon ernaast en met de kapitein erbij: CLXII amforen staan er in mijn kelder. Voor CLXII betaal ik, tegen eenentwintig sestertii het stuk, en dat geld ligt klaar.
2Mijn kruiers werken voor twee asses per amfoor, van de loopplank tot onderaan de keldertrap. Ik heb ze CCCXXIV asses uitbetaald en ze hebben niet geklaagd, en die mannen klagen graag. Reken het na als je mijn telling niet gelooft.
3Nog dit, en ik weet zelf niet wat het waard is. Drie dagen na de aankomst stond er op onze markt olie in amforen met hetzelfde stempel als het jouwe: vier kerven in een cirkel. Ze werd verkocht door een man van het eiland Blascon, die nog nooit iets bij jou gekocht heeft.
Vul de tabel in. Zet bij elke bewering wie ze doet, of ze klopt, en waarmee je dat bewijst. Schrijf bij het bewijs altijd het stuk én de regel, zoals II.3.
| de bewering | van wie? | klopt het? | bewijs |
|---|---|---|---|
| Er zijn CLXXVI amforen ingeladen. | |||
| De oversteek duurde vijf dagen. | |||
| Er is nergens voor anker gelegen. | |||
| Er zijn CLXII amforen gelost. |
De havenmeester schrijft het aantal niet op, maar hij geeft je genoeg om het terug te rekenen. Doe dat in stappen en eindig met het aantal amforen dat de Alcyone geladen heeft.
Quintus daagt je uit zijn telling na te rekenen met het loon van zijn kruiers. Laat zien dat hij gelijk heeft.
Eén schrijver verzwijgt iets, en één schrijver noteert net dat hij niets mocht noteren. Wie zijn dat, en wat is er volgens jou met de ontbrekende amforen gebeurd?
In elke maand liggen drie dagen vast: de kalendae, de nonae en de idus.
Zet de reis op een tijdlijn: vul onze datum in en zet erbij wat er gebeurde, met stuk en regel.
| Romeinse dag | dag in juni | wat er gebeurde (stuk en regel) |
|---|---|---|
| de vierde dag voor de nonen van juni | ||
| de dag voor de nonen | ||
| de nonen van juni | ||
| de achtste dag voor de idus | ||
| de vijfde dag voor de idus |
Hoeveel dagen lag de Alcyone onderweg volgens het journaal, en wat schrijft de kapitein?
De kapitein schrijft op de vierde dag voor de idus. Welke dag is dat?
Zoek eerst wat er precies te tellen of te lezen valt, en pas daarna wat het betekent.
De zonnewijzer: welk moment van de dag is dit, en welke regel van het journaal noemt het?
Het stempel: tel de kerven. Welk stuk noemt datzelfde stempel, en wat bewijst dat?
De boog: waarom is een barst juist in die steen erger dan in een andere wig?
De munten: hoeveel ligt er? Schrijf je antwoord in sestertii en asses.
Op elke kaart staat een getal in Romeinse cijfers. Schrijf op elke kaart eerst met potlood ons getal erbij.
MMMCDII is geen fout: M staat drie keer voor duizend, CD is vierhonderd, II is twee.
Wat is ingeladen, is óf aangekomen, óf gebroken, óf verdwenen. Er is geen vierde mogelijkheid.
Drie kaarten blijven over. Schrijf op van wie die drie getallen komen en in welke regel hij ze opschrijft.
Het patroon is gespiegeld in de lijn tussen kolom 6 en kolom 7. Knip de drie stroken onderaan in losse vierkantjes en plak ze in het lege deel.
Tel vooraf: hoeveel donkere en hoeveel lichte steentjes heb je nodig? Klopt dat met wat er in de stroken zit?
Een Romeinse munt had twee kanten en elke kant deed zijn werk.
Ontwerp je eigen munt. Schrijf hier eerst je randtekst (hoogstens twaalf letters, afkortingen mogen) en zeg wat er op de keerzijde komt en waarom juist dat.
Waarom stond de waarde niet op de munt, en hoe wist een handelaar dan toch wat hij vasthad?