In de nacht van 12 op 13 oktober 1926 verdwijnt de Sterrenklok uit de hal van het Noorderstation van Vaerdonk. Je bouwt de tijdlijn over middernacht heen, rekent na of iemand de afstand wel kon afleggen, leest de nachtdienstregeling van lijn 7, tekent het plein op schaal en trekt er zichtlijnen door, meet de hoeken in het art-decoraam boven de klok, zet de alibi's in een waarheidstabel met EN, OF en NIET, voert een verhoor in het Frans en schrijft op het einde zelf het rapport voor de commissaris.
Super plus 2 is een doorlopend onderzoek van 24 bladen rond een verzonnen diefstal in een verzonnen stad. De vakken zitten verweven: elk blad heeft één kleur, maar de wiskunde komt uit de getuigenissen en het Frans uit het verhoor. Nieuw terrein tegenover het vijfde leerjaar is vooral: tijdsduur berekenen over middernacht heen, snelheid als afstand gedeeld door tijd en de omgekeerde som, hoeken meten met de geodriehoek, spiegelsymmetrie in een patroon, waarheidstabellen met EN, OF en NIET, en een betogende tekst met stelling, argument-met-bewijs, tegenargument en slot. De zaak is sluitend: de dader volgt eenduidig uit de bladen 4, 8, 10, 12, 15, 17 en 21 samen. Laat leerlingen niet raden maar aanwijzen met bladnummers. Ze kunnen het dossier zelfstandig doorwerken in de volgorde van de nummering; de bladen 22 tot 24 zijn de meesterproef en vragen samen ongeveer twee lesuren.
Beste assistent, je bent aangenomen. Niet omdat je het mooiste handschrift had van de zeven die hier zaten, wel omdat je als enige vroeg waarom die klok pas om vijf over half twee gemist werd. Dat is precies de vraag waar deze zaak op draait.
Vannacht is de Sterrenklok uit de hal van het Noorderstation verdwenen. Zesendertig kilo verguld koper, een wijzerplaat met twaalf punten, vier bouten in de muur. De laatste die haar zag hangen was de nachtwaker, om tien over elf. Om vijf over half twee belde hij de politie.
Vier mensen waren die nacht op of rond het Stationsplein: de nachtwaker, de conducteur van de nachttram, de bloemenverkoopster en de eigenaar van Hotel Elektra. Alle vier hebben ze iets gezien, en alle vier vertellen ze iets wat niet helemaal past bij wat de anderen zeggen. Eén van hen liegt, en die ene heeft de klok.
Je krijgt van mij geen namen om te verdenken. Je krijgt papier: een proces-verbaal, een logboek, een dienstregeling, een plattegrond, een programmablad en een sleutelregister. Reken, meet en vergelijk, en geloof geen zin die je niet kan nakijken. Op het laatste blad van dit dossier schrijf je zelf het rapport voor commissaris Haverbeke. — Aurelia Vonck
Aurelia zegt dat de zaak op één vraag draait. Schrijf in je eigen woorden op welke vraag dat is. Noteer daarna drie dingen die je volgens deze brief zeker weet, en één ding dat je nog helemaal niet weet.
Dit is nagekeken door twee agenten. Het staat er niet omdat iemand het zegt.
| wie | wat hij of zij doet | waar volgens zichzelf |
|---|---|---|
| Gustaaf Bierens, 62 | nachtwaker van het station | bij de goederenloods, 1 km verder |
| Leon Vermeulen, 34 | conducteur op lijn 7, nachtdienst | op de tram, en stil aan de Havenkaai |
| Margriet Sneyers, 47 | bloemenverkoopster op het plein | aan haar kraam en daarna op weg naar huis |
| Theofiel Crombez, 51 | eigenaar van Hotel Elektra | achter zijn balie in de hotelhal |
Hoe lang duurt de nacht tussen het laatste zekere moment en de ontdekking? Reken van 23.10 u tot 01.35 u en schrijf erbij hoe je over middernacht heen gerekend hebt.
Twee dingen in dit verslag zijn geen waarneming maar een spoor dat nog uitgelegd moet worden. Welke twee, en wat zou jij erover willen weten voor je verder gaat?
Je weet al hoe je een tijdsduur binnen één dag berekent. Loopt de duur over middernacht, dan knip je hem in twee stukken en telt je de stukken op.
Reken elke tijdsduur uit. Schrijf in de laatste kolom of je over middernacht heen moest, en zo ja in welke twee stukken je geknipt hebt.
| van | tot | hoe lang? | in welke stukken? |
|---|---|---|---|
| 23.10 u | 01.35 u | ||
| 23.48 u | 00.05 u | ||
| 00.35 u | 01.05 u | ||
| 22.20 u | 00.55 u |
De nachtwaker verliet de hal om 23.53 u en deed er twaalf minuten over om bij de seinpost te zijn. Hoe laat kwam hij daar aan? En hoe laat was hij terug in de hal als hij om 01.05 u weer vertrok?
Seingever Jozef Pauwels noteert elk uur wat hij hoort. De stadscentrale houdt bij wanneer welke leiding stroom krijgt.
| uur | wat Pauwels noteerde |
|---|---|
| 23.00 u | klok in de hal geslagen, elf slagen |
| 00.00 u | klok geslagen, twaalf slagen |
| 00.05 u | nachtwaker Bierens toegekomen, koffie gezet |
| 01.00 u | geen slag gehoord, wind uit het noorden |
| 01.05 u | nachtwaker Bierens vertrokken naar de hal |
| leiding | stroom uit | stroom aan |
|---|---|---|
| stationshal | 00.40 u | 04.50 u |
| perrons en seinpost | 01.45 u | 04.50 u |
Het logboek maakt het venster van 2 u 25 min veel korter. Tussen welke twee uren moet de klok verdwenen zijn, en hoeveel minuten is dat venster? Leg uit welke twee regels uit het logboek je daarvoor gebruikt.
Aurelia zegt: na 00.40 u was het aardedonker in de hal, dus het moet vroeger gebeurd zijn. Is dat een bewijs of een sterke aanname? Schrijf je antwoord op en geef er een reden bij.
Aurelia laat mij de verklaringen overschrijven, woord voor woord, zonder er iets bij te denken. Dat is moeilijker dan het klinkt. Ik heb het toch gedaan, en daarna heb ik onderstreept wat iemand anders kan nagaan.
Gustaaf Bierens, nachtwaker, 62 jaar. Om tien over elf ging de laatste sneltrein weg en toen hing de klok er nog; ik weet het zeker, want ik keek er recht onder. Om drie voor twaalf ben ik naar de goederenloods gegaan, twaalf minuten stappen, dat is elke nacht zo. Pauwels van de seinpost heeft koffie gezet en ik ben blijven zitten tot vijf over een. Toen de nachtpost binnenkwam heb ik het licht met de hand aangedaan en zag ik de lege muur.
Leon Vermeulen, conducteur op lijn 7, 34 jaar. Ik vertrok om middernacht van het Stationsplein met de laatste rit naar de Havenkaai. De klok sloeg net toen ik de bel gaf, twaalf slagen, dat hoor ik elke nacht. Aan de Havenkaai stond ik stil van twintig na twaalf tot vijf over half een; dat staat zo in mijn boekje. Om vijf voor een was ik terug op het plein en om vijf over een tekende ik in de remise.
Ik heb die twee stukken drie keer gelezen. De nachtwaker zegt dat hij al weg was toen de klok sloeg, de conducteur zegt dat hij haar hoorde slaan. Dat spreekt elkaar niet tegen, het past net. Twee mensen die elkaar niet kennen, bevestigen hetzelfde uur, en dat is meer waard dan één mens die het twee keer zegt.
Vul de tabel in. Zet erbij wie het zegt, en met welk papier uit dit dossier jij het zou nagaan.
| wat er beweerd wordt | wie zegt het | waarmee ga je het na |
|---|---|---|
| De klok hing er om 23.10 u nog. | ||
| Ik zat van 00.05 tot 01.05 u bij de seinpost. | ||
| Ik stond van 00.20 tot 00.35 u stil aan de Havenkaai. |
Verklaring 3 — Margriet Sneyers, bloemenverkoopster, 47 jaar. Ik sta daar elke avond tot de laatste tram weg is, want wie van de nachttrein komt, koopt nog bloemen. Die tram vertrok om middernacht en ik hoorde de klok slaan. Daarna heb ik mijn kraam afgebroken, dat duurt een kwartier, en om kwart na twaalf ben ik vertrokken.
Ik duw die kar zelf naar huis, naar de Vlasmarkt, dat is anderhalve kilometer. Aan de bakkerij van Op de Beeck stond de oven al aan; hij heeft mij gezien en gegroet. Ik ben in geen twintig jaar in dat station binnen geweest. Van waar ik sta kijk ik recht op de grote glazen deuren, en ik heb daar niemand naar binnen zien gaan.
Verklaring 4 — Theofiel Crombez, eigenaar van Hotel Elektra, 51 jaar. Ik heb de hele nacht achter mijn balie gezeten, van elf uur tot twee uur, zoals altijd. Er is niemand van mijn gasten binnen- of buitengegaan.
Om middernacht heb ik naar de radio geluisterd, het concert uit Brussel; dat zet ik elke nacht op. Om half een stond de nachtwaker onder de klok in de hal. Ik zag hem daar staan vanaf mijn balie, en de klok hing er op dat ogenblik nog. Dat weet ik zeker.
Wat er in de Kaaistraat gebeurd is, weet ik niet. Ik heb daar de hele nacht niemand zien lopen, en ik kijk er nochtans recht op.
Eén zin uit verklaring 4 kan niet samengaan met het logboek van blad 4. Schrijf die zin over, schrijf de regel uit het logboek erbij, en leg in één zin uit wat er niet kan.
Crombez zegt twee dingen over kijken: wat hij wel zag en wat hij niet zag. Noteer ze allebei letterlijk. Je hebt ze straks nodig bij de plattegrond.
Je weet al wat een mening is. Nieuw is de derde soort: de aanname. Dat is iets wat je er zelf bij denkt zonder het gezien te hebben, en het klinkt precies zoals een waarneming.
Alle zinnen hieronder komen uit blad 5 en blad 6. Zet erbij welke soort het is en waarmee je het zou nagaan. Kan je het niet nagaan, schrijf dan ook dat op.
| wat er gezegd wordt | feit, mening of aanname? | waarmee ga je het na? |
|---|---|---|
| Om 23.10 u hing de klok er nog. | ||
| Wie van de nachttrein komt, koopt nog bloemen. | ||
| Ik stond stil aan de Havenkaai van 00.20 tot 00.35 u. | ||
| Die klok hing veel te laag voor zo'n kostbaar stuk. | ||
| Om 00.30 u stond de nachtwaker onder de klok. | ||
| Hij belde pas om 01.35 u, dus hij heeft liggen slapen. |
Eén zin in de tabel is een aanname over iemands karakter in plaats van over de zaak. Welke, en waarom is zo'n zin gevaarlijk in een onderzoek?
Eén enkele reis tussen het Stationsplein en de Havenkaai is 6 km lang.
| rit | vertrek plein | aankomst kaai | vertrek kaai | aankomst plein |
|---|---|---|---|---|
| 7A | 22.20 u | 22.40 u | 22.45 u | 23.05 u |
| 7B | 23.10 u | 23.30 u | 23.35 u | 23.55 u |
| 7C | 00.00 u | 00.20 u | 00.35 u | 00.55 u |
Haal de drie antwoorden uit de tabel. Schrijf er telkens bij welke twee uren je van elkaar afgetrokken hebt.
| wat gevraagd wordt | antwoord |
|---|---|
| hoe lang duurt één enkele reis | |
| hoe lang staat het rijtuig stil aan de kaai bij 7A, 7B en 7C | |
| hoe lang duurt rit 7C, van vertrek tot terugkomst op het plein |
Vermeulen tekende om 01.05 u in de remise, 3 km van het plein. Klopt dat met de tabel? Reken het na en vergelijk zijn snelheid naar de remise met zijn snelheid op de lijn.
Een snelheid zegt hoeveel afstand je per uur aflegt. Je vindt ze door de afstand te delen door de tijd, en die tijd moet dan wel in uren staan.
Reken elke snelheid uit in km per uur. Zet in de laatste kolom hoe je van de minuten naar een deel van een uur bent gegaan.
| wie of wat | afstand | tijd | snelheid | hoe je rekende |
|---|---|---|---|---|
| de nachttram, één enkele reis | 6 km | 20 min | ||
| Vermeulen naar de remise | 3 km | 10 min | ||
| de nachtwaker naar de goederenloods | 1 km | 12 min | ||
| Sneyers met haar kar tot aan de bakkerij | 1,2 km | 20 min |
Twee van deze vier snelheden horen bij iemand die stapt. Welke twee, en wat zegt het verschil tussen die twee jou over wat die persoon bij zich had?
Ken je de afstand en de snelheid, dan vind je de tijd: tijd = afstand ÷ snelheid. Het antwoord komt er in uren uit, dus zet het kommastuk om naar minuten.
Reken uit hoe lang elke verplaatsing zou duren. Schrijf je antwoord in uren én in minuten.
| verplaatsing | afstand | snelheid | hoe lang? |
|---|---|---|---|
| te voet van de Havenkaai naar het station | 6 km | 5 km/u | |
| met de fiets, heen en terug | 12 km | 16 km/u | |
| met een automobiel van 1926, heen en terug | 12 km | 36 km/u |
Vermeulen stond 15 minuten stil aan de Havenkaai, 6 km van het station. Kon hij in die 15 minuten naar de klok en terug? Gebruik je tabel en schrijf je besluit in een volle zin.
Bierens verliet de hal om 23.53 u en zat om 00.05 u bij de seinpost, 1 km verder. Kon hij nog onder de klok staan toen ze twaalf sloeg? Reken na welke snelheid dat zou vragen.
Op het volgende blad teken je dit plein op schaal. Lees daarom eerst nauwkeurig wat waar staat.
| wat | waar op het plein | afstand |
|---|---|---|
| het Noorderstation, hoofdingang | noordkant, in het midden | 0 m |
| de dienstdeur van het station | in de Kaaistraat, langs de oostflank | 45 m |
| Hotel Elektra, balie aan het raam | oostkant, achter de blauwe luifel | 60 m |
| de rij van zes platanen en de krantenkiosk | oostkant, tussen hotel en station in | 30 m |
| de bloemenkraam van Sneyers | zuidwesthoek, in de open ruimte | 75 m |
| de tramhalte van lijn 7 | zuidkant, in het midden | 70 m |
Je tekent het plein straks op schaal 1 cm = 10 m. Hoe groot wordt je tekening dan in centimeter, en hoeveel centimeter meet daarop de afstand van de hoofdingang tot de bloemenkraam?
Crombez zegt dat hij vanaf zijn balie recht op de Kaaistraat kijkt. Klopt dat volgens deze tabel, en wat staat er tussen zijn balie en de hoofdingang?
Je ziet iets alleen als je er een rechte lijn naartoe kan trekken zonder ergens door te moeten. Een boom, een kiosk of de hoek van een gebouw onderbreekt die lijn.
Teken het plein op schaal 1 cm = 10 m met de gegevens van blad 11. Zet er alles op uit de tabel. Trek daarna drie zichtlijnen: van de hotelbalie naar de hoofdingang, van de hotelbalie naar de dienstdeur, en van de bloemenkraam naar de hoofdingang.
Kijk naar je eigen tekening en vul in. Zet in de laatste kolom wie door deze tabel in de problemen komt, en wie er juist sterker uit komt.
| zichtlijn | gaat ze ergens door? | wel of geen zicht |
|---|---|---|
| van de hotelbalie naar de hoofdingang | ||
| van de hotelbalie naar de dienstdeur | ||
| van de bloemenkraam naar de hoofdingang |
De Sterrenklok is een slingeruurwerk. Een gewicht aan een koord trekt de tandwielen rond, en de slinger laat ze telkens één tandje verder springen. De slinger is dus de rem die de tijd maakt.
Wat gebeurt er met de klok? Schrijf in de tweede kolom of ze voorloopt, achterloopt, stilvalt of gelijk blijft.
| je verandert dit | wat doet de klok? |
|---|---|
| je maakt de slinger 2 cm langer | |
| je hangt er een zwaardere bol aan | |
| je hangt de klok scheef aan de muur |
In 1926 sloot de stadscentrale 's nachts de leiding van de stationshal af, en dan was het er aardedonker. Waarom kon dat toen wel en nu niet meer? Noem twee dingen die vandaag ook 's nachts stroom moeten hebben.
1Vaerdonk telde in 1926 ruim honderdduizend inwoners en was nog maar net een stad met stroom. Tien jaar eerder brandden er gaslantaarns die een man met een ladder één voor één aanstak en 's morgens weer doofde. Nu draaide één hendel in de stadscentrale aan de vaart het halve centrum in het licht, en 's nachts weer uit, want stroom was duur en de leidingen moesten rusten.
2Het Noorderstation was twee jaar oud en de trots van de stad: een hal van staal en glas, een vloer van geblokte tegels, en boven de ingangsboog de Sterrenklok met haar wijzerplaat van twaalf punten. De treinen naar de kust en naar Brussel vertrokken er bijna elk uur; de laatste sneltrein om tien over elf, de nachtpost om half twee.
3Voor de deur reed lijn 7, een elektrische tram met een houten rijtuig en een beugel die vonken trok van de bovenleiding. Wie verder moest, nam de trein. Wie geld had, kocht een automobiel, maar dat waren er in de hele stad nog geen tweehonderd. Fietsen waren er het meest, met een lampje dat op carbid brandde.
4In de betere huiskamers stond sinds kort een radiotoestel: een houten kast met een luidspreker als een bloem erop. De omroep zond niet de hele dag uit, want dat kon niemand betalen. Er was een uur in de namiddag en een concert 's avonds, en rond half twaalf wenste de omroeper goedenacht. Daarna was er niets meer tot de volgende ochtend, alleen geruis.
5Ook de kleren veranderden mee. Vrouwen droegen rechte jurken tot onder de knie en een hoedje dat sloot als een helm; mannen een lange jas en altijd een hoed, ook 's nachts. Het was de tijd tussen twee oorlogen, en de mensen leefden alsof de eerste meteen de laatste geweest was.
Uit een gedenkboek van de stad, geschreven in 1958
Zet naast elkaar hoe het toen ging en hoe het bij jou gaat. Schrijf in de laatste kolom wat er tussenin is uitgevonden.
| waarvoor | in 1926 | bij jou nu |
|---|---|---|
| licht op straat | ||
| muziek horen in huis | ||
| naar de kust gaan |
Eén zin in deze tekst is geen feit maar een oordeel van wie het opschreef. Welke zin is dat, en waaraan herken je het?
Zo zag de avond van maandag 12 oktober eruit bij de enige omroep die in Vaerdonk te ontvangen was.
| uur | wat er te horen was |
|---|---|
| 18.00 - 19.00 u | berichten, marktprijzen en de weerkaart |
| 19.30 - 21.00 u | gesproken voordracht en pianomuziek |
| 21.00 - 23.30 u | concert uit de grote zaal te Brussel |
| 23.30 u | de omroeper wenst goedenacht; einde uitzending tot 07.00 u |
STERRENKLOK UIT HET NOORDERSTATION VERDWENEN. In de nacht van maandag op dinsdag is de klok uit de stationshal weggenomen. Het stuk, zesendertig kilo verguld koper, hing er sinds de opening van het station in 1924. De politie sluit niemand uit en vraagt iedereen die die nacht op het Stationsplein geweest is, zich te melden.
De heer Th. Crombez, uitbater van het hotel aan de overkant, verklaarde aan onze medewerker dat hij de hele nacht naar het concert uit Brussel heeft zitten luisteren en niets ongewoons heeft gemerkt. Het bureau aan de Kaaistraat werd door de familie van de schenker met een eigen onderzoek belast.
De Vaerdonkse Bode, dinsdag 13 oktober 1926, eerste blad
Leg het programmablad naast wat Crombez in de krant en in verklaring 4 zegt. Wat klopt er niet, en hoe zeker ben je van die fout? Schrijf je zekerheid erbij in één zin.
Waarom is het krantenbericht een zwakkere bron dan het programmablad van de omroep?
Je kent al vragen waarop iemand met oui of non antwoordt. Zet je er een vraagwoord voor, dan moet de ander iets vertellen. In een verhoor is dat precies wat je wil.
Schrijf elke vraag in het Frans. Let op het vraagteken en op de spatie die het Frans daar altijd voor zet.
| in het Nederlands | in het Frans |
|---|---|
| Waar was u om middernacht? | |
| Wanneer bent u naar beneden gekomen? | |
| Wie hebt u aan de balie gezien? | |
| Waarom hebt u de politie niet gebeld? |
Bedenk zelf twee vragen die jij aan Crombez zou stellen: één met où en één met pourquoi. Schrijf ze in het Frans en zet er de Nederlandse vertaling onder.
Madame Ghislaine Doret uit Rijsel sliep die nacht in kamer 7 van Hotel Elektra. Jij stelt de vragen in het Frans en schrijft ook haar antwoorden in het Frans op.
| wat de tolk vroeg | wat zij antwoordde |
|---|---|
| Waar was u om middernacht? | Ik was in mijn kamer. |
| Wanneer bent u naar beneden gekomen? | Om half een. |
| Wie hebt u aan de balie gezien? | Niemand. De balie was leeg. |
| Waarom bent u naar beneden gekomen? | Omdat ik warm water wilde. |
Schrijf het verhoor uit. In de tweede kolom jouw vraag in het Frans, in de derde haar antwoord in het Frans, in een volle zin.
| wat je wil weten | ta question | sa réponse |
|---|---|---|
| waar ze was om middernacht | ||
| wanneer ze naar beneden kwam | ||
| wie ze aan de balie zag | ||
| waarom ze naar beneden kwam |
Wat madame Doret zegt, spreekt één zin uit verklaring 4 tegen. Schrijf ze onder elkaar: eerst haar zin in het Frans, daarna zijn zin in het Nederlands.
Boven de Sterrenklok zit een glasraam in de vorm van een waaier: stralen die uit één punt vertrekken, elk even ver van de vorige.
Meet of reken elke hoek uit. Zet erbij of je gemeten of gerekend hebt.
| welke hoek | hoeveel graden? |
|---|---|
| tussen twee naburige punten van de twaalfpuntige ster | |
| tussen de punt van 12 uur en die van 3 uur | |
| tussen de punt van 12 uur en die van 4 uur | |
| tussen de twee wijzers om 4.30 u | |
| tussen de twee wijzers om 1.30 u |
Om 6.00 u staan de wijzers in een gestrekte hoek. Hoeveel graden is dat, en op welke twee hele uren krijg je precies 90°?
Een figuur is spiegelsymmetrisch als je er een as door kan trekken waarlangs de ene helft precies op de andere valt. Een art-decopatroon heeft er meestal meer dan één.
Teken een halve cirkel met straal 4 cm en de rechte kant onderaan. Zet stralen op 0°, 45°, 90°, 135° en 180°: dat geeft vier vakken. Spiegel de halve cirkel daarna om de rechte kant, zodat er een volle waaier van acht gelijke vakken staat, en zet in elk vak hetzelfde blokje, telkens gespiegeld.
Hoeveel graden meet elk van je acht vakken? Hoeveel symmetrieassen heeft de volledige waaier? Teken ze erbij met een stippellijn en leg uit hoe je zeker weet dat je er geen vergeten bent.
In de logica krijgt elke bewering maar twee mogelijke waarden: waar of onwaar. Met en, of en niet bouw je er nieuwe beweringen mee, en dan ligt de uitkomst vast.
Vul de waarheidstabel volledig in. Schrijf waar of onwaar, niet ja of nee.
| A | B | A EN B | A OF B | NIET A |
|---|---|---|---|---|
| waar | waar | |||
| waar | onwaar | |||
| onwaar | waar | |||
| onwaar | onwaar |
Zet elke zin om naar EN, OF of NIET, en beoordeel hem daarna voor de nacht van 12 oktober.
| zin uit het dossier | EN, OF of NIET? | waar of onwaar? |
|---|---|---|
| De klok sloeg om middernacht én om één uur. | ||
| De dader had een sleutel of hij kwam door de hoofdingang. | ||
| Bierens was niet in de hal tussen 00.05 en 01.05 u. |
In het zand voor de dienstdeur liepen twee wielsporen, 60 cm uit elkaar.
| sleutel van de dienstdeur | wie heeft ze | aantekening |
|---|---|---|
| 1 | stationschef Vandeputte | sinds 9 oktober in Brussel, terug op 15 oktober |
| 2 | nachtwaker G. Bierens | in dienst sinds 1915 |
| 3 | Hotel Elektra, voor de bagage van de reizigers | afgegeven bij de opening in 1924 |
| 4 | uurwerkmaker Verhaeghe | ingeleverd op 3 mei 1925 |
| kar | breedte tussen de wielen |
|---|---|
| de bloemenkar van Sneyers | 110 cm |
| de bagagekar van Hotel Elektra | 60 cm |
| de handkar van het posthuis | 75 cm |
De regel luidt: de dader had een sleutel van de dienstdeur EN had géén alibi tussen 00.00 en 01.00 u. Vul de tabel in met waar en onwaar, en zet in de laatste kolom wie er overblijft.
| verdachte | sleutel? | alibi 00.00-01.00 u? | dader volgens de regel? |
|---|---|---|---|
| Bierens | |||
| Vermeulen | |||
| Sneyers | |||
| Crombez |
Welke kar past op het spoor van 60 cm, en van wie is die kar? Wat bewijst dat wel en wat niet?
De commissaris wil weten wat je denkt én waarop dat steunt. Elk argument heeft daarom een blad uit dit dossier achter zich, met het bladnummer erbij: wie het nakijkt, wil niet zoeken. Je slot zegt wat hij nu moet doen.
Zoek bij elke bewering het bewijs. Schrijf in de tweede kolom het bladnummer én het getal, uur of zinsdeel waar het op steunt.
| wat je beweert | waarmee je het bewijst |
|---|---|
| De klok verdween tussen 00.00 en 01.00 u. | |
| Vermeulen kon er niet bij zijn. | |
| Bierens kon er niet bij zijn. | |
| Sneyers kon de dienstdeur niet openen. | |
| Crombez heeft twee dingen gezegd die niet kunnen. |
Eén van je vijf regels steunt op meer dan één blad. Welke, en waarom is één argument met twee bewijzen sterker dan twee argumenten met elk één?
Voor ik het rapport schrijf, bedenk ik wat de advocaat zal zeggen. Noem ik het zwakke punt niet zelf, dan doet een ander het, en dan telt het dubbel.
De advocaat zegt: mijn cliënt heeft zich vergist in het uur, meer niet, en een vergissing is geen diefstal. Weerleg dat in drie stappen: toegeven, omdraaien, zwaarder maken.
Nog een tegenwerping: ook de nachtwaker had een sleutel. Weerleg ook die, en zet er een getal of een uur uit het dossier bij.
Aanhef, stelling, drie argumenten met hun bewijs, het tegenargument met je weerlegging, en een slot dat zegt wat er nu moet gebeuren.
Schrijf je rapport in het net. Gebruik blad 22 en blad 23, noem bij elk argument het bladnummer, en lees het daarna hardop na: wat jij niet kan uitspreken, kan de commissaris niet volgen.
Twee dagen na de diefstal verschijnt De Vaerdonkse Bode met een hoofdartikel, een interview, kleine berichten, een radiogids en drie advertenties. De krant weet minder dan jij, en op vier plaatsen schrijft ze iets wat niet kan. Je leest de pagina met regelnummers, legt er het dossier naast, knipt acht kaarten uit, plakt elke getuige en elk voorwerp op het A3-stadsplan en zet je bewijs op een bewijsbord.
Beste assistent, er ligt een tweede pak op je tafel. Geen nieuwe zaak: dezelfde zaak, maar nu het papier dat ik zelf niet geschreven heb. Vanmorgen is De Vaerdonkse Bode verschenen met een volle pagina over onze klok, en die pagina is een geschenk. Niet omdat ze iets weet, wel omdat ze zich vier keer verspreekt.
Lees de krant zoals je een getuige leest: traag, met je potlood erbij. De regels zijn genummerd, en de nummering begint op elk krantenblad opnieuw bij één. Verwijs daarom altijd zo: blad drie, regel vier. Wie dat niet doet, laat de commissaris zoeken, en een commissaris die zoekt, gelooft je niet.
Daarna krijg je zes beelden die de fotograaf van de politie gemaakt heeft, acht kaarten om uit te knippen en het grote stadsplan van onze wijk op één blad. Op dat plan plak je elke getuige waar hij om middernacht stond, en elk voorwerp waar het gevonden is. Eén van die vier getuigen stond niet op het plein; je zal moeten rekenen om te weten waar hij dan wel liep.
Ik zeg je nog altijd geen naam. Ik zeg je wel dit: één zin in die krant kan alleen geschreven zijn door iemand die er die nacht met zijn eigen ogen bij was. Zoek die zin. Als je hem gevonden hebt, weet je genoeg om het tweede rapport te schrijven. — Aurelia Vonck
Aurelia zegt dat de krant zich vier keer verspreekt. Schrijf voor je begint op welke vier soorten fouten jij in een krant zou verwachten bij zo'n zaak, en hoe je elke soort zou kunnen nakijken. Kom na blad 6 terug en zet erbij welke van je vier je echt gevonden hebt.
Zet een streepje naast elke regel die je met een papier uit de bundel kan nakijken. Je hebt er straks vier nodig.
1DE STERRENKLOK NOG ALTIJD ZOEK. Twee dagen na de nacht van maandag op dinsdag is er van de Sterrenklok uit het Noorderstation geen spoor. De politie heeft niemand aangehouden en wil over het onderzoek niets kwijt. De familie van de schenker looft vijfhonderd frank uit voor wie het stuk terugbrengt.
2Het gaat om zesendertig kilo verguld koper, met een wijzerplaat in de vorm van een ster met twaalf punten. De klok hing aan vier bouten boven de ingangsboog, op twee meter veertig boven de tegels, en zij hing daar sinds de opening van het station in 1924.
3Wat de politie wel bevestigt: om tien over elf hing de klok er nog, en om vijf over half twee belde de nachtwaker. Tussen die twee uren is zij van de muur gehaald. Hoe zij het gebouw uit geraakt is, wil de tweede afdeling niet zeggen.
4De laatste tram van lijn 7 verliet het Stationsplein die nacht om kwart voor twaalf, zo vernemen wij van de maatschappij. Wie na dat uur nog van het plein weg wilde, moest te voet of met de fiets.
5Onze medewerker sprak met de bloemenverkoopster die elke avond op het plein staat. Zij had haar kraam naar eigen zeggen al om elf uur afgebroken en was ruim voor middernacht thuis op de Vlasmarkt. Zij heeft niemand het station zien binnengaan.
6Op de vraag of de dienstdeur in de Kaaistraat die nacht op slot was, kregen wij van het station geen antwoord. De stationschef is tot vrijdag in Brussel en zijn plaatsvervanger verwijst naar de politie.
7Wie die nacht op of rond het Stationsplein geweest is, wordt verzocht zich te melden bij de tweede afdeling. Daarnaast doet het bureau aan de Kaaistraat, in opdracht van de familie, een eigen onderzoek. De Bode volgt de zaak.
De Vaerdonkse Bode, donderdag 14 oktober 1926, eerste blad
1ONS GESPREK MET DE NACHTWAKER. Gustaaf Bierens is tweeënzestig en doet sinds 1915 de nachtdienst in het Noorderstation. Hij ontving ons woensdagavond in de wachtzaal, met zijn pet nog op en zijn boekje in de hand.
2Wanneer hebt u de klok het laatst zien hangen? — Om tien over elf, toen de sneltrein wegreed. Ik ga dan altijd onder de boog staan om de wijzers te vergelijken met mijn eigen horloge. Zij hing er, zo zeker als ik hier zit.
3En daarna? — Om drie voor twaalf ben ik naar de seinpost vertrokken. Twaalf minuten stappen langs de berm, elke nacht dezelfde weg. Pauwels zet daar koffie en schrijft zijn boek bij; ik ben gebleven tot vijf over een.
4Hebt u de klok die nacht horen slaan? — Zeker. Twaalf slagen om middernacht, en om één uur nog eens die ene slag. Ik tel ze mee zonder er bij na te denken, dat doe ik al elf jaar.
5Waarom belde u dan pas om vijf over half twee? — Omdat het aardedonker was toen ik terugkwam. Het licht in de hal deed het niet en ik heb eerst met de hand moeten schakelen. Pas toen zag ik de lege muur.
6KORT BERICHT. STORING IN DE STADSCENTRALE. De centrale aan de vaart laat weten dat er in de nacht van maandag op dinsdag geen enkele storing is geweest. De leidingen werden op de gewone uren afgesloten en weer aangezet. Welke uren dat zijn, deelt de centrale niet mee; die gegevens gaan alleen naar de politie.
De Vaerdonkse Bode, donderdag 14 oktober 1926, tweede blad
| de radiogids van woensdagavond | wat er te horen was |
|---|---|
| 18.00 - 19.00 u | berichten, marktprijzen en de weerkaart |
| 19.30 - 21.00 u | gesproken voordracht en pianomuziek |
| 21.00 - 23.30 u | concert uit de grote zaal te Brussel |
| 23.30 u | goedenacht; elke avond einde uitzending tot 07.00 u |
Een zetter kiest zelf in welke volgorde de kleine berichten staan. Kijk naar de eerste letter van elk bericht en zet ze in die volgorde onder elkaar.
1Kaartclub De Sterre houdt zaterdag haar jaarlijkse prijskamp in de bovenzaal van het gemeentehuis. Inschrijven kan tot vrijdagavond bij de secretaris.
2Aardappelen zijn op de markt een frank per zak goedkoper geworden. De handelaars wijten het aan de milde herfst en verwachten geen verdere daling.
3Regen en wind uit het noorden, meldt de weerdienst, tot en met zaterdag. Voor zondag wordt opklaring verwacht, met kans op nachtvorst in het binnenland.
4Schoolkinderen van de stadsschool hebben hun zwemproef behaald in het bad aan de Melkbrug. Elf van de veertien deelnemers slaagden bij de eerste poging.
5Postkantoor Noord is vrijdag de hele dag gesloten wegens de verhuizing van de loketten naar de gelijkvloerse verdieping. De brievenbus blijft in gebruik.
6Op de vaart is een aak vastgelopen ter hoogte van de stadscentrale. De sleepdienst heeft haar dinsdagmiddag weer vlot gekregen; de scheepvaart liep twee uur vertraging op.
7Onze lezers vragen waarom de straatlantaarns in de Kaaistraat 's nachts gedoofd worden. De stad antwoordt dat stroom geld kost en dat er na middernacht niemand meer loopt.
8Rijwielen mogen voortaan niet meer tegen de gevel van het station worden gezet. De politie kondigt aan dat zij zal wegnemen wat er na zondag nog staat.
De Vaerdonkse Bode, donderdag 14 oktober 1926, derde blad
1ADVERTENTIE. HOTEL ELEKTRA, tegenover het Noorderstation. Zesentwintig kamers, warm water op elke verdieping, eigen bagagekar die uw koffers tot aan de trein brengt. Bij ons brandt altijd licht: toen maandagnacht om twintig voor één de hele stationshal donker viel, brandde bij ons elke lamp.
2ADVERTENTIE. RIJWIELHANDEL SEGERS, Kaaistraat 31. Herstellingen terwijl u wacht, carbidlampen gevuld en nagekeken, tweedehands rijwielen vanaf honderd frank. Open van zeven tot zeven, ook op zondagvoormiddag.
3ADVERTENTIE. WERKHUIS DE COCK, aan de kade. Bagagekarren en handkarren op maat, wielbreedte naar keuze zestig, vijfenzeventig of honderdtien centimeter. Wij herstellen ook wielen van vreemde makelij; levering binnen de week.
4VERLOREN. Tussen het Stationsplein en de Vlasmarkt, in de nacht van maandag op dinsdag, een grijze wollen handschoen van de rechterhand. Terug te bezorgen aan de bloemenkraam op het plein, tegen een kleine beloning.
5INGEZONDEN. Mijnheer de hoofdredacteur, ik woon boven de kruidenier in de Kaaistraat. Maandagnacht ben ik wakker geworden van een kar op de kasseien, ergens tussen middernacht en één uur. Ik heb niet gekeken. Mijn vrouw zegt dat het de postkar was, maar die komt pas om half twee en die hoor ik anders nooit. — G. Wuyts, Kaaistraat 9
De Vaerdonkse Bode, donderdag 14 oktober 1926, achterblad
Een advertentie is geen bericht van de krant. De klant schrijft ze zelf en betaalt per regel. De krant kijkt niet na of het klopt.
Eén van deze vijf stukjes bevat een gegeven dat de krant zelf niet kende. Schrijf het stukje en het gegeven op, en leg uit met welke twee bladen uit de bundel jij bewijst dat de schrijver het alleen ter plaatse kan gezien hebben.
Een krant schrijft op wat men haar vertelt. Jij legt er een papier naast dat niemand kon bijsturen: een logboek, een dienstregeling, een stroomboek, een verklaring die ondertekend is.
Vier regels uit de krant kloppen niet met het dossier. Vul de tabel in. Schrijf in de tweede kolom blad én regelnummer van dit bijvoegsel, en in de derde het bladnummer uit de bundel waarmee je het nakijkt.
| wat de krant beweert | blad en regel | waarmee je het nakijkt | klopt het? |
|---|---|---|---|
| De laatste tram vertrok om kwart voor twaalf. | |||
| De bloemenverkoopster was ruim voor middernacht thuis. | |||
| De nachtwaker hoorde om één uur nog een slag. | |||
| Om twintig voor één viel de hele stationshal donker. |
Drie van de vier zijn gewoon onwaar. De vierde is waar, en dat is juist het vreemde. Leg uit waarom een ware zin verdacht kan zijn, en zeg wie hem volgens jou onmogelijk uit de krant of van de politie kon hebben.
De nachtwaker vergist zich over de slag van één uur. Betekent dat dat hij liegt? Schrijf twee verschillende verklaringen op voor zijn fout, en zet erbij welke van de twee jij waarschijnlijker vindt en waarom.
Eerst de beginletters. Daarna de advertentie. En als laatste het plan erbij, want een uur zonder plaats is maar de helft van een bewijs.
Zet de eerste letter van elk van de acht kleine berichten van blad 4 onder elkaar, in de volgorde waarin ze gedrukt staan. Welk woord lees je? Schrijf erbij naar welk spoor uit de bundel dat woord verwijst.
Neem de advertentie van blad 5, regel 1 erbij. Schrijf het uur op dat erin staat. Zoek daarna in de bundel het papier waar datzelfde uur op staat, en schrijf op blad 3 van dit bijvoegsel de regel over waaruit blijkt dat de krant dat uur niet kende.
Kijk op het A3-stadsplan. In welk vakje ligt de balie van het hotel, en in welk vakje de dienstdeur? Noteer beide vakjes en meet met de schaalbalk hoeveel meter er tussen ligt.
Zoek in elk beeld één ding dat je met een papier uit het dossier kan koppelen: een uur, een breedte, een teken.
Koppel elke plaat aan een papier uit de bundel. Schrijf in de tweede kolom wat je precies ziet, en in de derde het bladnummer waarmee het klopt of botst.
| plaat | wat je ziet | welk blad uit de bundel |
|---|---|---|
| 1 · de klok en de haak | ||
| 2 · de twee sporen | ||
| 3 · de kar |
Twee van deze drie beelden tonen een stand die je kan vergelijken met een tabel uit de bundel.
Vul in wat elk beeld bewijst en wat het juist niet bewijst. Wees streng: een leeg krukje bewijst niet waar iemand wel was.
| plaat | dit bewijst het | dit bewijst het niet |
|---|---|---|
| 4 · de wijzer van het toestel | ||
| 5 · de lege balie om half een | ||
| 6 · de stempel van 23.35 u |
Elke kaart valt uiteen in twee stukken. Knip het beeldje af langs de stippellijn en knip het bij tot ongeveer 24 mm breed: dan past het in een gestreept vak op het A3-plan. Het stuk met de naam en de tekst gaat op het bewijsbord van blad 11.
Op het plan staan acht gestreepte vakken: vier voor een getuige en vier voor een voorwerp. Een dun lijntje wijst telkens naar de plek. Drie getuigen stonden om middernacht op het plein; de vierde was onderweg.
Een bewijs is nooit één ding. Het is een uur, een plaats, een voorwerp en een persoon die alle vier naar hetzelfde wijzen. Ontbreekt er één, dan heb je een vermoeden en geen bewijs.
Lees je twee volle regels hardop. Wijzen ze naar dezelfde persoon? Schrijf in één zin op wat je bord bewijst, en in één zin wat het nog niet bewijst.
De baard van een sleutel is een rij tanden. Elke tand heeft een hoogte, en het slot heeft daar precies de omgekeerde vorm.
Knip de sleutel rechtsonder op het A3 uit. Lees de vier tandhoogtes af en schrijf ze op. Leg de sleutel daarna op elk van de vier slotplaten die onderaan het plan staan, en vul de tabel in.
| deur | de vier tandhoogtes | past de sleutel? |
|---|---|---|
| de hoofdingang | ||
| de dienstdeur in de Kaaistraat | ||
| de kelderdeur van het hotel | ||
| de deur van de seinpost |
Deze sleutel is de sleutel die de uurwerkmaker in mei 1925 heeft ingeleverd. Wat bewijst het dat hij op de dienstdeur past, en wat bewijst het uitdrukkelijk niet? Schrijf allebei een volle zin.
Hoeveel verschillende baarden kan je maken met vier tanden die elk een hoogte 1, 2, 3 of 4 hebben, als elke hoogte maar één keer voorkomt? Reken het uit en leg je redenering uit.
Je schrijft niet aan de politie maar aan de krant. Noem de regel die fout is, zeg met welk papier je het nakijkt, en vraag om een verbetering. Geen naam van een verdachte: dat is het werk van de commissaris.
Schrijf je brief aan de hoofdredacteur van de Bode. Begin met een aanhef, noem drie regels uit zijn krant met blad en regelnummer, zet bij elke regel het papier waarmee je het nakijkt, en sluit af met wat je van hem verwacht. Lees hem daarna hardop na.
Welke van je drie regels is voor de krant het pijnlijkst, en waarom juist die?