Deze bundel is een doorlopende expeditie naar Station Witberg, een verzonnen onderzoeksstation op het ijs. Je pakt in met kommagetallen en een verhoudingstabel, rekent met temperaturen onder nul, leest breedte- en lengtegraden, scheidt in het logboek van de teamleider de waarnemingen van de gevolgtrekkingen, schrijft in het Frans terug naar je Canadese teamgenote en zet een route om in een algoritme met een herhaling. In de meesterproef komt een storm eerder dan verwacht en moet alles opnieuw.
Super plus 1 is de eerste van acht bundels en ligt net boven de gewone weekbundels. Alles hangt aan een verhaal: een team van vier vertrekt in de zomer naar een station op het ijs en de leerling is logistiek- en logboekverantwoordelijke. De vakken zijn met opzet niet gescheiden. Een blad met een tekst wordt op het volgende blad een berekening, en die berekening komt vier bladen verder terug in een bericht aan de basis. Nieuw terrein: kommagetallen met twee decimalen in een echte vrachtlijst, de verhoudingstabel personen maal dagen, negatieve getallen en temperatuurverschillen over het nulpunt, breedte- en lengtegraad als adres, het verschil tussen waarneming en gevolgtrekking in een logboek, het Frans van zich voorstellen met être en avoir, en een route als algoritme met herhaling en keuze. De bladen 1 tot 3, 4 tot 6, 7 tot 9, 10 tot 12, 13 tot 15, 17 tot 19 en 20 tot 22 zijn telkens een stuk van drie dat in volgorde hoort. Reken op drie tot vier lesuren.
Station Witberg staat op een ijsvlakte, drie dagen reizen ten noorden van de kust. Het is geen dorp en geen gebouw met verdiepingen: het zijn vier houten units op poten, een werkhut, een brandstofdepot en een mast met een windmeter. In de zomer werken er teams van vier, nooit meer en nooit minder.
Maaike Vergauwen leidt dit team. Zij meet hoe dik het ijs is en houdt het logboek bij. Élise Tremblay komt uit Québec en spreekt Frans; zij onderzoekt wat er in het smeltwater leeft. Nils Haugen is Noor en houdt de motoren, de radio en de kachels aan de praat. En jij bent de vierde.
Jij bent de logistiek- en logboekverantwoordelijke. Jij telt. Hoeveel eten er mee moet en hoeveel brandstof, hoever het volgende depot ligt, hoe koud het die nacht geweest is en hoeveel er van het rantsoen over is. Wie dat verkeerd noteert, laat het team op dag tien zonder soep zitten of een depot missen.
Alles op zo een station vertrekt van een getal dat iemand opgeschreven heeft. Er is geen winkel, geen kraan en geen weg terug tussendoor. Wat niet op de vrachtlijst staat, ligt er ook niet. Wat je vergeet te wegen, sleep je onnodig mee of heb je juist te weinig van.
In deze bundel doe je het werk van die vierde persoon, van het inpakken tot het bericht dat je op dag negen naar de basis stuurt. Wat je op het ene blad uitrekent, heb je vier bladen verder opnieuw nodig. Hou je antwoorden dus bij.
Verdeel het werk. Zet bij elke taak wie ze doet en waarom juist die persoon.
| taak op het station | wie doet ze | waarom juist die persoon |
|---|---|---|
| de dikte van het ijs meten | ||
| onderzoeken wat er in het smeltwater leeft | ||
| de kachel en de radio aan de praat houden | ||
| het rantsoen en het logboek bijhouden |
Je weet al hoe je kommagetallen optelt. Hier telt het echt: 0,05 kg te weinig per persoon per dag wordt over twaalf dagen 2,40 kg te weinig.
| onderdeel van het rantsoen | kg per persoon per dag |
|---|---|
| havermout en melkpoeder | 0,18 |
| warme maaltijd, gedroogd | 0,25 |
| soep, thee en suiker | 0,09 |
| noten, kaas en repen | 0,22 |
| boter en vet | 0,06 |
Tel de vijf posten op. Hoeveel kilogram eet één mens hier op één dag? Schrijf de som met de komma's netjes onder elkaar.
Nils wil de boter schrappen om gewicht te sparen. Hoeveel kg per persoon per dag blijft er dan over, en hoeveel scheelt dat op vier personen in twaalf dagen?
Eén mens eet hier 0,80 kg per dag. Vier mensen op twaalf dagen zijn 4 x 12 = 48 persoonsdagen.
| aantal dagen | 1 | 2 | 3 | 6 | 12 |
|---|---|---|---|---|---|
| kg rantsoen voor 4 personen | 3,20 |
Vul de verhoudingstabel in. Schrijf eronder welke stap je gebruikt hebt om van 3 dagen naar 6 dagen te gaan.
Het weerbericht zegt dat de terugvlucht drie dagen later kan worden. Hoeveel kg rantsoen moet er dan extra mee, voor vijftien dagen in plaats van twaalf?
Elke slee draagt hoogstens 30 kg. Hoeveel sleeën heb je nodig voor het rantsoen van vijftien dagen, en hoeveel kg ligt er in de laatste?
Boven de poolcirkel komt de zon in de zomer wekenlang niet onder. Ze zakt wel: rond middernacht staat ze laag en warmt ze bijna niets meer op.
Temperatuur mag je niet optellen: 2 graden plus 2 graden is geen 4 graden. Het verschil tussen twee temperaturen berekenen mag wel, en dat doe je hier vaak.
Waarom kan het hier 's nachts vriezen terwijl het licht blijft? Schrijf je uitleg in twee zinnen en gebruik het woord schuin.
Zet bij elke bewering of je ze met een thermometer kan nameten. Zo niet: wat zou je dan wel meten?
| bewering uit het kamp | meetbaar met een thermometer? | wat zou je dan meten? |
|---|---|---|
| De nacht van dag 6 was de koudste van de week. | ||
| Het voelde vandaag kouder aan dan gisteren. | ||
| Het ijs onder de tent is harder geworden. |
Van -9 naar +2 is elf graden stijgen: eerst negen graden naar nul, dan twee erbij. Op een getallenlijn tel je gewoon de stappen.
| dag | overdag | 's nachts | verschil |
|---|---|---|---|
| 1 | -1 | -11 | |
| 2 | +4 | -7 | |
| 3 | +2 | -9 | |
| 4 | -3 | -14 | |
| 5 | 0 | -12 | |
| 6 | -5 | -18 | |
| 7 | +1 | -8 | |
| 8 | -2 | -13 |
Vul de laatste kolom in. Op welke dag stonden dag en nacht het verst uit elkaar, en op welke dag het dichtst bij elkaar?
Zoek de hoogste en de laagste meting van de hele week en bereken hoeveel graden ertussen zitten.
Bij negatieve getallen draait je gevoel om: -18 is kleiner dan -7, ook al lijkt achttien groter dan zeven. Hoe verder links, hoe kouder.
Bereken de gemiddelde nachttemperatuur van de acht dagen. Tel eerst alles op, deel dan door acht en schrijf je antwoord met een komma.
Doe hetzelfde voor overdag. Hoeveel graden liggen de twee gemiddelden uit elkaar?
Om elke plek op aarde een adres te geven, zijn er twee families lijnen getrokken. Ze bestaan niet echt: je ziet ze alleen op een kaart.
Antwerpen ligt op ongeveer 51 graden NB. Station Witberg ligt op 74 graden NB: dat is 23 breedtegraden noordelijker, en één breedtegraad is ongeveer 111 km.
Zet bij elk adres wat je eruit kan afleiden: ligt de plaats boven of onder de evenaar, en ten westen of ten oosten van de nulmeridiaan?
| adres | boven of onder de evenaar | ten westen of ten oosten |
|---|---|---|
| 74 graden NB, 42 graden WL | ||
| 51 graden NB, 4 graden OL | ||
| 0 graden, 23 graden OL | ||
| 33 graden ZB, 18 graden OL |
De kolommen zijn lengtegraden westerlengte, de rijen breedtegraden noorderbreedte. Waar een rij en een kolom elkaar kruisen, staat wat daar ligt.
| 46 WL | 44 WL | 42 WL | 40 WL | 38 WL | |
|---|---|---|---|---|---|
| 76 NB | de IJsrug | ||||
| 75 NB | Depot 2 | ||||
| 74 NB | Depot 1 | Station Witberg | |||
| 73 NB | Depot 3 | ||||
| 72 NB | Landingsbaan | ||||
| 71 NB | Havikbaai |
Noteer de adressen. Schrijf telkens eerst de breedte, dan de lengte.
| plaats | adres |
|---|---|
| Station Witberg | |
| Depot 1 | |
| Depot 2 | |
| de Landingsbaan |
De radio meldt: wij staan op 73 graden noorderbreedte en 40 graden westerlengte. Waar staan ze, en hoeveel graden liggen ze ten zuiden van het station?
Een breedtegraad is overal ongeveer 111 km. Lengtecirkels lopen naar de polen toe naar elkaar toe: op 74 graden NB is één lengtegraad nog maar ongeveer 31 km.
Van het station naar Depot 2 is precies één breedtegraad noordwaarts. Hoeveel kilometer is dat ongeveer?
Van het station naar Depot 1 is precies twee lengtegraden westwaarts. Hoeveel kilometer is dat hier ongeveer, en hoeveel zou het op de evenaar zijn?
Hoeveel kilometer korter is één lengtegraad hier dan één breedtegraad? En hoeveel keer korter, ongeveer?
Welke plaats op het rooster ligt het verst naar het westen, en welke het verst naar het noorden?
Vandaag opnieuw boven nul: plus twee graden om kwart over twee in de namiddag. Om vier uur vannacht stond dezelfde thermometer op min negen. Het smeltwater onder de brandstofton is 's middags weggelopen en vannacht weer dichtgevroren.
Vanmorgen zag ik een scheur in het ijs, ongeveer vier meter ten oosten van de ton. Ze is een halve meter breed en de peilstok gaat er tot dertig centimeter in zonder ergens op te stoten. Vorige week stond ik daar nog met twee kisten.
De scheur is er gekomen door het warme weer. Dat lijkt mij duidelijk genoeg: het is nu drie dagen na elkaar zacht geweest, en nergens anders op de vlakte scheurt het.
Nils zegt dat het aan de trillingen van de generator ligt. Hij heeft de generator sinds gisteren twintig meter verder gezet. Élise heeft een potje water uit de scheur geschept en zegt dat ze er iets in heeft zien bewegen.
Ik verplaats de ton morgenvroeg. Niet omdat ik zeker weet wat er gebeurd is, maar omdat ik tweehonderd liter brandstof niet wil laten staan boven een scheur waarvan ik de bodem niet zie.
Onderstreep elke zin waarin de teamleider zelf iets gezien of gemeten heeft. Wat valt je op aan de derde alinea?
Vandaag precies nul graden overdag en min twaalf vannacht: twaalf graden verschil, het grootste tot nu toe. De wind is gedraaid naar het noordwesten en trekt sinds de avond aan.
Élise heeft het water uit de scheur onder de lens gelegd. In één druppel telde ze veertien beestjes van minder dan een millimeter lang. Ze zegt dat die hier het hele jaar zitten en dat ze in het ijs kunnen bevriezen zonder dood te gaan.
Als dat klopt, dan leeft er onder onze tenten meer dan wij dachten. Ik schrijf er wel bij dat ik het zelf niet door de lens gezien heb.
De scheur is sinds gisteren vier centimeter breder geworden; ik heb het met de lat gemeten, op dezelfde plek als eergisteren. De generator staat nu twintig meter verder en Nils zegt niets meer over trillingen.
Het rantsoen klopt. Wij zitten aan het eind van dag vijf en er is 16,00 kg op, precies 3,20 kg per dag voor vier mensen. Er zit nog 22,40 kg in de sleeën. De logistiek heeft goed geteld.
In dit logboek staan twee zinnen waarin de teamleider iets opschrijft dat ze niet zelf gezien heeft. Zoek ze en schrijf op waaraan je dat merkt.
Een waarneming is wat je met je ogen, je lat of je thermometer vaststelt. Een gevolgtrekking is wat je daaruit besluit. Allebei horen ze thuis in een logboek, maar door elkaar gehusseld is zo een boek niets meer waard.
Zet bij elke zin uit het logboek wat het is. Schrijf in de laatste kolom hoe je het zou kunnen nagaan, of waarom dat niet kan.
| zin uit het logboek | waarneming of gevolgtrekking | hoe zou je het nagaan |
|---|---|---|
| Om vier uur vannacht stond de thermometer op -9. | ||
| De scheur is er gekomen door het warme weer. | ||
| In één druppel telde Élise veertien beestjes. | ||
| Onder onze tenten leeft meer dan wij dachten. | ||
| De scheur is vier centimeter breder geworden. | ||
| Nils zegt dat het aan de trillingen van de generator ligt. |
Herschrijf de zin over het warme weer zo, dat een lezer meteen ziet dat het een besluit is en geen meting.
Salut ! Je m'appelle Élise Tremblay. Je suis canadienne et j'habite à Québec. J'ai vingt-sept ans. Je suis biologiste.
Dans l'équipe, nous sommes quatre. Nils est norvégien. Il a trente-quatre ans. Maaike est belge. Elle a trente et un ans.
Ici, il fait froid. Aujourd'hui, il fait moins douze degrés. La nuit, il fait moins dix-huit degrés. Mais il ne fait pas nuit : le soleil ne se couche pas.
Et toi ? Comment tu t'appelles ? Quel âge as-tu ? Tu es belge ? Est-ce que tu as un frère ou une soeur ? Quel temps fait-il chez toi ?
À bientôt ! Élise
Lees de brief twee keer. Schrijf dan in het Nederlands vier dingen op die je nu over Élise weet.
In de brief van Élise staan bijna alleen vormen van être en avoir. Wie die twee kent, kan zich in het Frans voorstellen.
| être (zijn) | avoir (hebben) | |
|---|---|---|
| je / j' | suis | ai |
| tu | es | as |
| il / elle | est | a |
| nous | sommes | avons |
| vous | êtes | avez |
| ils / elles | sont | ont |
Vul de tabel aan. Let goed op de vorm voor een vrouw.
| land | il est ... | elle est ... |
|---|---|---|
| la Belgique | belge | belge |
| la Norvège | norvégien | |
| le Canada | canadienne | |
| les Pays-Bas | néerlandais |
Vul in met de juiste vorm: Nils norvégien. Nous quatre. J' onze ans. Tu belge ?
Schrijf vijf of zes zinnen terug. Gebruik je naam, je leeftijd, je land en het weer bij jou, en antwoord op minstens twee vragen van Élise.
Schrijf je antwoord in het Frans. Vijf of zes zinnen, en begin met Salut Élise !
Er is op het station geen kraan. Elke liter water die je drinkt of waarmee je kookt, was een halfuur eerder nog sneeuw. Dat klinkt handig, want sneeuw is er genoeg, maar het is het lastigste stuk huishoudwerk van de dag.
Sneeuw lijkt veel en is het niet. Een pan tot de rand vol losse, verse sneeuw levert maar een bodempje water op: tussen de vlokken zit vooral lucht. Wie een liter water wil, moet dus verscheidene keren bijscheppen.
Smelten kost bovendien verrassend veel warmte. Om ijs van nul graden om te zetten in water van nul graden moet er energie in, terwijl de thermometer ondertussen geen enkele graad stijgt. Pas als het laatste stukje ijs weg is, begint het water zelf op te warmen.
Daarom gaat de brander hier niet aan om de tent warm te krijgen, maar om te kunnen drinken. Wij rekenen met 1,20 liter brandstof per dag voor het hele team: koken, sneeuw smelten en thee, alles samen.
Nils heeft een truc die hij van zijn grootvader heeft. Hij doet altijd eerst een bodempje water in de pan en schept er dan pas sneeuw bij. Sneeuw op een droge, hete bodem verbrandt vanonder en smelt daarboven niet mee.
En hij legt er een deksel op. Een open pan laat de warmte meteen naar het tentdak gaan, waar ze niets meer doet dan condens maken. Een deksel is hier geen netheid maar brandstof die je niet verstookt.
Hoeveel liter brandstof heeft het team nodig voor twaalf dagen, en hoeveel voor vijftien?
Leg in je eigen woorden uit waarom Nils eerst een bodempje water in de pan doet en er daarna een deksel op legt.
Op een vlakte zonder herkenningspunten loop je op kompas en op passen. Een route is dan een lijst stappen. Staat er een stuk meer dan een keer in, dan schrijf je het een keer op met herhaal ervoor.
Hier staat de route van het station naar Depot 1. Reken uit hoeveel meter je in totaal noord gaat en hoeveel meter west.
| stap | wat je doet |
|---|---|
| 1 | 300 m noord |
| 2 | herhaal 4 keer: 200 m west, 100 m noord |
| 3 | 150 m west |
Schrijf nu zelf de route naar Depot 2 met één herhaling. Ze moet uitkomen op 1450 m noord en 600 m west.
Waarom is een herhaling makkelijker te onthouden dan zes losse stappen, en waar loopt het mis als je verkeerd telt?
De terugweg is dezelfde route achterstevoren, met elke richting omgedraaid: noord wordt zuid, west wordt oost. De totalen blijven precies gelijk.
| stap | wat Nils opschreef |
|---|---|
| 1 | 250 m zuid |
| 2 | herhaal 3 keer: 200 m oost, 400 m zuid |
| 3 | 200 m oost |
Tel na. Hoeveel meter zuid en hoeveel meter oost levert de route van Nils op?
Waar komt het team uit, en waarom is tweehonderd meter naast het station in dichte mist een echt probleem?
Verbeter de route. Schrijf ze opnieuw op, in zo weinig mogelijk stappen.
De eerste twee gebruikte je al op blad 17 en 18. De derde komt erbij zodra het ijs niet meegeeft zoals gepland.
Schrijf de veiligheidsstap als een keuze. Vul aan: als de peilstok dieper dan 30 cm wegzakt, dan , anders .
Bouw nu een route met alle drie de bouwstenen. Van het station naar Depot 1 is het 700 m noord en 950 m west. Gebruik één herhaling en één keuze, en schrijf per regel één stap.
Aan het team van Station Witberg. Het lagedrukgebied dat wij gisteren ten westen van jullie zagen, is versneld. Wij verwachten vanaf dag twaalf zware wind en slecht zicht, drie tot vier dagen aan een stuk.
Wij halen jullie daarom vroeger op. Het vliegtuig landt op dag elf op de Landingsbaan, negenhonderd meter zuid en twaalfhonderd meter oost van het station. Na dag elf komt er niets meer tot de storm voorbij is.
Wij hebben van jullie nodig, voor middernacht: hoeveel rantsoen jullie werkelijk nog nodig hebben en wat er overblijft, de gevoelstemperatuur op de vier gemelde momenten met daarbij of jullie mogen verplaatsen, en de route naar de Landingsbaan in stappen.
Stuur er een kort bericht bij waarin jullie verantwoorden wat jullie beslissen. Wij lezen het voor aan de piloot voor hij opstijgt.
Blad 21 is je rekenblad, blad 22 je bericht. Werk in die volgorde en laat je tussenstappen staan: de basis wil niet alleen je besluit, maar ook hoe je eraan komt.
Onderstreep in het bericht de drie dingen die de basis voor middernacht van jullie wil.
Er is gegeten tot en met dag negen en jullie blijven tot en met dag elf. Hoeveel kg van de 38,40 kg is er op, hoeveel heb je nog nodig, en hoeveel laat je achter in het depot?
Het team verplaatst niet als de gevoelstemperatuur onder -30 zakt. Gevoelstemperatuur = gemeten temperatuur plus de aftrek van de wind.
| wind | aftrek |
|---|---|
| 20 km per uur | -7 |
| 40 km per uur | -11 |
| 50 km per uur | -13 |
| 60 km per uur | -14 |
Vul per moment de gevoelstemperatuur in en zet erbij of het team mag verplaatsen.
| moment | gemeten | wind | gevoelstemperatuur | verplaatsen? |
|---|---|---|---|---|
| dag 10, 06 uur | -16 | 50 km/u | ||
| dag 10, 13 uur | -18 | 60 km/u | ||
| dag 11, 05 uur | -12 | 40 km/u | ||
| dag 11, 11 uur | -9 | 20 km/u |
De Landingsbaan ligt 1200 m oost en 900 m zuid van het station. Schrijf de route in zo weinig mogelijk stappen, met één herhaling erin.
Een verantwoording is geen verslag. Je zegt wat je beslist en daarna waarom, met je eigen getallen erbij. De piloot moet eruit kunnen opmaken of hij op dag elf kan landen.
Schrijf je bericht. Tussen de 80 en 120 woorden; tel ze na en zet het aantal onderaan.
Bij de bundel hoort een envelop: negen dagen dagboek van Maaike Vergauwen, een reeks beelden uit het kamp, zeven voorraadkisten om te knippen en een grote ijskaart om op te plakken en op te meten. In dat dagboek staan twee dingen die niet allebei waar kunnen zijn, en in de laatste alinea's zit een woord verstopt dat de teamleider niet hardop durfde te schrijven.
Je weet al hoe je een positie in graden noteert. Hier staan beide manieren naast elkaar.
Zoek de vier plaatsen op het bord. Schrijf telkens het vakje op en daarna het adres in graden, eerst de breedte.
| plaats | vakje | adres in graden |
|---|---|---|
| Station Witberg | ||
| Depot 2 | ||
| de Landingsbaan | ||
| Havikbaai, de basis |
Ga met je vinger van Depot 1 naar het station. Door welk vakje kom je, en hoeveel graden ga je naar het oosten?
Eén plaats op dit bord ligt zowel het verst naar het noorden als het verst naar het oosten. Welke, en wat is haar adres?
1Dag 1. Om tien voor elf zette het toestel ons neer op de Landingsbaan, vak G5, tweeënzeventig graden noorderbreedte en veertig graden westerlengte. Zeven kisten gingen de sneeuw op. De vrachtlijst ging met het toestel mee terug naar Havikbaai, en dat is mijn fout: ik had ze in mijn binnenzak moeten steken.
2Wij weten wel wat er in elke kist zit, want dat staat op het deksel, maar niet meer welke kist waar hoort. Ik heb ze met houtskool gemerkt van A tot G en ze in de luwte van het rek gezet. Vanavond beslissen wij welke drie in de depots blijven en welke vier naar het station gaan.
3Een handslee draagt hier hoogstens dertig kilogram. Dat is geen richtlijn maar de breekgrens van de disselboom; Nils heeft er vorig jaar een doormidden horen gaan, op honderd meter van de hut. Min één graad vandaag, en een wind die de vlag nauwelijks beweegt.
4Dag 2. Van de Landingsbaan recht naar het noorden, één graad ver, naar vak G4. Daar staat Depot 3: twee stijlen, twee planken, een merkstok en verder niets. Het rek is leeg. De reserveradio ligt nog op de Landingsbaan, want de tweede vlucht heeft niet kunnen landen.
5Plus vier graden, het zachtste dat ik hier ooit gemeten heb. Élise heeft sneeuw van drie diepten meegenomen en Nils heeft het merkbaken nagekeken. Ik heb het lege rek getekend en er de dag bij gezet, want een leeg rek wordt later altijd iemands woord tegen dat van een ander.
6Dag 3. Om kwart over twee in de namiddag plus twee graden; vannacht om vier uur stond dezelfde thermometer op min negen. Om zes uur 's avonds stonden wij op Station Witberg, vak E3, vierenzeventig graden noorderbreedte en tweeënveertig graden westerlengte. De vier units staan er nog zoals wij ze vorig jaar achtergelaten hebben.
7Onder de brandstofton ligt smeltwater dat overdag wegloopt en 's nachts weer dichtvriest. Vier meter ten oosten van de ton loopt een scheur door het ijs. Ik heb hem opgemeten en in het logboek gezet; hier schrijf ik alleen dat ik er niet rustig van word en dat ik de ton morgen verzet.
Drie vakjes van het bord worden in deze zeven regels genoemd. Zet ze met potlood aan op het grote blad en schrijf er hier de regelnummers bij.
1Dag 4. Nils is vanmorgen met de motorslee naar het westen vertrokken, twee graden ver, naar vak C3. Daar ligt Depot 1 en daar hoort de brandstof. Hij blijft één nacht weg. Min drie overdag, en vannacht is het de koudste nacht tot nu toe geweest.
2Ik heb de depotlijst bijgewerkt. Depot 1 krijgt de brandstof zodra Nils er is, Depot 3 krijgt de reserveradio zodra die van de Landingsbaan komt, en Depot 2 is gevuld en gesloten. Daarmee staat alles waar het hoort en kan die lijst voorlopig de kast in.
3Dag 5. Precies nul graden overdag en min twaalf vannacht. De wind is naar het noordwesten gedraaid en trekt sinds de avond aan. Élise heeft water uit de scheur onder de lens gelegd en telde in één druppel veertien beestjes van minder dan een millimeter. Nils is om negen uur terug van Depot 1.
4Sinds vanavond staat de merkstok bij de ton scheef, en niemand van ons heeft hem aangeraakt. Ik zet er morgen een tweede naast, met een touw ertussen, zodat ik kan zien welke van de twee beweegt. Wie niet meet, gelooft na drie dagen vanzelf wat hem het beste uitkomt.
5Dag 6. Vanmorgen zijn Élise en Nils met de motorslee naar het noorden vertrokken, één graad ver, naar vak E2. Daar ligt Depot 2, en daar moet het reserverantsoen naartoe: eten voor vier mensen, vier dagen lang. Zij blijven twee nachten weg.
6Min vijf overdag en min achttien vannacht. De wind staat krachtig uit het noordwesten en de kachel trekt slecht. Ik laat hem liever uit dan dat ik hem onbewaakt laat branden terwijl ik zelf in de meethut zit.
7Twee mensen minder in een kamp voor vier is stiller dan ik verwacht had. Ik heb de hele avond aan de mast gestaan en de windmeter om het halfuur afgelezen. Alles wat ik las, staat in de weerpost op de kaart; alles wat ik dacht, staat hier.
Op dit blad staat één zin die onmogelijk waar kan zijn op de dag waarop hij geschreven is. Onderstreep hem en noteer hier zijn regelnummer.
Zoek eerst het kleinste ding dat je echt kan aflezen. Pas daarna vergelijk je het met een tabel of een regel.
Zoek in de weerpost op het bord de nacht waarin min veertien gemeten is. Welke dag is dat?
Welk depot staat op het tweede beeld, en welke kist hoort op die afgetekende plaats?
Élise komt uit Canada. Welke van de twee sleeën is de hare, en waaraan zie je dat?
1Dag 7. Om twee uur in de namiddag las ik min vier graden af. De windmeter heeft de hele dag bijna stilgestaan, dus ik heb hem twee keer met de hand rondgedraaid om te zien of hij nog liep. Hij liep. De vlakte lag er zo stil bij dat ik het ijs onder de units hoorde kraken.
2Alleen zijn in een kamp voor vier is vreemd werk. Ik heb de voorraad nageteld, de kisten opnieuw gewogen en alles wat ik woog twee keer opgeschreven: één keer in het logboek en één keer hier. Twee keer opschrijven is het enige wat helpt tegen jezelf.
3Om zes uur heb ik Depot 3 opgeroepen en geen antwoord gekregen. Dat is logisch, want daar staat nog altijd geen radio, maar ik probeer het elke avond. Het kost niets, en het is de enige gewoonte die ik van mijn eerste winter hier heb overgehouden.
4Dag 8. Élise en Nils zijn om halfacht 's avonds terug van Depot 2. Het reserverantsoen staat er nu onder een dubbel zeil en de merkstok is twee meter verzet. Onderweg zijn ze langs Depot 3 gereden: het rek staat daar nog altijd leeg, met de afgetekende plaats er nog open bij.
5Rond middernacht heb ik mijn drie depotlijsten naast elkaar gelegd en ik ben er niet gerust op. Er staat iets in mijn eigen schrift dat niet kan kloppen, en ik weet ook op welke bladzijde. Ik laat het staan zoals het er staat, want doorstrepen maakt van een fout een geheim.
6Dag 9. Om vijf over zeven vanavond kwam het bericht van de basis binnen: het lagedrukgebied is versneld en het toestel haalt ons op dag elf op. Min zeven overdag, min zeventien vannacht, en de wind staat weer krachtig uit het noordwesten. Wij moeten voor middernacht antwoorden.
7Morgen breken wij het halve kamp af en dan pas reken ik alles na. Ik schrijf dit tien minuten voor twaalf, bij het licht van de radiohut. Wil je weten waar ik het bangst voor ben, lees dan de eerste letter van dit stukje en van het laatste stukje van elk van de vier dagen ervoor.
De teamleider zegt op regel 5 dat er iets in haar eigen schrift staat dat niet kan kloppen. Schrijf hier alvast op waar jij zou beginnen zoeken.
Leg één vinger op de zin die je niet gelooft en één op de zin die haar tegenspreekt. Pas als je allebei kan aanwijzen, heb je een bewijs.
In het dagboek staat één temperatuur die niet met de weerpost op het bord klopt. Geef blad en regel, schrijf op wat de teamleider noteert en wat de tabel zegt.
Ergens noemt zij een depot gevuld en gesloten terwijl dat toen nog niet kon. Citeer die regel, en geef daarna de twee regels die haar tegenspreken.
De sporen hierboven lopen recht naar het noorden, weg van het station. Naar welk vakje leiden ze, op welke dag zijn ze gereden, en wat bewijst dat over vraag 2?
Elke dag in het dagboek noemt een richting, een aantal graden of een vakje. Zet ze op volgorde en de hele route komt vanzelf tevoorschijn.
Vul de tabel in met het vakje waar het team die dag was of naartoe reed.
| dag | wat er gebeurde | vakje |
|---|---|---|
| dag 1 | het toestel zet het team neer | |
| dag 2 | langs het lege rek van Depot 3 | |
| dag 3 | aankomst in het kamp | |
| dag 4 | de motorslee naar het westen | |
| dag 6 | de motorslee naar het noorden |
De sleeroute maakt een bocht in plaats van recht van de Landingsbaan naar het station te lopen. Door welk vakje zou die rechte lijn gaan, en wat ligt daar?
Zet de eerste letters van de laatste alinea van dag 5, 6, 7, 8 en 9 achter elkaar. Welk woord krijg je, en waarom heeft zij het zo opgeschreven?
Op de sneeuw bij de Landingsbaan staan zeven kisten, gemerkt van A tot G. Drie ervan horen in een depot; de vier andere gaan met de twee handsleeën naar het station.
| depot | vakje | wat daar moet liggen |
|---|---|---|
| Depot 1 | C3 | brandstof voor de terugweg, twintig liter |
| Depot 2 | E2 | eten voor vier mensen, vier dagen lang |
| Depot 3 | G4 | een tweede radio, met accu en antenne |
Knip eerst blad 9 uit. Welke kist hoort in welk depot? Schrijf bij elk depot de letter en het gewicht, en plak de kist daarna in het juiste gestreepte vak op het bord.
Vier mensen eten hier samen 3,20 kg per dag. Klopt het gewicht van de kist voor Depot 2 met vier dagen eten? Laat je berekening zien.
Lees eerst alle zeven de deksels. Schrijf op een kladblaadje welke drie in een depot horen; dan knip je pas.
Schrijf onder elke slee het totaal in kilogram, met twee cijfers na de komma.
Er is maar één verdeling mogelijk. Leg uit waarom kist D niet samen met kist E kan, niet samen met kist F, en ook niet alleen op een slee.
De kaartjes liggen hier door elkaar en er staat geen dag op. Alleen het dagboek vertelt je welk kaartje bij welke dag hoort.
Eén kaartje past nergens goed. Leg het toch op de plaats waar het volgens het dagboek hoort, en vergelijk het daarna met de weerpost op het bord.
Leg alle negen kaartjes los op de tijdlijn en controleer de volgorde nog een keer met het dagboek. Pas dan de lijmstift.
Vergelijk elk kaartje met de weerpost op het bord. Op welke dag botst het? Schrijf allebei de getallen op.
Kijk in de weerpost op het bord: op hoeveel dagen stond de meting van twee uur boven nul, en op hoeveel dagen zakte ze onder min vijf?
De basis wil geen verhaal maar een vaststelling. Noem eerst wat er niet klopt, dan waar het staat, en pas daarna wat jij denkt dat eraan gedaan moet worden.
Schrijf je bericht. Noem allebei de fouten met blad en regelnummer erbij, zeg welke kist er op dag negen nog altijd niet in zijn depot ligt, en eindig met het woord van vijf letters.