Delers in paren zoeken, deelbaarheidstrucs zelf formuleren, ggd en kgv gebruiken in echte situaties, en gewicht leren schatten.
Een deler van 24 is een getal waar 24 precies door te delen is. Delers komen altijd twee aan twee: 3 hoort bij 8, want 3 keer 8 is 24.
Zoek alle delers. Schrijf ze in paren op, dan zie je zelf wanneer je klaar bent.
| getal | delers in paren | hoeveel delers? |
|---|---|---|
| 18 | ||
| 24 | ||
| 25 | ||
| 29 | ||
| 36 | ||
| 48 |
Welk getal uit de tabel heeft de meeste delers, en welk de minste? Wat is er bijzonder aan dat laatste getal?
Voor sommige getallen bestaat er een kijktruc: je ziet aan het getal of het deelbaar is. Deze drie krijg je cadeau.
Zet in elk vakje ja of nee. Deel niet: kijk, tel of gok en controleer daarna.
| getal | door 2? | door 3? | door 4? | door 9? |
|---|---|---|---|---|
| 132 | ||||
| 245 | ||||
| 918 | ||||
| 720 | ||||
| 567 |
Tel bij elk getal uit de tabel de cijfers bij elkaar op. Zet die som ernaast. Vergelijk daarna de sommen van de getallen die deelbaar zijn door 3 met die van de andere. Wat valt je op?
Schrijf nu je eigen truc op voor 3 en je eigen truc voor 9. Test ze daarna op vier getallen boven de 1 000 die niet in de tabel staan.
Een getal dat deelbaar is door 9, is altijd ook deelbaar door 3. Leg uit waarom. Klopt het omgekeerde ook? Geef een voorbeeld uit de tabel.
Schrijf de delers van twee getallen onder elkaar. Wat in allebei de rijtjes staat, zijn gemeenschappelijke delers. De grootste heet de grootste gemene deler, kortweg de ggd.
Zoek alle gemeenschappelijke delers en duid de grootste aan.
| twee getallen | gemeenschappelijke delers | ggd |
|---|---|---|
| 24 en 36 | ||
| 18 en 30 | ||
| 45 en 60 | ||
| 16 en 25 |
De vloer van een berghok is 120 cm breed en 90 cm diep. Je wil hem helemaal beleggen met vierkante tegels die allemaal even groot zijn, zonder te snijden. Hoe groot is de grootste tegel die past, en hoeveel tegels heb je er dan van nodig? Teken je plan en zet de maten erbij.
Je maakt zakjes met 42 koeken en 56 stukjes fruit. Elk zakje moet evenveel koeken en evenveel stukjes fruit krijgen, en er mag niets overblijven. Hoeveel zakjes kan je hoogstens maken, en wat zit er dan in één zakje?
Bij één paar in de tabel is de ggd gelijk aan 1. Wat betekent dat als je die twee getallen eerlijk zou willen verdelen?
De veelvouden van 6 zijn 6, 12, 18, 24 en zo verder, eindeloos. Zet je twee zulke rijen onder elkaar, dan zie je getallen die in allebei voorkomen.
Schrijf van elk getal de eerste acht veelvouden op.
| getal | de eerste acht veelvouden |
|---|---|
| 6 | |
| 8 | |
| 9 |
Omcirkel de getallen die zowel bij 6 als bij 8 staan, en daarna die bij 6 en 9. Wat is telkens het kgv?
Zoek het kgv. Je hoeft niet altijd alle veelvouden op te schrijven: probeer eerst of het grootste getal al past.
| twee getallen | kgv |
|---|---|
| 4 en 10 | |
| 9 en 12 | |
| 5 en 7 | |
| 6 en 8 |
Bus 3 vertrekt om de 12 minuten, bus 7 om de 18 minuten. Om 8.00 uur vertrekken ze samen. Wanneer vertrekken ze weer samen, en hoe vaak gebeurt dat nog voor 10.00 uur?
Het rekenwerk is niet het moeilijke. Het moeilijke is beslissen wat je moet uitrekenen. Twee soorten vragen komen steeds terug.
Beslis eerst, reken daarna. Schrijf in de middelste kolom alleen ggd of kgv.
| situatie | ggd of kgv? | antwoord |
|---|---|---|
| Vuurtorens knipperen nu samen, om de 15 s en om de 20 s. Wanneer weer? | ||
| Linten van 84 cm en 105 cm in even lange stukken knippen, zo lang mogelijk. | ||
| Zwemmen om de 4 dagen, turnen om de 6. Vandaag allebei. Over hoeveel dagen weer? | ||
| 36 blauwe en 60 witte knikkers over zoveel mogelijk kinderen verdelen. | ||
| Tandwielen van 8 en 14 tanden: na hoeveel tanden weer in de beginstand? |
Kies twee situaties uit de tabel, één van elke soort, en leg uit aan welk woord in de opgave jij het gezien hebt.
Bedenk nu zelf twee vraagstukken: één waarvoor je de ggd nodig hebt en één waarvoor je het kgv nodig hebt. Gebruik in allebei de getallen 12 en 18. Schrijf de antwoorden klein op de achterkant.
Gewicht meet je in gram en kilogram. Wie een paar vaste referenties kent, hoeft nooit meer te gokken: je vergelijkt gewoon met iets wat je al weet.
| houvast | weegt ongeveer |
|---|---|
| een paperclip | 1 g |
| een ei | 60 g |
| een pak suiker | 1 kg |
| een fles water van 1 liter | 1 kg |
| een leerling van tien jaar | 35 kg |
Schat het gewicht. Schrijf er eerst bij met welk houvast je vergelijkt.
| voorwerp | waarmee vergelijk je? | jouw schatting |
|---|---|---|
| een schoolboek | ||
| een banaan | ||
| een volle boekentas | ||
| een fiets |
Drie van deze zes beweringen kunnen niet kloppen: een appel weegt 2 kg, een fiets weegt 15 kg, een boterham weegt 30 g, een leerling van tien weegt 350 g, een auto weegt 1,2 ton, een ei weegt 6 kg. Welke drie, en hoe weet je dat?
Van kg naar g zijn het drie stappen naar rechts, dus keer 1 000. Van g naar kg drie stappen naar links, dus delen door 1 000. Een komma is geen nieuwe maat: 2,5 kg is 2 kg en 500 g.
Herleid. Zet er telkens bij of het getal groter of kleiner wordt, en waarom.
| herleiden | antwoord |
|---|---|
| 2,5 kg = ... g | |
| 750 g = ... kg | |
| 3 kg 40 g = ... g | |
| 1 200 g = ... kg | |
| 0,08 kg = ... g | |
| 1 ton = ... kg |
Een doos met zes identieke blikken weegt 3,2 kg. De lege doos weegt 200 g. Hoeveel weegt één blik? Schrijf je tussenstappen op.
In een lift mag hoogstens 600 kg. Er staan al zeven mensen in van gemiddeld 68 kg. Mag er nog iemand van 70 kg bij? Hoeveel kilogram blijft er dan over of komt er te veel?
Je hebt een balans en drie gewichtjes: 1 kg, 2 kg en 5 kg. Welke gewichten kan je precies afwegen als je de gewichtjes alleen op de lege schaal legt? En welk gewicht komt erbij zodra je er ook eentje naast het voorwerp mag leggen?