Een stad van 1647, zeven haltes en een kast met vier cijferringen en drie letterringen. Je meet afstanden op het stadsplan (een apart A3-blad), rekent met eeuwen en Romeinse cijfers, leest een dagboek van een leerjongen, meet een toren met zijn schaduw en puzzelt een archiefplank uit. Vier haltes leveren een cijfer op, drie een letter; samen draaien ze de kast open.

1Onder het stadhuis van Aldenmaar ligt een kelder met een gewelfd plafond. Het is er het hele jaar door zestien graden en nooit vochtig, want papier verkruimelt in de warmte en beschimmelt in het nat. Daar staat het stadsarchief: driehonderdtwintig meter planken vol dozen, laden en banden, met alles wat de stad ooit op papier heeft gezet.
2Eenenveertig jaar lang was Mira Tack er de baas. Ze kende elke doos uit het hoofd, wist van elk stuk wie het geschreven had en kon je zonder opzoeken vertellen op welke plank iets van 1612 stond. Toen ze met pensioen ging, zette ze de oudste stukken van Aldenmaar in de ijzeren kast achteraan, draaide de zeven ringen door elkaar en gaf de code aan niemand.
3In plaats daarvan liet ze een brief achter. Wie de kast wil openen, schreef ze, moet eerst de stad leren lezen: de vakjes van het stadsplan, de jaartallen op de gevels, de steen waaruit de muren bestaan, de oude maten en de woorden boven de deuren. Op zeven plaatsen in Aldenmaar liet ze een aanwijzing achter, en bij elke aanwijzing hoort een opdracht. Vier ervan geven een cijfer, drie geven een letter. Zet ze in de juiste volgorde en de zeven ringen draaien open.
Je krijgt geen teken cadeau. Elke vondst verdien je met meten of lezen.
1Ik heb eenenveertig jaar in deze kelder gewerkt en ik heb meer dan eens iemand zien binnenkomen die dacht dat een archief een stapel oud papier is. Het is een ordening. Haal je de ordening weg, dan is het wel degelijk een stapel, en dan is alles wat erin zit even goed weg als verbrand.
2In de ijzeren kast achteraan liggen de oudste stukken van Aldenmaar: de oorkonde van de graaf, drie kronieken op perkament en het koperen zegelstempel van de stad. Ik heb de zeven ringen door elkaar gedraaid. Niet uit plagerij, maar omdat wie die kast opendoet, moet weten wat erin ligt.
3Neem daarom eerst het stadsplan van 1647. Landmeter Jan Coppens heeft de hele stad in vakjes van honderd meter gelegd, van A tot L en van 1 tot 8, met het noorden boven. Alles wat ik je vraag, staat op dat blad: de poorten, de markt, de kerk, de kraan aan het water en het huis met de uil boven de deur.
4Zeven plaatsen, zeven vondsten. Vier cijfers voor de bovenste ringen, drie letters voor de onderste. Reken alles twee keer na voor je aan het slot begint, want een kast met zeven ringen vergeeft geen enkele slordigheid.

Mira zegt: een archief zonder ordening is een stapel, en dan is alles even goed weg als verbrand. Leg in je eigen woorden uit wat ze daarmee bedoelt.
Zoek op blad 2 het huis met de uil boven de deur. In welk vakje staat het?
Je weet al hoe je een vakje aanwijst. Op een plattegrond komen er twee regels bij.

Zoek elk gebouw op het stadsplan en schrijf het vakje op.
| gebouw of plek | vakje |
|---|---|
| het Belfort op de Grote Markt | |
| het Stadsarchief, met de uil boven de deur | |
| de Sint-Ursulakerk | |
| de Lakenhal | |
| de havenkraan aan de Aldene |
Vul de windstreek en de afstand in. Meet van het midden van het ene vakje tot het midden van het andere en rond af op 50 m.
| van | naar | windstreek | afstand |
|---|---|---|---|
| Noordpoort (F2) | Zuidpoort (F7) | ||
| Westpoort (B5) | Oosterpoort (J5) | ||
| Belfort (F4) | Stadsarchief (E5) | ||
| Sint-Ursulakerk (H3) | het kerkhof (I3) |
Van de Noordpoort naar de Zuidpoort is het 500 m in vogelvlucht. Toch loop je altijd verder. Leg uit waarom.

Vul de meetstaat in. Schrijf ook op hoeveel vakjes je telt of meet.
| van | naar | vakjes | afstand |
|---|---|---|---|
| Noordpoort (F2) | Belfort (F4) | ||
| de molen (C2) | Noordpoort (F2) | ||
| Westpoort (B5) | Stadsarchief (E5) | ||
| Belfort (F4) | Oosterpoort (J5) | ||
| Lakenhal (G6) | de havenkraan (H7) |
De muur is 1 200 m lang en draagt tien torens, gelijk over de ronde verdeeld. Hoeveel meter ligt er tussen twee torens? En hoeveel minuten doe je over de hele ronde als je 4 km per uur wandelt?
Zoek in de legende hoe lang de stadsmuur is. Schrijf dat getal in meter. Het eerste cijfer is je eerste vondst.

1Vandaag is het een jaar geleden dat mijn vader mij hier bracht. Ik ben elf en ik slaap op de zolder boven de smidse. Meester Bavo zegt dat ik zeven jaar in de leer blijf, dat ik geen loon krijg en dat ik aan zijn tafel eet. Dat is zo afgesproken, niet door hem, maar door de gilde.
2Een gilde is een vereniging van mensen met hetzelfde ambacht. Wie in Aldenmaar smeedt om te verkopen, moet lid zijn. De gilde schrijft haar regels op in een boek dat de keur heet: hoe zwaar een hoefijzer moet zijn, hoeveel het mag kosten, en wie er mag werken. Ik vond dat streng, tot meester Bavo mij het uitlegde.
3In een stad waar niemand het brood weegt, zei hij, wordt het brood elk jaar een beetje kleiner. Daarom controleert de gilde haar eigen leden het strengst. Een bakker die bedriegt, maakt alle bakkers verdacht, en dan koopt de boer zijn brood buiten de muur.
4Aldenmaar telt zes gilden en elk heeft een eigen huis aan de markt, met een eigen kleur en een eigen plaats in de optocht. Wie tussen twee ambachten in werkt, moet kiezen. Wie nergens lid van kan worden, werkt buiten de poorten, waar de keur niet geldt.
Zoek de zin die uitlegt waarom een gilde juist haar eigen leden het strengst controleert. Schrijf ze over.
1Vandaag is Wouter gezel geworden. Zeven jaar leren zit erop; nu trekt hij van stad tot stad om bij andere meesters te werken. Pas als hij terugkomt met een meesterstuk dat de gilde goedkeurt, mag hij een eigen werkplaats openen. Meester Bavo heeft er drie jaar over gedaan aan het zijne: een slot met zeven ringen, dat nog altijd boven onze deur hangt.
2Ik heb geleerd welk huis van welke gilde is. De bakkers hebben huis 1, wij smeden huis 2, de wevers huis 3, de schippers huis 4, de leerlooiers huis 5 en de schrijnwerkers huis 6. Ons huis staat pal naast het archief, en de schippers zitten het dichtst bij het water. Dat is geen van beide toeval.
3Het geld van de stad komt van de tol. Aan elke poort staat een tolhuis, en wie met een kar wol of graan binnenkomt, betaalt per lading. Daarvan worden de muur, de straten en de klok betaald. De schepenen, de bestuurders van de stad, beslissen waaraan.
4De klok in het belfort is van ons allemaal. Ze luidt het begin en het einde van de werkdag, ze roept de markt open en ze slaat alarm bij brand. Iedereen binnen de muren hoort dezelfde klok, en dus begint iedereen op hetzelfde uur. Buiten de muren begint de dag wanneer het licht wordt.

Wat moest een gezel doen voor hij een eigen werkplaats mocht openen? Noem de twee stappen in de goede volgorde.
Noem twee dingen die in de stad anders zouden lopen als de klok stilviel.

Op het stadsplan staan zes genummerde gildehuizen rond de markt. Zoek ze op en vul de tabel in met blad 7 erbij.
| gildehuis | vakje | welk gilde |
|---|---|---|
| 1 | ||
| 2 | ||
| 3 | ||
| 4 | ||
| 5 | ||
| 6 |
Welk gildehuis staat het dichtst bij de havenkraan in H7? Reken de drie kortste afstanden na en leg uit waarom net dat gilde daar logisch ligt.
In één vakje staan twee gebouwen tegelijk. Welk vakje is dat, en welke twee gebouwen?
Hoeveel gilden telde Aldenmaar? Dat getal is je tweede vondst.
Je weet al hoe je jaartallen ordent. Het benoemen van een eeuw gaat anders dan je verwacht.

| jaartal | wat er in Aldenmaar gebeurde |
|---|---|
| 1247 | de graaf geeft Aldenmaar zijn stadsrechten |
| 1389 | de vestingmuur is klaar: 1 200 m, tien torens, vier poorten |
| 1451 | brand op de Grote Markt, veertig huizen weg |
| 1509 | het belfort krijgt zijn klok |
| 1647 | Jan Coppens meet de stad op en tekent het stadsplan |
| 1712 | de poorten blijven open staan, de tol verdwijnt |
| 1866 | het station komt buiten de Zuidpoort |
In welke eeuw ligt elk jaartal? Schrijf het eeuwgetal als cijfer, bijvoorbeeld 15.
| jaartal | eeuw |
|---|---|
| 1247 | |
| 1451 | |
| 1509 | |
| 1647 | |
| 1712 |
Een kroniek noteert jaar na jaar, ook de jaren waarin niets gebeurde.

Van 1389 naar 1712 spring je eerst naar 1400 (11 jaar), dan naar 1700 (300 jaar), dan naar 1712 (12 jaar). Tel de sprongen op.
Teken een tijdlijn van 1200 tot 1900 waarop 1 cm gelijk is aan 50 jaar. Reken eerst uit hoe lang je lijn wordt en zet daarna de zeven jaartallen erop.
Reken de verschillen uit met de sprongmethode.
| van | tot | hoeveel jaar |
|---|---|---|
| 1247 | 1389 | |
| 1389 | 1712 | |
| 1647 | 1866 |
Hoeveel volle eeuwen liggen er tussen de stadsrechten en het stadsplan? Dat cijfer is je derde vondst.
Zeven tekens, meer zijn er niet. Je telt ze op van links naar rechts, met één regel voor het aftrekken.

Zet om naar gewone getallen. Zet een streepje onder elk stuk waar je moet aftrekken.
| Romeins | gewoon getal |
|---|---|
| MDCXII | |
| MCDXLIV | |
| MDCCXII | |
| MCCXLVII | |
| MDLXXXIX | |
| MDCXLVII |
Schrijf nu zelf 1389, 1509 en 1866 in Romeinse cijfers.
In Romeinse cijfers bestaat geen nul. Je kan er wel mee tellen, maar niet vlot mee rekenen.




Schrijf elk woord in ons Nederlands. Lees het eerst hardop.
| op de steen | in ons Nederlands |
|---|---|
| woecht | |
| coren | |
| ghemaect | |
| vle |
Eén gevelsteen draagt hetzelfde jaartal als het stadsplan in de cartouche. Welke? Zet dat jaartal om; het laatste cijfer is je vierde vondst.

1De schepenen willen zwart op wit weten hoe hoog hun toren is, en ze willen het vóór de zomer. Niemand klimt met een lint naar boven, en niemand zet een lat van zeventig meter tegen een muur. Toch heb ik het vanmiddag in een halfuur geweten, met een stok, een stuk krijt en de zon.
2De zon staat op hetzelfde ogenblik voor alles op deze markt even hoog. Daarom is de verhouding tussen de hoogte van een voorwerp en de lengte van zijn schaduw op dat ogenblik voor alles gelijk: voor een stok, voor een paal, voor een boom en voor een toren van zeventig meter. Zet ik dus één stok rechtop waarvan ik de hoogte ken, dan ken ik meteen de regel voor alles wat erbij staat.
3Ik heb om vier uur gemeten. Mijn stok van 2,00 m gaf een schaduw van 0,60 m: de schaduw is drie tienden van de hoogte, of anders gezegd, de hoogte is de schaduw maal tien gedeeld door drie. Daarna heb ik de schaduw van de paal, van de linde en van het belfort met de krijtlijn afgepast, telkens van de voet tot de punt van de schaduw.
4Eén waarschuwing voor wie mij naleest: meet alles binnen hetzelfde kwartier. De zon zakt, de schaduwen groeien, en wie een halfuur later begint, krijgt een toren die ondertussen gegroeid blijkt te zijn. Ik heb dat als jongen één keer verkeerd gedaan en mijn meester heeft het mij nooit laten vergeten.
Alles is om vier uur gemeten. Zoek eerst de verhouding bij de stok en vul dan de rest aan.
| voorwerp | hoogte | schaduw |
|---|---|---|
| de stok | 2,00 m | 0,60 m |
| de paal | 3,50 m | |
| de linde | 4,20 m | |
| het belfort | 70 m |

Zet om. Rond af waar dat gevraagd wordt.
| omzetten | antwoord |
|---|---|
| 1 roede = ... m | |
| 12 el = ... cm | |
| de stadsmuur van 1 200 m = ... roeden | |
| het belfort van 70 m = ongeveer ... el |
Neem de schaduw van het belfort in meter, die je op blad 13 berekend hebt. Zoek dat getal in de strook hieronder: die letter is je vijfde vondst.

1De onderste meter van het belfort is van arduin: blauwgrijze hardsteen die je aan de fijne zaagsporen herkent. Arduin is een kalksteen. Hij is miljoenen jaren geleden op de bodem van een ondiepe zee ontstaan, uit de schelpen en de skeletjes van zeediertjes die laag op laag zijn samengeperst. Kijk van dichtbij en je ziet hier en daar nog een wit schelpje zitten.
2Steen lijkt dicht, maar dat is hij niet. In elke natuursteen zitten poriën: gaatjes zo fijn dat je ze niet ziet. Regen trekt erin, en in de fundering onder de grond zuigt de steen het vocht zelfs omhoog, zoals een suikerklontje dat je in de koffie hangt. Zolang dat water vloeibaar blijft, gebeurt er weinig.
3Vriest het, dan wel. Water is een van de weinige stoffen die uitzetten als ze bevriezen: ijs neemt ongeveer negen procent meer plaats in dan het water waaruit het ontstond. Dat duwt van binnenuit korrels los. Na vijftig winters is de rand van de steen afgerond, na tweehonderd is hij weg. Dat heet vorstverwering. Regen is bovendien licht zuur, en zuur lost kalk langzaam op.
4Tussen de blokken zit mortel, en die is met opzet zachter gemaakt dan de steen zelf: wat kapot gaat, moet de mortel zijn, want een voeg vervang je op één namiddag. Wie bij een herstelling te harde cement gebruikt, laat de steen het werk doen, en dan barst de steen.
Waarom staat de steen onder een uitstekende lijst er na driehonderd jaar nog scherp bij, terwijl de steen ernaast is afgerond?
Aan welke kant van een gebouw verwacht jij de meeste vorstschade? Leg uit met wat je hier gelezen hebt.




Vul in wat je uit blad 15 en uit de vier platen kan afleiden.
| steensoort | waar in de stad | slijt snel of traag |
|---|---|---|
| arduin | ||
| baksteen | ||
| zandsteen | ||
| leisteen |
Zoek in de tekst van blad 15 met hoeveel procent water uitzet als het bevriest. Zoek dat getal in de strook: die letter is je zesde vondst.
1Je hebt de stad nu gelezen. Dan mag je de kelder in. Boven de deur zit een steen met een uil; dat teken staat ook op het koperen zegelstempel van Aldenmaar, en het staat op mijn kast. Onthoud dat, want je zal het aan het eind nodig hebben.
2Alles hier heeft een adres van vier stukken. Eerst het fonds: van wie de stukken komen, het stadsbestuur, een gilde, een familie. Dan de plank, dan de doos, dan het nummer in die doos. Met dat adres vind ik in twintig seconden terug wat anders onvindbaar is, ook al liggen er tweehonderdduizend bladen om mij heen.
3Papier van de bakkersgilde komt daarom nooit in het fonds van het stadsbestuur, ook al gaat het over hetzelfde brood. Wie een stuk in de verkeerde doos legt omdat het daar logischer in past, verliest het. Niet vandaag, maar over dertig jaar, wanneer niemand meer weet dat hij het verlegd heeft.
4Op de plaatsingslijst staat voor elke plank wat er staat. Raakt die lijst zoek, dan is het archief er nog wel, maar niet meer bruikbaar. Op plank drie staan vier dozen. In één ervan ligt de sleutel van de kast. Welke, zeg ik niet; ik heb wel opgeschreven wat van elke doos klopt.

Bedenk voor je eigen spullen thuis een adres met drie niveaus, en schrijf op waar je turnzak dan ligt.
Waarom is een stuk in de verkeerde doos pas over dertig jaar echt verloren?

Vul de lijst in. Zet onder elke doos het onderwerp en de kleur van het label.
| doos 1 | doos 2 | doos 3 | doos 4 | |
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | ||||
| kleur label |
In het deurtje van de kast staat gegraveerd: PLANCK III · RYE IV. Zet beide Romeinse cijfers om en vermenigvuldig ze. Zoek de uitkomst in de strook: die letter is je zevende vondst.

Je hebt alleen een schaar nodig, en voor de codeschijf een punaise of een splitpen.
| halte | wat je daar oploste | cijfer of letter |
|---|---|---|
| 1 | de lengte van de stadsmuur | |
| 2 | het aantal gilden | |
| 3 | de eeuwen tussen 1247 en het stadsplan | |
| 4 | het jaartal op de steen van de Waag | |
| 5 | de schaduw van het belfort | |
| 6 | hoeveel ijs uitzet | |
| 7 | de gravure in het deurtje |
Je vier cijfers vormen een jaartal. Zoek het terug op blad 2.
Je drie letters vormen een woord. Waar in de stad ben je dat dier al tegengekomen, en waarom past het bij een archief?


Schrijf de volledige code op: eerst de vier cijfers, dan de drie letters.
Een slot met vier cijferringen van 0 tot 9. Hoeveel verschillende codes kan je daarmee maken? Leg uit hoe je aan je antwoord komt.
En met drie letterringen van elk 26 letters? Schrijf de som op en zeg of dat er meer of minder zijn dan bij de vier cijferringen.
Probeer een woord eerst af te leiden uit de zin waarin het stond. Pas daarna kijk je hier.
| woord | wat het betekent |
|---|---|
| landmeter | wie land en gebouwen opmeet en in kaart brengt |
| plattegrond | kaart van bovenaf van een klein gebied |
| schaalbalk | balkje op de kaart dat toont hoe lang honderd meter is |
| cartouche | versierd kader met de titel en het jaar van een kaart |
| belfort | stadstoren met de klok, van de stad zelf |
| gildehuis | het eigen huis van een gilde aan de markt |
| gilde | vereniging van mensen met hetzelfde ambacht |
| ambacht | beroep waarin je met je handen iets maakt |
| keur | het regelboek van een gilde of een stad |
| gezel | wie uitgeleerd is maar nog geen meester |
| meesterstuk | proefstuk waarmee je meester wordt |
| tol | geld dat je betaalde om waren binnen te brengen |
| schepen | bestuurder van een stad, dus geen schip |
| woord | wat het betekent |
|---|---|
| oorkonde | officiële brief met een zegel eraan |
| perkament | schrijfvel van dun bewerkte dierenhuid |
| kroniek | boek waarin jaar na jaar gebeurtenissen staan |
| archief | bewaarplaats van geordende oude stukken |
| fonds | alle stukken die van dezelfde maker komen |
| plaatsingslijst | lijst die zegt wat op welke plank staat |
| gevelsteen | steen met tekst of beeld in een gevel |
| inscriptie | tekst die in steen gehakt is |
| arduin | blauwgrijze harde kalksteen |
| mortel | zachte specie tussen twee stenen |
| verwering | het langzaam slijten van steen door het weer |
| ijkmaat | maat waaraan alle andere getoetst worden |
Kies drie woorden en schrijf met elk een zin over je eigen gemeente.

De vier cijferringen draaien zwaar en knarsend, de drie letterringen lopen soepel alsof ze gisteren nog geolied zijn. Bij de laatste klik zakt de klink en gaat de deur van de ijzeren kast open. Binnenin ruikt het naar stof, naar oud leer en naar koud metaal, en het is er merkbaar koeler dan in de rest van de kelder.
Bovenaan liggen drie kronieken op perkament, met bladen die zo dik zijn dat ze niet omkrullen. Daaronder ligt de oorkonde van 1247, met het zegel er nog aan een lint. En helemaal achteraan, in een doosje met vilt, ligt het koperen zegelstempel van de stad: een uil op een muur, met de letters van Aldenmaar eromheen.
Je vier cijfers zijn het jaar waarin Jan Coppens de stad heeft opgemeten en het plan van blad 2 tekende; je drie letters zijn het dier dat sinds 1612 boven de archiefdeur waakt en dat ook op dit stempel zit. Je hebt afstanden gemeten op het plan, met eeuwen gerekend, Romeinse cijfers omgezet, een schaduw veranderd in een torenhoogte, oude maten herrekend en een archiefplank uitgepuzzeld. Mira Tack had gelijk: je verdient die kast pas als je de stad kan lezen. Het stempel blijft trouwens waar het ligt, en de kast gaat weer dicht — met dezelfde zeven ringen.