Een expeditie van zeven haltes over een eiland dat op geen enkele kaart staat — behalve op die van blad 2. Je peilt richtingen in graden, meet afstanden met de schaalbalk, determineert vogels, leest mee in Delmars logboek en kraakt de code in het scheepsjournaal. Elke halte levert één letter op; samen wijzen ze het vakje aan waar de kist begraven ligt.

Je krijgt geen letter cadeau. Elke vondst verdien je met meten, rekenen, lezen of redeneren.
1Ik schrijf dit met de sloep al in het water. De Zeeraaf ligt op het rif aan de oostkant, met haar boeg omhoog en haar ruim vol zee. Wij zijn allemaal aan land geraakt, mijn kist niet: elf maanden werk, driehonderdveertien geperste planten, elke bladzijde genummerd. Zes mannen kregen haar niet in de sloep. Ik heb haar dus begraven waar ze bij eb droogvalt, en ik heb er met opzet niets bij geschreven.
2Een kaart die iedereen kan lezen, is een kaart die iedereen kan leegroven. Ik heb mijn aanwijzing daarom uit elkaar gehaald en over zeven plekken van dit eiland verdeeld. Elke plek geeft je één letter. Zeven letters maken samen de naam van het vakje waar ik gegraven heb.
3Neem mijn kaart mee. Hij is op vakjes van één kilometer getekend, met het noorden boven, de kolommen van A tot L en de rijen van 1 tot 8. Reken in halve kilometers en peil je richtingen in graden. Twee plekken op mijn kaart dragen bijna dezelfde naam; wie slordig is, graaft aan de verkeerde kant van het eiland en vindt zand.
4Wat je onderweg vindt, is van jou: mijn logboek, mijn vogelaantekeningen, het getijdenrooster dat de havenmeester voor mij opschreef, en ten slotte het journaal dat in het wrak is blijven liggen. Lees ze in die volgorde, want de een verklaart de ander. En haast je niet aan de grot: die kust laat je maar een paar uur per dag toe.

Delmar heeft haar aanwijzing met opzet uit elkaar gehaald. Noem twee redenen die zij daarvoor geeft, en bedenk zelf een derde.
Welke zin in haar brief is een waarschuwing over de kaart? Schrijf hem over en leg uit wat er mis kan gaan.
Op de kaart liggen twee riffen, een in het westen en een in het oosten. Alleen je zeven letters verraden welk van de twee je nodig hebt.
Je weet al hoe je een vakje aanwijst met een letter en een cijfer. Op zee komt daar een tweede taal bij.

Zoek elke plek op de kaart van blad 2 en schrijf het vakje op.
| plek | vakje |
|---|---|
| Delmarbaai, waar je aan land komt | |
| het kamp aan de monding van de Slingerbeek | |
| de hoogste van de Drie Bulten | |
| de Getijgrot aan de oostkust | |
| het wrak van De Zeeraaf |
Peil deze vier tochten. Vul de windstreek voluit in en zet de peiling in graden ernaast.
| van | naar | windstreek | peiling |
|---|---|---|---|
| het kamp (D5) | Delmarbaai (C6) | ||
| de Getijgrot (J5) | het wrak (K4) | ||
| de bron van de Slingerbeek (I7) | de hoogste bult (I6) | ||
| Delmarbaai (C6) | de Zandbank (E8) |
Twee peilingen die precies tegenover elkaar liggen, verschillen altijd 180 graden. Controleer dat met de tocht van het kamp naar de baai en terug.
106.40. Anker uit in de baai die ik naar mezelf noem, want er staat nog geen naam op. Bleek zand, twee vakjes breed, en daarachter loopt het land meteen op. Ik zet mijn eerste kruisje in het vakje waar de sloep de kiezel raakt. Een kaart zonder eerste kruisje is een tekening; met een kruisje wordt het een kaart. Alles wat ik hierna teken, hangt aan dat ene kruisje vast, en dus heb ik het driemaal nagemeten voor ik het zette.
211.20. De beek gevonden die in het noordoosten van de baai in zee loopt. Ik ben hem een stuk gevolgd. Hij slingert zo erg dat ik hem de Slingerbeek doop, en hij komt van ver: uit de heuvels in het zuidoosten, waar ik rook noch huis zie. Het water is koud en helder; ik heb er mijn veldflessen aan gevuld en geen zand op de bodem gezien. Aan zijn monding is de grond vlak en droog. Daar zet ik morgen het kamp.
319.05. Vanaf het strand alles gepeild wat ik zie, en elke peiling in graden genoteerd, want een windstreek alleen is te grof om op terug te varen. De zandbank in het zuidoosten breekt de golven; ik hoor ze van hier. In het noordwesten, ver buiten de branding, staat een streep wit water die er bij eb niet is. Daar zit rots onder. Daar ga ik niet heen. Morgen peil ik alles opnieuw, om te zien of ik dezelfde getallen krijg; een peiling die je maar één keer genomen hebt, is geen peiling maar een gok.

Reken Delmars peilingen na op de kaart. Meet de afstand van het midden van het ene vakje tot het midden van het andere en rond af op een halve kilometer.
| van | naar | windstreek | peiling | afstand |
|---|---|---|---|---|
| Delmarbaai (C6) | het kamp (D5) | |||
| Delmarbaai (C6) | de Zandbank (E8) | |||
| het kamp (D5) | Delmarbaai (C6) | |||
| de bron (I7) | de hoogste bult (I6) |
Peil nu vanaf Delmarbaai (C6) naar de westelijke bult van de Drie Bulten, in H6. Schrijf de windstreek voluit. De eerste letter van dat woord is je eerste vondst.
Onder aan haar kaart staat 1 : 50 000, met een schaalbalk van 0 tot 3 km. Dat is geen versiering maar een rekenregel.

Zet om met de schaal 1 : 50 000. Schrijf er telkens bij of je vermenigvuldigt of deelt.
| op de kaart | in het echt | keer of gedeeld |
|---|---|---|
| 1 cm | ||
| 2 cm | ||
| 7 cm | ||
| 13 cm | ||
| 2 km | ||
| 4,5 km |
Een tweede kaart van hetzelfde eiland heeft schaal 1 : 25 000. Staat het eiland daarop groter of kleiner getekend? Leg uit met een voorbeeld in centimeter.
Op een wandelkaart staat meestal 1 : 25 000: een centimeter is dan 250 meter. Op een wegenkaart van een heel land staat soms 1 : 500 000, en diezelfde centimeter is dan vijf kilometer.
Voor een rechte lijn die schuin over de vakjes loopt, tel je niet: je meet.

Meet de vier rechte lijnen op en vul het register in.
| van | naar | cm op de kaart | km in het echt |
|---|---|---|---|
| Delmarbaai (C6) | het kamp (D5) | ||
| het kamp (D5) | de Getijgrot (J5) | ||
| de Getijgrot (J5) | het wrak op het Oostrif (K4) | ||
| Delmarbaai (C6) | de bron van de Slingerbeek (I7) |
Tel de vier afstanden bij elkaar op. Zoek dat getal in de alfabetstrook hieronder.
Die letter is je tweede vondst.
1Vanaf het kamp anderhalve kilometer naar het noordoosten, en het open land houdt op. Daar begint het woud. Vier vakjes van mijn kaart staan er helemaal vol mee; langs de oostrand, in G4, wordt het ineens laag en open. Ik ben er vanmorgen in gegaan met een schaar en driehonderd lege bladen, en ik ben er pas bij donker weer uit gekomen.
2Varens dragen geen bloem, geen vrucht en geen zaad. Draai een blad om en je ziet waarom: op de achterkant staan rijen bruine stipjes, niet groter dan een speldenknop. In elk stipje zitten duizenden sporen. Een spore is kleiner dan een stofje; de wind tilt hem op en draagt hem soms honderden kilometers ver, over open zee.
3Daarom groeien varens op bijna elk eiland ter wereld, ook op eilanden die nooit met het vasteland verbonden zijn geweest. Wie als eerste aankomt, heeft alle ruimte. Niet alles reist door de lucht: noten en hele boomstammen drijven mee op de stroom, en zo'n stuk drijfhout kan maanden onderweg zijn en toch nog kiemen. Andere zaden liften mee in de veren of in de maag van een vogel.
4Wat niet vliegt, niet drijft en niet meelift, komt hier nooit. Daardoor is een eilandwoud armer dan een bos op het vasteland: er groeien veel minder soorten. Maar de soorten die er staan, staan er in enorme aantallen. Ik heb vandaag negen soorten varens geteld, en één daarvan bedekt bijna de hele helling tussen E5 en F5.


1Met de dieren gaat het anders dan met de planten. Op dit eiland leeft geen enkel groot roofdier. Er is niets dat een vogel op de grond kan verrassen, en dus is wegvliegen hier minder nodig. Op eilanden over de hele wereld zijn daardoor vogels ontstaan met korte vleugels en zware poten, die liever lopen dan vliegen. Ik heb er vandaag drie gezien die pas op het allerlaatste moment wegsprongen, en toen nog lopend.
2Wie zich niet kan verdedigen, verstopt zich. De spikkelgekko is grijsbruin met zwarte vlekjes en ligt overdag doodstil tegen een boomstam. Zolang hij niet beweegt, kijk je er tien keer overheen. Zo'n kleur die precies bij de achtergrond past, heet schutkleur. Ik heb de eerste alleen gevonden doordat ik met mijn potlood over de bast streek en er iets wegschoot dat ik daarvoor tien minuten had staan aankijken.
3Hij is bovendien nachtactief: hij jaagt pas als het donker is. Nachtactieve dieren hebben vaak grote ogen, fijne oren of lange snorharen, want je kan niet jagen op wat je niet ziet. Ik hoor ze 's nachts tegen het doek van mijn tent tikken, en 's morgens zijn ze weg.
4Ik noteer alles in twee kolommen: links wat ik heb waargenomen, rechts wat ik daaruit afleid. Die gewoonte heeft mij meer opgeleverd dan mijn verrekijker. Wie de twee door elkaar haalt, schrijft een boek vol dingen die later niet blijken te kloppen.
Zoek in de aantekening van blad 8 drie manieren waarop een plant op een onbewoond eiland kan belanden. Schrijf ze in je eigen woorden op.
Delmar noemt twee manieren waarop de spikkelgekko niet opgegeten wordt. Welke twee, en welke van de twee werkt ook nog als hij beweegt?

In een veldgids staat bij elk dier wat je zelf kan zien of natellen.




Vul in met ja of nee. Gebruik alleen wat in de veldgids staat.
| dier | nachtactief? | schutkleur? |
|---|---|---|
| de spikkelgekko | ||
| de rifkrab | ||
| de bootstaart | ||
| de varenmuis |
Precies één dier is nachtactief én heeft schutkleur. Welk? Je derde vondst is de beginletter van zijn naam.

112 juni. Wind uit het zuidwesten. Om 06.40 het anker uit in de baai. Aan de oostkant van het strand ligt een strook drijfhout van wel dertig meter lang: takken, wier en een kist zonder deksel. De stroming moet daar alles naartoe duwen. Ik heb er twee planken uit getrokken voor mijn persrek; droog hout is op dit eiland zeldzamer dan drinkwater.
214 juni. Achter de rots bij het kamp is het opvallend stil. Die luwte komt doordat de rots de wind tegenhoudt. De muggen weten dat ook: elf beten in tien minuten. Mijn persrek staat er nu toch, want papier dat waait, droogt niet.
316 juni. De sloep kwam moeizaam vooruit langs de noordkust, onder de Vogelklip. Tegen de wind in, en toch dreven we achteruit: er staat daar een tegenstroom die je aan de oppervlakte niet ziet. Wie hier voor het eerst komt, denkt dat hij verkeerd roeit. We hebben drie kwartier gedaan over een halve kilometer.
418 juni. Tussen de ondiepten bij het Oostrif loopt een diepe vaargeul, drie boothaken breed. Ik heb hem gepeild en op de kaart gezet. Aan de rand ligt wrakhout met koperen nagels. Er is hier eerder een schip vergaan. Ik heb de geul met lijn en lood uitgepeild: zeven meter in het midden, nog geen drie aan de rand.
Zet achter elke zin een W van waarneming of een G van gevolgtrekking.
| zin uit het logboek | W of G? |
|---|---|
| Om 06.40 het anker uit in de baai. | |
| De stroming moet daar alles naartoe duwen. | |
| Achter de rots bij het kamp is het opvallend stil. | |
| Die luwte komt doordat de rots de wind tegenhoudt. | |
| Elf beten in tien minuten. | |
| De vaargeul is drie boothaken breed. | |
| Er is hier eerder een schip vergaan. |
Een waarneming is wat je vaststelt met je zintuigen. Een gevolgtrekking is wat je daaruit besluit.

Schrijf een logboekbladzijde over vandaag. Begin met datum, uur en weer. Zet er minstens vier waarnemingen en twee gevolgtrekkingen in, en gebruik twee woorden uit de woordbank in een eigen betekenis.
Zet de vijf vetgedrukte woorden van blad 11 op alfabetische volgorde. Je vierde vondst is de beginletter van het woord dat precies in het midden staat.

Een sleutel stelt je telkens een vraag met twee antwoorden. Elk antwoord stuurt je door.
| stap | als je dit ziet | dan |
|---|---|---|
| 1a | de vogel is 's nachts actief | de nachtroeper |
| 1b | de vogel is overdag actief | ga naar 2 |
| 2a | de poten zijn langer dan 5 cm | de lepelsnip |
| 2b | de poten zijn korter dan 5 cm | ga naar 3 |
| 3a | de snavel is krom | de varenkruiper |
| 3b | de snavel is recht | ga naar 4 |
| 4a | de staart is gespleten | ga naar 5 |
| 4b | de staart is recht afgesneden | de klipduif |
| 5a | de vogel is wit met grijze vleugels | de rifstern |
| 5b | de vogel is glanzend zwart | de bootstaart |
Duizenden zeevogels die vlak naast elkaar broeden, heten samen een broedkolonie. Dat lijkt onhandig, maar met duizend paar ogen ziet altijd iemand het gevaar aankomen.
Breng de vijf vogels op naam met de sleutel van blad 13.
| vogel | wat je zag | naam |
|---|---|---|
| A | 's nachts actief, bruin gespikkeld, grote ogen | |
| B | overdag boven zee, korte poten, rechte snavel, gespleten staart, wit met grijze vleugels | |
| C | overdag, korte poten, rechte snavel, gespleten staart, glanzend zwart | |
| D | overdag, korte poten, rechte snavel, staart recht afgesneden, grijs | |
| E | overdag, korte poten, kromme snavel, groen |
Schrijf voor vogel C op welke stappen je na elkaar doorlopen hebt. Bijvoorbeeld: 1b, 2b, ...
Op de Vogelklip broedt één van deze vijf in een broedkolonie: de soort die boven zee jaagt en wit is met grijze vleugels. Je vijfde vondst is de beginletter van zijn naam.


1Wie een hele dag aan zee blijft, ziet het water twee keer ver weg trekken en twee keer terugkomen. Dat heet eb en vloed, samen het getijde. Het is geen weer en geen wind: het is de maan.
2De maan trekt aan alles op aarde, ook aan het water van de oceaan. Aan de kant die naar de maan gericht is, bolt het water een beetje op. Aan de andere kant van de aarde gebeurt hetzelfde. De aarde draait onder die twee bulten door, en daarom passeert elke kust ze allebei: twee keer hoogwater per dag.
3Tussen twee hoogwaters zit ongeveer 12 uur en 25 minuten. Die extra minuten komen doordat de maan zelf ook doordraait; de aarde moet er elke dag een stukje bij draaien om haar weer in te halen. Daardoor schuift het hoogwater elke dag ongeveer 50 minuten op.
4Staan de zon, de maan en de aarde op één lijn, bij volle maan en bij nieuwe maan, dan trekken zon en maan samen. Het verschil tussen eb en vloed is dan het grootst. Zo'n extra hoog hoogwater heet springtij.
5Voor Delmar was dat geen weetje maar een dienstregeling. De Getijgrot in J5 loopt bij hoogwater vol tot tegen het plafond. Wie binnen is als het water keert, komt er niet meer uit. Ze rekende elke ochtend uit wanneer haar venster openging en weer dichtviel.
Waarom is er ook hoogwater aan de kant van de aarde die van de maan af gekeerd is? Leg het uit alsof je het aan een jonger kind vertelt.
Bij springtij komt het water hoger dan gewoonlijk. Wat betekent dat voor het venster van de grot?

Vul het rooster aan met de drie regels van blad 15. Controleer daarna of de regel van de 50 minuten klopt.
| gebeurtenis | hoe laat |
|---|---|
| hoogwater, 's ochtends | 06.20 |
| laagwater, rond de middag | |
| hoogwater, 's avonds | |
| hoogwater, morgenochtend |
De grot is veilig vanaf 3 uur na een hoogwater tot 3 uur voor het volgende. Wanneer gaat het venster vandaag open, wanneer valt het dicht, en hoe lang duurt het?
Je hebt 40 minuten nodig om er te raken en wil er een uur blijven. Hoe laat vertrek je?
Neem het uur waarop het venster opengaat, zonder de minuten. Zoek dat getal in de alfabetstrook.

1Een journaal is niet hetzelfde als een dagboek. In een scheepsjournaal noteert de kapitein elk etmaal dezelfde vier dingen: de koers, de afgelegde afstand in zeemijl, de wind, en alles wat afwijkt van gewoon. Delmar hield zich daar strikt aan, al schreef ze onderaan elke bladzijde een zin voor zichzelf.
2De laatste bladzijde is anders. Er staat geen koers op en geen wind. Er staat een rooster van vijf bij vijf vakjes met daarin het hele alfabet, en daaronder een rij getallen van twee cijfers. Helemaal onderaan, in rode was, zit haar lakzegel.
3Waarom zou iemand die alleen op een eiland zit in geheimschrift schrijven? Omdat ze wist dat haar journaal ooit gelezen zou worden. Schepen vergingen, papieren raakten zoek, en een journaal dat aanspoelde ging van hand tot hand. Ze wilde dat haar werk teruggevonden werd, maar niet door de eerste de beste die het boek toevallig opensloeg.
4Haar rooster is eeuwenoud. Elke letter krijgt twee getallen: eerst het nummer van de rij, dan het nummer van de kolom. De B staat in rij 1, kolom 2, en wordt dus 12. De I en de J delen één vakje, want anders zouden zesentwintig letters niet in vijfentwintig vakjes passen.
Eerst de rij, dan de kolom. Wie het omdraait, krijgt een andere letter en een zin die nergens op slaat.

Vul eerst alle rijnummers in, dan alle kolomnummers, en pas daarna de letters. Zo maak je niet twee keer dezelfde fout.
Ontcijfer de dertien tekens en schrijf de hele zin op, met de spaties op de juiste plaats.
Onder haar code drukte Delmar een zegel in rode was. In dat zegel staan geen letters maar twee cijfers.

Leg de vijf rijkaartjes onder elkaar op je bank. Zet daarna je eigen voornaam om in de code van Delmar: per letter twee cijfers.
Waarom delen de I en de J één vakje? Wat zou er aan het rooster moeten veranderen als ze elk een eigen vakje kregen?
Zoek de letter van het lakzegel: rij 2, kolom 1. Dat is je zevende vondst.
Zoek een woord pas op nadat je geprobeerd hebt het uit de zin af te leiden.
| woord | wat het betekent |
|---|---|
| expeditie | een lange, goed voorbereide onderzoeksreis |
| schoener | zeilschip met twee of meer masten |
| peiling | een richting, uitgedrukt in graden |
| schaal | hoeveel keer kleiner iets getekend is dan in het echt |
| schaalbalk | balkje op de kaart dat toont hoe lang een kilometer is |
| legende | lijstje dat uitlegt wat de tekens op een kaart betekenen |
| cartouche | versierd kadertje met de titel van een kaart |
| zeemijl | maat op zee: 1 852 meter |
| rif | rij rotsen vlak onder de waterspiegel |
| zandbank | ondiepte van zand waar de golven op breken |
| vaargeul | diepe strook water waar een schip door kan |
| luwte | plek waar iets de wind tegenhoudt |
| drijfhout | hout dat op zee meedrijft en aanspoelt |
| woord | wat het betekent |
|---|---|
| tegenstroom | stroming die tegen je vaarrichting in loopt |
| getijde | het stijgen en dalen van de zee |
| springtij | extra hoog water bij volle of nieuwe maan |
| spore | stofje waarmee een varen zich voortplant |
| kiemen | beginnen te groeien uit een zaad of een spore |
| schutkleur | kleur die je laat opgaan in je omgeving |
| nachtactief | 's nachts wakker en op jacht |
| broedkolonie | grote groep vogels die vlak bij elkaar broedt |
| determineersleutel | vragenlijst waarmee je een soort op naam brengt |
| logboek | schrift waarin je per dag noteert wat je vaststelt |
| journaal | het officiële dagboek van een schip |
| lakzegel | afdruk in gestolde was, in plaats van een handtekening |
| herbarium | verzameling geperste, gedroogde planten |
De volgorde van de haltes is ook de volgorde van de letters. Ontbreekt er een, ga dan terug naar die halte.
| halte | wat je daar oploste | letter |
|---|---|---|
| 1 | de peiling van Delmarbaai naar H6 | |
| 2 | de vier gemeten afstanden bij elkaar | |
| 3 | het dier met schutkleur dat 's nachts jaagt | |
| 4 | het middelste woord op alfabet | |
| 5 | de vogel van de broedkolonie | |
| 6 | het uur waarop het venster opengaat | |
| 7 | het teken in het lakzegel |
Op de kaart staan twee vakjes met bijna dezelfde naam. Welk vakje is het jouwe? Schrijf de coördinaat op en leg uit waarom het niet het andere is.


Het Oostrif valt bij laagwater droog. Precies daar, tussen twee zwarte rotsblokken in K4, ligt de kist van cederhout. De koperen banden zijn groen uitgeslagen, maar het deksel geeft mee zodra je het zand eromheen weghaalt. Neem er de tijd voor en houd de klok in het oog: het rif valt maar twee keer per dag droog, en telkens maar een paar uur.
Binnenin liggen driehonderdveertien geperste planten, elk met een nummer, een datum en een tekening van de nerven. Dat is het herbarium waarvoor Ravna Delmar elf maanden gevaren heeft. Onderop ligt haar laatste bladzijde, in gewone letters: wie tot hier geraakt is, heeft goed gekeken. Nummer 212 is de varen die tussen E5 en F5 de hele helling bedekt; ze heeft er elf blad van geperst en er onder elk een datum gezet.
Je hebt gepeild en gemeten, met schaal en met getijden gerekend, een sleutel gevolgd, een logboek uitgeplozen en een code gekraakt. Het herbarium ligt nu in het museum van de haven waar De Zeeraaf ooit vertrok, in een kast met glas ervoor. Jouw naam komt op het kaartje ernaast, onder het hare, met de datum van vandaag erbij.