Een rooster waarin de juiste breuken samen een letter vormen, en daarna zelf zo'n puzzel ontwerpen.
In elk vakje staat een breuk. Kleur precies de vakjes in waarin een breuk staat die gelijk is aan 3/4. Samen vormen ze een hoofdletter.
Kleur de vakjes in. Welke hoofdletter verschijnt er?
Hoeveel vakjes heb je ingekleurd, en hoeveel vakjes zijn er in totaal? Welk deel van het rooster is dat? Schrijf die breuk zo kort mogelijk.
Zoek in het rooster twee breuken die wel aan elkaar gelijk zijn, maar niet aan 3/4. Schrijf ze allebei op en toon aan dat ze gelijk zijn.
Een puzzel is pas af als er precies één antwoord mogelijk is. Bij deze sleutel geeft elke breuk één getal, en elk getal één letter: A is 1, Z is 26.
Reken elke breuk uit en zoek de letter. Schrijf het woord daarna in één keer op.
| opgave | getal | letter |
|---|---|---|
| 1/3 van 33 | ||
| 3/4 van 24 | ||
| 3/5 van 15 | ||
| 5/6 van 12 | ||
| 4/7 van 35 |
Ontwerp nu je eigen rooster. Zet in elk vakje een breuk. Kies zelf één breuk als sleutel en zorg dat de vakjes met een gelijkwaardige breuk samen een letter vormen.
Schrijf de opdracht op die bij jouw rooster hoort, en zet er de controle bij: hoeveel vakjes moeten er ingekleurd worden, en welk deel van het rooster is dat?
Geef je puzzel aan iemand anders. Lukt het niet, zoek dan samen welk vakje te dubbelzinnig was.