Intermediate · Oplossingen · 21. De wetten van Kirchhoff StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
SE
StemExpert
I21. De wetten van Kirchhoff — oplossingen
IIntermediate · deel I6 · Elektronica
Oplossingen · hoofdstuk 21De wetten van Kirchhoff
Twee wetten die elk netwerk doorrekenen, van een breadboard tot de voeding van een hele module
Uitgewerkte oplossingen bij de 17 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Wie een verdeelkast begrijpt, ziet knooppunten en mazen: waar stromen samenkomen en waar spanningen verdeeld worden.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
21.1
Knooppunten, takken en mazen tellen
Oefenen3Begrijpen10 min
Bekijk het netwerk. De letters P, Q, S en T staan bij de bolletjes.
Een bron en zes weerstanden.
a
Hoeveel knooppunten heeft dit netwerk? Let op S en T.
Drie: P, Q, en de onderste draad. S en T zijn verbonden door een draad zonder onderdelen: ze liggen op dezelfde potentiaal en vormen samen één knooppunt.
b
Noem alle takken (welke onderdelen zitten in elke tak?).
Vijf takken: (1) bron en R₁ (van de onderste draad naar P), (2) R₂ (P naar onder), (3) R₃ (P naar Q), (4) R₄ (Q naar onder), (5) R₅ en R₆ (Q naar onder).
c
Hoeveel onafhankelijke maasvergelijkingen heb je nodig? Controleer met b−k+1.
b−k+1=5−3+1=3: drie vergelijkingen, één per venster. Met twee knooppuntvergelijkingen (k−1=2) heb je er samen vijf, voor vijf stromen.
d
Welke weerstanden staan in serie? Kan je dit netwerk volledig vereenvoudigen?
R₅ en R₆ staan in serie (één tak), en de bron met R₁. Ja: R₅ + R₆ parallel met R₄, dat in serie met R₃, dat parallel met R₂, dat in serie met R₁. Er is één bron en geen brug, dus het lukt.
21.2
De knooppuntwet toepassen
Oefenen3Rekenen10 min
In knooppunt P komen vier draden samen. De pijl van Ix is gekozen.
Drie bekende stromen en één onbekende.
a
Schrijf de knooppuntwet voor P en bereken Ix.
Erin: 1,20+Ix. Eruit: 0,35+0,40. Dus 1,20+Ix=0,75 en Ix=−0,45A.
b
Loopt Ix in de richting van de pijl? Leg uit.
Nee: het minteken zegt dat er 0,45 A tegen de pijl in loopt, dus P uit naar rechts.
c
De stroom van 0,40 A valt weg (die tak wordt geopend). Wat wordt Ix nu?
1,20+Ix=0,35, dus Ix=−0,85A: nu vertrekt er 0,85 A naar rechts.
21.3
De maaswet toepassen
Oefenen3Rekenen12 min
In een maas staan een bron van 9,0 V en drie weerstanden. Twee spanningen zijn gemeten.
U₁ en U₂ zijn gemeten; U₃ niet.
a
Schrijf de maaswet met de klok mee (stroom ook met de klok mee) en bereken U3.
Bij (e): waarom mag je de 1,0 MΩ in de praktijk weglaten? Waar komt dat terug bij het meten?
Door de tak van 1 MΩ loopt 100 000 keer minder stroom dan door 10 Ω: het verschil is 0,001 %. Zo werkt een voltmeter: hij heeft een heel grote weerstand (±10 MΩ) en verandert daardoor bijna niets aan de schakeling waarover hij hangt.
21.5
Vermogen en de ¼ W-weerstand
Oefenen4Rekenen15 min
Een weerstand van 100 Ω en een van 220 Ω, beide van 0,25 W, worden op een voeding van 12 V gezet: eerst in serie, daarna parallel.
a
Bereken in serie de stroom en het vermogen in elke weerstand.
In welke gevallen wordt een weerstand overbelast? Welke weerstand zou je dan kiezen?
In serie is de 220 Ω al overbelast (0,31 W > 0,25 W). Parallel zijn beide overbelast, de 100 Ω bijna zes keer. Kies 0,5 W voor de 220 Ω in serie; parallel minstens 2 W voor de 100 Ω en 1 W voor de 220 Ω (of een andere schakeling).
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
21.6
Een gemengde schakeling oplossen
Toepassen5Rekenen25 min
Los de schakeling volledig op.
R₁ en R₄ in serie met de parallelle groep R₂ en R₃.
a
Bereken de vervangingsweerstand en de stroom uit de bron.
Een leerling bouwt de proef van het handboek (9,0 V; R₁ = 1,0 kΩ; R₂ = 2,2 kΩ; R₃ = 3,3 kΩ) en noteert: bron 9,00 V; V₁ 3,85 V; V₂ 5,17 V; A₁ 3,89 mA; A₂ 2,34 mA; A₃ 1,05 mA.
De meetopstelling van het handboek.
a
Controleer de maaswet en de knooppuntwet met deze metingen.
Maas: 3,85+5,17=9,02≈9,00V: klopt binnen de meetfout. Knooppunt: 2,34+1,05=3,39=3,89mA: klopt niet.
b
Welke meting is fout? Gebruik de wet van Ohm om het te bewijzen.
Met de wet van Ohm: I2=5,17/2,2=2,35mA (klopt met A₂), I3=5,17/3,3=1,57mA (niet 1,05) en I1=3,85/1,0=3,85mA (klopt met A₁). A₃ is fout; met 1,57 mA klopt ook de knooppuntwet.
c
Geef twee mogelijke oorzaken van die foute meting.
Een slecht contact of een losse krokodillenklem in de tak van R₃ (extra weerstand), een verkeerd bereik of een verkeerd afgelezen cijfer (1,05 in plaats van 1,57), of een weerstand van een andere waarde in die tak (dan zou V₂ wel moeten veranderen: controleer met de kleurcode).
21.8
Labo: Kirchhoff in een schakeling met twee bronnen
Toepassen5Labo50 min
Bouw het netwerk van het voorbeeld 'twee batterijen voeden samen de lampen', maar veilig op kleine schaal: bron A is een voeding op 9,0 V, bron B een 9 V-batterij, met in elke tak een weerstand van 100 Ω (die speelt de inwendige weerstand) en als last een weerstand van 220 Ω.
a
Teken het schema met de stroompijlen en de twee mazen.
Zoals de figuur van het voorbeeld, met 9,0 V en 100 Ω links, de batterij met 100 Ω rechts, en 220 Ω in het midden.
b
Meet de bronspanning van de batterij zonder last. Stel het stelsel op en voorspel de drie stromen.
Metingen binnen enkele procent van de voorspelling; de knooppuntwet klopt voor de metingen op het laatste cijfer.
d
Verklaar de verschillen. Welke bron levert het meest, en waarom?
De bron met de hoogste bronspanning levert het meest (hier de batterij). Verschillen: de batterij heeft zelf ook een inwendige weerstand (enkele ohm) die bij de 100 Ω komt, de weerstanden hebben een tolerantie, en de batterijspanning zakt tijdens de meting.
Zo wordt dit beoordeeld
Schema
Correcte symbolen, pijlen in elke tak, twee mazen met omloopzin.
Voorspelling
Knooppunt- en maasvergelijkingen correct; stelsel opgelost; eenheden.
Meting
Ampèremeter telkens in serie in de juiste tak; drie stromen en een spanning genoteerd.
Besluit
Knooppuntwet gecontroleerd met de metingen; verschillen verklaard (echte bronspanning, tolerantie, inwendige weerstand van de batterij).
21.9
De inwendige weerstand van een 9 V-batterij
Toepassen5Analyseren20 min
Een leerling belast een 9 V-batterij met verschillende weerstanden en meet telkens de stroom en de klemspanning: 0 mA: 9,41 V; 50 mA: 9,31 V; 100 mA: 9,23 V; 150 mA: 9,15 V; 200 mA: 9,04 V; 250 mA: 8,96 V.
a
Zet de klemspanning uit tegen de stroom en teken de best passende rechte.
De punten liggen op een dalende rechte.
b
Bepaal de bronspanning U0 en de inwendige weerstand Ri uit je rechte.
Snijpunt met de verticale as U0≈9,41V; helling ≈(8,96−9,41)/0,250=−1,8V/A, dus Ri≈1,8Ω (kleinste kwadraten: 1,79 Ω en 9,41 V).
c
Hoeveel vermogen gaat er in de batterij zelf verloren bij 200 mA? Hoeveel procent van wat ze levert?
P=RiI2=1,8⋅0,22=0,072W. De batterij levert 9,41⋅0,2=1,88W in totaal, waarvan 3,8 % in haarzelf verloren gaat.
d
Welke kortsluitstroom voorspelt het model? Waarom is dat getal in werkelijkheid kleiner?
I=U0/Ri=9,41/1,8≈5,2A. In werkelijkheid is het minder: bij grote stroom verlopen de reacties in de batterij te traag en stijgt haar weerstand; het model is alleen getest tot 250 mA (extrapoleren is gevaarlijk, hoofdstuk 3).
21.10
Twee AA-cellen parallel: schema en stelsel
Toepassen5Tekenen20 min
Een zaklamp heeft twee AA-cellen parallel. De ene is nieuw (bronspanning 1,55 V), de andere half leeg (1,45 V). Elke cel heeft een inwendige weerstand van 0,20 Ω. Het lampje stel je voor als 5,0 Ω.
a
Teken het schema met de inwendige weerstanden, de stroompijlen en de mazen.
Twee cellen verticaal, + boven, elk met 0,20 Ω in de bovenste draad; het lampje (5,0 Ω) in het midden tussen de bovenste en de onderste draad; pijlen van beide cellen naar het knooppunt, en door het lampje naar onder.
b
Stel de drie vergelijkingen op en bereken de stroom door elke cel en door het lampje.
Wat betekent het teken van de stroom van de lege cel? Waarom is dat voor een alkalinecel een probleem?
Het minteken: de lege cel levert niets, ze wordt door de nieuwe cel geladen met 0,10 A. Alkalinecellen zijn niet oplaadbaar: ze kunnen gas vormen en gaan lekken. Zet dus nooit een volle en een lege cel parallel (F20).
21.11
Python: de voeding van de meetkas als stelsel
Toepassen6Programmeren30 min
In de winter hangt de meetkas aan de 230 V-adapter én aan haar batterij (HABITAT). Model: adapter 13,6 V met 0,30 Ω; batterij 12,6 V met 0,08 Ω; ledstrip 30 Ω; pompje (als weerstand) 18,5 Ω. Alles parallel op één rail.
a
Kies de onbekenden [I_adapter, I_batterij, I_led, I_pomp] en schrijf vier vergelijkingen (één knooppunt, drie mazen).
Uitvoer: Ia=2,87, Ib=−1,75, Iled=0,425, Ip=0,689A; rail 12,74 V.
c
Laadt of ontlaadt de batterij? Laat het programma de adapterspanning van 12,6 tot 13,6 V variëren: vanaf welke spanning laadt de batterij?
Ib is negatief: de batterij laadt (1,75 A) terwijl de adapter alles voedt. Met de lus: 12,6 V: I_b = 0,86 A; 12,8 V: I_b = 0,34 A; 13,0 V: I_b = −0,18 A; 13,2 V: I_b = −0,71 A; 13,6 V: I_b = −1,75 A. De batterij laadt vanaf ongeveer 12,93 V: dan is de rail net 12,6 V en loopt er geen stroom meer uit de batterij. Onder die spanning zou het model de adapter stroom laten opnemen; een echte adapter kan dat niet (vaak zit er een diode in, hoofdstuk 23).
21.12
De kabel naar de meetkas
Toepassen5Rekenen20 min
De 12 V-voeding van de meetkas staat buiten de kas, droog (HABITAT). De kabel naar de verdeling in de kas is 5,0 m lang en heeft twee aders van 0,75 mm² koper. Als alles tegelijk aanstaat, loopt er 1,20 A.
a
Bereken de weerstand van de kabel (heen en terug).
R=0,0172⋅10/0,75=0,229Ω (10 m draad: heen en terug).
b
Welke spanning blijft er over op de verdeling in de kas? Hoeveel vermogen gaat er in de kabel verloren?
Spanningsval 0,229⋅1,20=0,28V: op de verdeling 11,72V. Verlies 0,229⋅1,202=0,33W.
c
Hoeveel vermogen neemt de ledstrip (30 Ω) dan nog op, tegenover 4,8 W op 12 V?
P=11,722/30=4,58W: 5 % minder licht dan op 12 V.
d
Is een kabel van 1,5 mm² de moeite? Reken en besluit.
Met 1,5 mm²: 0,115Ω, val 0,14 V, verlies 0,17 W. De winst is klein zolang alles maar kort tegelijk aanstaat (de pomp 225 s per dag); het meeste van de tijd loopt er maar 0,15 A. Voor 1,20 A volstaat 0,75 mm²; 1,5 mm² is vooral zinvol als de kabel langer wordt of er meer verbruikers komen.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
21.13
Habitat: een display en een wifi-module op de 5 V-rail
Uitdagen6Habitat40 min
De 5 V-rail van de klimaatmodule (handboek: gemiddeld 158,9 mA, piek 361,6 mA) krijgt er twee verbruikers bij: een display van 2 × 16 tekens met achtergrondverlichting (±25 mA) en een wifi-module die de data van de datalogger doorstuurt (gemiddeld ±80 mA, pieken tot ±200 mA bij het zenden, orde van grootte). De omvormer heeft een rendement van 83 % en de rail hangt aan 12,8 V.
a
Bereken de nieuwe gemiddelde stroom en de piekstroom op de 5 V-rail.
Bereken het gemiddelde vermogen en de stroom aan de 12 V-kant. Past het nog in het budget van 3,0 W uit hoofdstuk 20?
P5=5⋅0,264=1,32W; P12=1,32/0,83=1,59W; I12=1,59/12,8=0,124A. Ja: 1,59 W is ruim onder 3,0 W (bij de pieken 3,5 W, maar maar heel kort).
c
Is een omvormer van 1 A nog voldoende? Welke reserve houd je over bij de piek?
Ja: 0,59 A piek tegenover 1 A, dus 41 % reserve. Een omvormer vol laten draaien geeft warmte en spanningsdips; 1 A is een goede keuze, 2 A zou nog rustiger zijn.
d
Hoeveel energie per dag kost de 5 V-rail nu? Vergelijk met de 72 Wh van het budget.
1,59W⋅24h=38Wh per dag, ruim onder de 72 Wh van het budget.
e
De wifi-module komt in de sensorkast op 3,0 m (aders van 0,14 mm²). Welke spanning krijgen de sensoren daar bij de piek? Wat stel je voor?
Piek van het kastje: 150+1,5+4,5+200=356mA. Per ader 0,369⋅0,356=0,131V; aan de sensoren 5,00−0,26=4,74V: nog binnen 4,5-5,5 V, maar krap. Voorstel: dikkere aders (0,5 mm²) of twee aders parallel voor plus en massa, of de wifi-module bij de microcontroller laten.
Zo wordt dit beoordeeld
Knooppuntwet
Stromen correct opgeteld, gemiddelde en piek apart.
Vermogen
Rendement correct gebruikt (P_in = P_uit / η); eenheden; vergelijking met het budget.
Keuze
Omvormer en reserve beoordeeld met de piekstroom.
Kabel
Spanningsval met R = ρL/A en de maaswet; een haalbare oplossing voorgesteld.
21.14
Een brugschakeling
Uitdagen7Rekenen35 min
In deze schakeling zit R₅ als een brug tussen twee takken.
Vijf weerstanden: geen enkel paar staat zuiver in serie of parallel.
a
Waarom kan je deze schakeling niet met serie en parallel vereenvoudigen?
R₅ verbindt de middens van twee takken: R₁ en R₂ staan niet meer in serie (in M vertakt de stroom naar R₅), en geen twee weerstanden staan tussen dezelfde twee knooppunten.
b
Neem de onderste draad als massa en noem de potentialen van M en N VM en VN. Schrijf de knooppuntwet in M en in N, met de stromen uitgedrukt met de wet van Ohm.
Los het stelsel op (met de hand of met numpy). Hoe groot is de stroom door R₅, en in welke richting?
VM=6,627V, VN=6,267V; I5=(VM−VN)/1000=0,360mA van M naar N. De bron levert 5,86mA (Rv=1706Ω).
d
Welke waarde moet R₄ hebben opdat er geen stroom door R₅ loopt? Leid de voorwaarde af.
Geen stroom door R₅ als VM=VN. Dan loopt door R₁ en R₂ dezelfde stroom (spanningsdeler, hoofdstuk 22): VM=10⋅R1+R2R2, en net zo VN=10⋅R3+R4R4. Gelijk als R2R1=R4R3, dus R4=R3⋅R1R2=1500⋅2,2=3,3kΩ. Dat is de brug van Wheatstone (hoofdstuk E22).
21.15
Bewijs: parallel is kleiner dan de kleinste
Uitdagen6Analyseren20 min
Neem n weerstanden R1,R2,…,Rn (allemaal positief) parallel, en noem Rmin de kleinste.
a
Toon aan dat Rv<Rmin.
Rv1=R11+⋯+Rn1>Rmin1, want de term 1/Rmin zit in de som en alle andere termen zijn positief. Omgekeerd (beide kanten positief): Rv<Rmin.
b
Toon aan dat Rv altijd kleiner wordt als je er een weerstand bij zet, hoe groot ook.
Een extra weerstand voegt een positieve term 1/Rn+1 toe aan 1/Rv: die som wordt groter, dus Rv kleiner. Is Rn+1 heel groot, dan is het verschil heel klein, maar nooit nul.
c
Wat gebeurt er met Rv als één tak kortgesloten wordt (Rk→0)? Wat betekent dat voor de andere takken?
1/Rk→∞, dus Rv→0: de hele groep is kortgesloten. De spanning over de groep wordt nul (U=RvI), dus door de andere takken loopt geen stroom meer; alle stroom gaat door de kortsluiting.
21.16
Ontwerp: de massabedrading van de klimaatmodule
Uitdagen7Ontwerpen45 min
In de klimaatmodule lopen grote stromen (lampen 14,8 A, pomp 1,0 A, ventilatoren 0,4 A) en hangen gevoelige analoge sensoren: de pH-module (−0,18 V per pH), de druksensor (0,45 V per kPa, hoofdstuk 11) en de NTC (±55 mV per °C bij 25 °C, hoofdstuk 22). Alles zit binnen 3 m van de microcontroller.
a
Teken een bedradingsschema met een sterpunt: welke draden gaan waarheen?
Sterpunt aan de minpool van de batterij (achter de shunt of stroomsensor). Van daar: dikke retourdraad lampen, aparte draad pomp, aparte draad ventilatoren, en één draad naar de GND van de microcontroller. De sensoren krijgen hun massa van de microcontroller (bij de sensorkast via een eigen ader).
b
Stel dat iemand de lampen toch via de massadraad van de druksensor laat terugkeren (2,0 m, 1,5 mm²). Welke fout in het waterniveau geeft dat? (1 kPa is 10,2 cm water.)
R=0,0172⋅2,0/1,5=0,0229Ω; spanning 0,0229⋅14,8=0,34V. De druksensor geeft 0,45 V per kPa: 0,34/0,45=0,75kPa, dus 7,7cm water fout: het niveau lijkt 7,7 cm hoger zodra de lampen branden. Onaanvaardbaar voor een alarm bij 10 cm.
c
Hoe dik kies je de retourdraad van de lampen als hij 2,0 m lang is en je hoogstens 0,2 V spanningsval toelaat? Kies uit 1,5, 2,5, 4 en 6 mm².
Nodig: R≤0,2/14,8=0,0135Ω, dus A≥0,0172⋅2,0/0,0135=2,55mm2. 2,5 mm² is net te dun (0,204 V); kies 4 mm² (0,13 V).
d
Formuleer drie regels voor de bedrading die je op de deur van de kast zou hangen.
Bijvoorbeeld: (1) Elke verbruiker boven 0,5 A heeft een eigen retourdraad naar het sterpunt. (2) Geen verbruikersstroom door de massadraad van een sensor. (3) De GND van de microcontroller hangt op één plaats aan het sterpunt, nergens anders.
Zo wordt dit beoordeeld
Schema
Eén sterpunt aan de minpool; aparte retourdraden voor lampen, pomp en ventilatoren; sensormassa's apart naar de GND van de microcontroller, die op één plaats aan het sterpunt hangt.
Berekening
R = ρL/A, spanningsval met de maaswet, omgezet naar een fout in de gemeten grootheid.
Keuze
Draaddikte uit de toegelaten spanningsval, met eenheden.
Regels
Concreet en toetsbaar (bv. 'geen verbruikersstroom door een sensormassa').
21.17
Een ladder van gelijke weerstanden
Uitdagen7Rekenen30 min
Een ladder bestaat uit trappen van telkens een weerstand R in de lengte en een weerstand R dwars. Neem R=1,0kΩ.
Een ladder van drie trappen; de puntjes: je kan er zoveel bijzetten als je wil.
a
Bereken de vervangingsweerstand van een ladder met één, twee en drie trappen (begin achteraan).