Van een krabbel op papier naar een tekening waarmee iemand anders je onderdeel kan maken
Uitgewerkte oplossingen bij de 16 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Schets, werktekening en het echte onderdeel: drie keer hetzelfde, elk voor een ander doel.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
31.1
Lijnsoorten herkennen
Oefenen1Begrijpen8 min
Bekijk de werktekening van de hoeksteun in het handboek (blad 'Een volledige werktekening').
De hoeksteun in drie aanzichten en isometrie.
a
Welke lijnsoort gebruik je voor elk van deze dingen? (a) de rand tussen voet en lip in het vooraanzicht; (b) de gaten in de voet, gezien in het vooraanzicht; (c) het midden van het gat van Ø 8; (d) de lijn met twee pijlpunten waarboven '60' staat.
Waarom zie je het gat van Ø 8 in het bovenaanzicht als twee streeplijnen en niet als cirkel?
Het gat loopt horizontaal door de lip, van voren naar achteren. Van boven kijk je op de lip en zie je het gat niet: het zit binnenin. Je ziet alleen waar zijn wanden zitten, als verborgen randen.
31.2
Welk aanzicht is welk?
Oefenen2Begrijpen12 min
Links zie je een T-stuk in isometrie (de pijl wijst naar de voorkant). Rechts staan zes tekeningen A tot F.
Een T-stuk van 40 × 20 × 30 mm en zes mogelijke aanzichten.
a
Welke tekening is het vooraanzicht, welke het bovenaanzicht en welke het linkerzijaanzicht?
Vooraanzicht D (de omgekeerde T: voet onderaan, ribbe erboven). Bovenaanzicht A (rechthoek met twee lijnen: de randen van de ribbe). Linkerzijaanzicht C (rechthoek met een lijn op 10 mm hoogte).
b
Waarom is F geen juist linkerzijaanzicht, hoewel het dezelfde omtrek heeft als C?
Van links zie je de voet (onderaan) en daarboven de zijkant van de ribbe, die verder naar achteren staat: de rand ertussen is echt zichtbaar. Een streeplijn (F) zou betekenen dat hij verborgen is.
c
Wat stelt E voor? En B?
E is het onderaanzicht: van onder zie je een vlakke bodem, en de randen van de ribbe zitten erachter, dus verborgen. B is het vooraanzicht op zijn kop: een fout.
d
Schets hoe je de drie juiste aanzichten op een blad legt volgens de Europese projectie.
D linksboven, A recht eronder (even breed), C rechts van D (even hoog).
31.3
Schaal omrekenen
Oefenen1Rekenen10 min
Reken om. Schrijf je berekening in de tabel.
a
Vul de tabel aan.
(a) 600/10=60mm; (b) 45×2=90mm; (c) 24×5=120mm (de hoogte van de plantenbak); (d) 59:1180=1:20; (e) 12×5=60mm.
31.4
Isometrisch tekenen op raster
Oefenen2Tekenen15 min
Een hoekblok van 30 × 20 × 20 mm, waaruit rechtsvoor bovenaan een blokje van 10 × 10 × 10 mm weggenomen is.
De drie aanzichten (links) en een isometrisch raster (rechts); één hokje is 10 mm.
a
Teken het hoekblok isometrisch op het raster. Begin bij de gemarkeerde hoek.
Zie de figuur: drie hokjes naar rechtsboven (breedte), twee naar linksboven (diepte), twee omhoog (hoogte); rechtsvoor bovenaan ontbreekt een kubusje van één hokje.
b
Waarom zijn de twee lijnen in het linkerzijaanzicht gestreept?
De uitsparing zit rechts. Van links kijk je tegen het volle linkerdeel aan: de randen van de uitsparing zitten erachter en zijn dus verborgen.
31.5
Fouten in de maatvoering
Oefenen2Begrijpen12 min
Op deze tekening van de hoeksteun staan zes fouten tegen de regels van de maatvoering.
Vooraanzicht en linkerzijaanzicht van de hoeksteun, met fouten in de maten.
a
Zoek de zes fouten en schrijf bij elke fout de regel die geschonden is.
(1) '60 mm': geen eenheid schrijven. (2) De hoogte 50 staat twee keer (links van het vooraanzicht en rechts van het zijaanzicht): elke maat één keer. (3) '8' bij het gat: het teken Ø ontbreekt (Ø8). (4) '4,5' is bemaat tussen streeplijnen: niet naar verborgen lijnen maten, bemaat het gat in het bovenaanzicht waar het een cirkel is. (5) De maat '40' ligt op de onderrand van het zijaanzicht: een maatlijn staat buiten het voorwerp, met maathulplijnen. (6) Het '4,5' staat onder de maatlijn in plaats van erboven, en het ontbreekt aan 2× om te tonen dat er twee gelijke gaten zijn.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
31.6
Van isometrie naar drie aanzichten
Toepassen3Tekenen25 min
Een U-blok met een sleuf. Alle maten in mm.
Een U-blok van 50 × 30 × 30 mm met een sleuf van 20 mm breed en 15 mm diep.
a
Teken het vooraanzicht, het bovenaanzicht en het linkerzijaanzicht in Europese projectie op schaal 1:1 (één hokje = 5 mm). Gebruik de juiste lijnsoorten.
Vooraanzicht: een U van 50 × 30 met een uitsparing van 20 breed en 15 diep in het midden. Bovenaanzicht eronder: rechthoek 50 × 30 met twee lijnen op 15 en 35 mm (de randen van de sleuf). Linkerzijaanzicht rechts: vierkant 30 × 30 met een streeplijn op 15 mm hoogte. Symmetrie-as als hartlijn.
b
In welk aanzicht heb je een verborgen lijn nodig, en waarom?
In het linkerzijaanzicht: de bodem van de sleuf ligt op 15 mm hoogte, maar van links zit het linkerbeen van de U ervoor. Je ziet hem niet, dus streeplijn.
31.7
Het ontbrekende aanzicht
Toepassen3Tekenen20 min
Van een L-blok met een gat kreeg je het vooraanzicht en het bovenaanzicht (maten in mm: 40 breed, 30 diep, 30 hoog; voet 10 mm dik; opstaand deel 15 mm breed; gat Ø 8).
Vooraanzicht en bovenaanzicht; het kader rechts is voor het linkerzijaanzicht.
a
Teken het linkerzijaanzicht in het lege kader, met verborgen lijnen en hartlijnen.
Een vierkant van 30 × 30. Van links zie je het opstaande deel (15 breed, volle hoogte): alles erachter is verborgen. Streeplijn op 10 mm hoogte (de bovenkant van de voet). Het gat: twee verticale streeplijnen op 11 en 19 mm, van 0 tot 10 mm hoog, met een hartlijn op 15 mm.
b
Leg uit hoe je aan het vooraanzicht ziet dat het gat door de voet gaat en niet door het opstaande deel.
In het vooraanzicht staan de streeplijnen van het gat alleen tussen 0 en 10 mm hoogte, dus in de voet, en rechts van het opstaande deel (op 24 en 32 mm).
31.8
Maatvoering aanbrengen
Toepassen3Tekenen20 min
Neem de drie aanzichten van het U-blok die je in opdracht 31.6 tekende (of de oplossing ervan).
a
Breng alle maten aan die nodig zijn om het U-blok te maken, volgens de regels. Gebruik zo weinig mogelijk maten.
Vooraanzicht: 50 (totaal, buitenste maatlijn), 20 (breedte sleuf) en 15 (plaats sleuf vanaf links) boven of onder; 30 (hoogte) en 15 (diepte sleuf) links. Linkerzijaanzicht: 30 (diepte) onder. Het bovenaanzicht krijgt geen maten.
b
Hoeveel maten heb je nodig? Welke maat zou je dubbel zetten als je niet oplet?
Zes maten: 50, 30, 30, 20, 15 en 15. Wie niet oplet, zet de hoogte 30 zowel in het vooraanzicht als in het zijaanzicht, of de breedte 50 in het voor- en het bovenaanzicht.
31.9
Welke schaal kies je?
Toepassen2Rekenen12 min
Op een A4 heb je voor drie aanzichten ongeveer 270 × 150 mm. De drie aanzichten nemen samen ongeveer (breedte + diepte) in de breedte en (hoogte + diepte) in de hoogte in, plus wat ruimte ertussen. Kies telkens de grootste schaal uit de reeks 5:1, 2:1, 1:1, 1:2, 1:5, 1:10, 1:20 waarmee het past.
a
Het waterreservoir, buiten 420 × 320 × 260 mm.
Breedte 420+320=740, hoogte 260+320=580. Op 1:5: 148 × 116 mm, past. Op 1:2: 370 × 290, te groot. Schaal 1:5.
b
De TMP36-sensor, 5 × 4 × 5 mm (zonder pootjes).
5+4=9 en 5+4=9 mm. Op 5:1: 45 × 45 mm, past ruim. Schaal 5:1 (grotere schalen staan niet in de reeks).
c
De meetkas, 1200 × 600 × 800 mm (binnenmaten).
1200+600=1800 en 800+600=1400. Op 1:10: 180 × 140 mm, past. Op 1:5: 360 × 280, te groot. Schaal 1:10.
d
De hoeksteun, 60 × 40 × 50 mm.
60+40=100 en 50+40=90. Op 2:1: 200 × 180: in de hoogte te groot voor 150 mm. Op 1:1: 100 × 90, past. Schaal 1:1, of 2:1 op een A3 of met het titelblok ernaast, zoals in het handboek.
31.10
Opmeten en schetsen
Toepassen3Labo40 min
Kies een eenvoudig voorwerp met minstens één gat of uitsparing: een gum, een USB-stick, een houten blokje met gat, een LEGO-blokje. Meet het op met een schuifmaat en maak er een bematen schets van.
a
Maak een isometrische schets uit de vrije hand.
Eigen schets; controleer de verhoudingen door te viseren.
b
Schets drie aanzichten in Europese projectie (op ruitjes, uit de vrije hand).
Vooraanzicht linksboven, bovenaanzicht eronder, linkerzijaanzicht rechts; zelfde hoogtes en breedtes.
c
Meet alle maten op met de schuifmaat en zet ze op je aanzichten, volgens de regels.
Bijvoorbeeld een gum van 50,2 × 20,1 × 11,8 mm. Afronden op 0,1 mm is voor een schuifmaat zinvol (hoofdstuk 3).
d
Geef je schets aan een klasgenoot. Kan hij zonder vragen zeggen hoe groot het gat is en waar het zit? Wat moest je bijwerken?
Typische aanvullingen: de plaats van het gat ontbrak (alleen de diameter stond er), of een maat stond dubbel.
Zo wordt dit beoordeeld
Schets
Verhoudingen kloppen; hulplijnen licht, zichtbare randen donker; cirkels als ellips.
Aanzichten
Juiste plaats (Europese projectie); uitgelijnd; verborgen lijnen en hartlijnen waar nodig.
Maten
Opgemeten tot op 0,1 mm; in mm zonder eenheid; elke maat één keer; volledig.
Controle
De test bij een klasgenoot is uitgevoerd en de tekening werd verbeterd.
31.11
Een stuklijst opstellen
Toepassen3Analyseren15 min
De klemhendel van het dakraam (hoofdstuk 12) bestaat uit: een hendel van aluminium strip 140 × 20 × 4 mm; een scharnierblok van PETG, 30 × 20 × 25 mm, 3D-geprint; een as van roestvast staal, Ø 5 × 30 mm; een drukneus van rubber, Ø 10 × 8 mm; en twee schroeven M4 × 12 van roestvast staal om het blok vast te zetten.
De klemhendel, uit elkaar getrokken. De cirkeltjes zijn positienummers.
a
Vul de stuklijst in, met de positienummers uit de figuur.
Welke onderdelen krijgen een eigen werktekening, en welke niet? Waarom?
De hendel (gaten, lengte) en het scharnierblok (3D-print) krijgen een tekening: je maakt ze zelf. De as, de drukneus en de schroeven koop je: hun normmaat in de stuklijst volstaat (bij de as eventueel een eenvoudige tekening als je ze zelf op lengte zaagt).
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
31.12
Habitat: de werktekening van de plantentafel
Uitdagen4Habitat60 min
De plantentafel van de meetkas (hoofdstuk 10, 11 en 13) bestaat uit een blad van watervast multiplex van 1180 × 580 × 18 mm op drie steunen van hetzelfde multiplex, 562 × 282 × 18 mm (de tafel is 300 mm hoog). De twee buitenste steunen staan 20 mm naar binnen, de middelste staat in het midden. Tegen de achterkant van de steunen zit een achterregel van 1140 × 60 × 18 mm, vlak onder het blad. Alles wordt geschroefd met roestvast stalen schroeven 4 × 40 mm: drie per steun door het blad, twee per steun door de regel.
a
Maak op schaal 1:10 de drie aanzichten van de tafel, in Europese projectie, met de juiste lijnsoorten.
Vooraanzicht: het blad (1180 × 18) op drie steunen (18 breed, 282 hoog) en de achterregel tussen de steunen zichtbaar. Bovenaanzicht: het blad; steunen en regel als streeplijnen. Linkerzijaanzicht: het blad (580 × 18), de steun (562 × 282) en het einde van de regel (18 × 60) achteraan.
b
Breng de maten aan die nodig zijn om de tafel te maken.
Bijvoorbeeld: blad 1180, 580, 18 (vooraanzicht en zijaanzicht); tafelhoogte 300; plaats van de buitenste steun 20; steun 562 × 282 × 18 (een aparte detailtekening of in het zijaanzicht); regel 1140 × 60, bovenaan tegen het blad.
Controleer met de tekening: hoe breed is de ruimte tussen twee steunen? Past het reservoir (buiten 420 × 320 × 260 mm) eronder?
De buitenste steun eindigt op 20+18=38mm, de middelste begint op 590−9=581mm: ruimte 581−38=543mm breed, 282 mm hoog, 562 mm diep. Het reservoir (420 × 320 × 260) past, met 123 mm over in de breedte en 22 mm in de hoogte.
Zo wordt dit beoordeeld
Aanzichten
Drie aanzichten op de juiste plaats, uitgelijnd; steunen en regel verborgen in het bovenaanzicht.
Maten
Blad, steunen en regel volledig bepaald, plaats van de steunen (20 mm, midden); geen dubbele maten.
Stuklijst en titelblok
Vier posities met juiste aantallen (1, 3, 1, 15); schaal 1:10, projectiesymbool, nummer.
Controle
Ruimte tussen de steunen berekend (543 mm) en vergeleken met het reservoir.
31.13
Eén vooraanzicht, veel voorwerpen
Uitdagen4Tekenen20 min
Het vooraanzicht van een voorwerp is een rechthoek van 40 × 20 mm, zonder lijnen erin. Het bovenaanzicht is een rechthoek van 40 × 30 mm, ook zonder lijnen erin.
a
Teken drie verschillende linkerzijaanzichten die bij dit vooraanzicht en bovenaanzicht passen.
Bijvoorbeeld: een rechthoek van 30 × 20 (een blok); een driehoek (een helling die van achter 20 mm hoog naar voren afloopt, of omgekeerd); een kwart van een ellips (een afgeronde helling).
b
Schets één van je voorwerpen isometrisch.
Bijvoorbeeld de helling: de voorkant is een smalle lijn, het schuine vlak loopt naar achteren op tot 20 mm.
c
Waarom mag er in het zijaanzicht geen trede (L-vorm) staan?
Een trede geeft een rand op een andere hoogte. Die zou je als lijn zien in het vooraanzicht (van voren) en in het bovenaanzicht (van boven). Beide aanzichten hebben geen lijnen: dus geen trede. Een afgeronde overgang geeft geen rand en mag wel.
31.14
Een gat in isometrie
Uitdagen4Tekenen20 min
Een blok van 40 × 40 × 20 mm met in het midden een verticaal gat van Ø 20 mm, helemaal door.
a
Teken het blok isometrisch op schaal 2:1 met de ruitmethode voor het gat.
Zie de figuur: een ruit van 20 × 20 op het bovenvlak (op 2:1: 40 × 40 mm langs de assen) en de ellips die de ruit in de middens van de zijden raakt.
b
Zie je in je tekening door het gat de onderrand van het gat? Leg uit met je tekening.
Nee. De onderste cirkel ligt 20 mm lager: op 2:1 schuift zijn ellips 40 mm naar beneden. De ellips bovenaan is maar 28 mm hoog (0,71 × 40), dus de onderste ellips ligt er helemaal onder, achter het materiaal. Je ziet alleen de binnenwand van het gat. Bij een dunnere plaat (bijvoorbeeld 10 mm) zou je wel een stukje van de onderrand zien.
c
Bereken de lange en de korte as van de ellips bovenaan, op je tekening (2:1).
Op 2:1 is de diameter 40 mm op papier. Lange as ≈1,22×40=49mm, korte as ≈0,71×40=28mm.
31.15
Debat: tekenen met de hand is voorbij
Uitdagen3Argumenteren20 min
Stelling: 'Nu er CAD-programma's zijn, is leren tekenen met potlood en lat tijdverlies.'
a
Geef twee argumenten voor en twee tegen.
Voor: CAD is nauwkeuriger, sneller aan te passen, maakt aanzichten en isometrie automatisch, en het model gaat rechtstreeks naar de printer. Tegen: een schets uit de vrije hand is in het ontwerpproces veel sneller om ideeën te tonen (hoofdstuk 30); wie zelf aanzichten leerde tekenen, begrijpt en controleert wat de computer maakt; op de werkvloer of bij een klant heb je niet altijd een computer.
b
Wat verandert er níet als je met de computer tekent?
De taal: Europese projectie, lijnsoorten, regels van de maatvoering, schaal, titelblok en stuklijst. De computer tekent de lijnen, maar jij kiest welke aanzichten en welke maten nodig zijn.
Zo wordt dit beoordeeld
Argumenten
Twee echte argumenten per kant.
Inzicht
Ziet dat de afspraken (projectie, lijnsoorten, maatvoering) ook in CAD gelden.
Voorbeeld
Een concrete situatie waarin een schets met de hand sneller of beter is.
31.16
Een tekening uit Amerika
Uitdagen4Analyseren15 min
Een leverancier stuurt deze tekening van de hoeksteun. Rechtsboven staat het projectiesymbool.
De hoeksteun, getekend door een leverancier.
a
Welke projectiemethode is dit? Waaraan zie je dat (twee aanwijzingen)?
Amerikaanse projectie (derdehoeksprojectie): het bovenaanzicht staat boven het vooraanzicht, en in het symbool wijst de smalle kant van de kegel naar de cirkels.
b
Welk zijaanzicht staat er rechts? Waar zit in dat aanzicht de voorkant van het voorwerp?
Het rechterzijaanzicht (van rechts gezien). De voorkant van het voorwerp ligt links, het dichtst bij het vooraanzicht; de lip staat rechts.
c
Wat kan er misgaan als een Europese maker deze tekening leest zonder op het symbool te letten?
Hij zou het bovenaanzicht voor een onderaanzicht kunnen houden, of het zijaanzicht voor het linker. Bij een symmetrisch voorwerp is dat geen ramp, maar bij een onderdeel met een gat aan één kant boort hij het gat aan de verkeerde kant.