EExpert · deel E4 · Elektrotechniek en elektronica
Oplossingen · hoofdstuk 20Wisselstroom
Impedantie, resonantie en vermogen: rekenen aan het net en aan de omvormer van het station
Uitgewerkte oplossingen bij de 18 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Drie fasen, vijftig keer per seconde omgekeerd: zo reist energie door Europa.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
20.1
Effectieve waarden
Oefenen6Rekenen20 min
Bereken de effectieve waarden met de definitie (een integraal over één periode), niet met een tabel.
Drie periodieke spanningen met een periode van 20 ms.
a
Een sinus met amplitude 12 V en de blokgolf van ±5 V uit de figuur.
Sinus: 12/2=8,49V. Blokgolf: u2=25 altijd, dus Ueff=5,0V.
b
De driehoek van ±3 V. Tip: bereken het gemiddelde van u² over een kwart periode, waar u = 3 · 4t/T.
Over een kwart periode loopt u lineair van 0 tot 3 V: u2=T/41∫0T/4(3⋅T4t)2dt=9⋅31=3, en door de symmetrie geldt dat voor de hele periode: Ueff=3=1,73V=3/3.
c
De enkelzijdig gelijkgerichte sinus van 12 V (de ene halve periode sinus, de andere nul).
De helft van de tijd u2=122/2, de andere helft 0: gemiddeld 122/4, dus Ueff=12/2=6,0V.
d
De noodverwarming neemt 2,0 kW bij 230 V. Hoe groot is de effectieve stroom en de piekstroom?
I=2000/230=8,70A; piek 8,70⋅2=12,3A.
20.2
Reactanties en een RL-kring
Oefenen6Rekenen15 min
Een spoel van 0,10 H en een condensator van 10 µF.
a
Bereken de reactantie van beide bij 50 Hz en bij 1 kHz.
Teken het fasordiagram op schaal (1 V = 1 cm): U, UR, UC en de richting van I. Controleer dat UR+UC=U.
Twee wijzers van 7,07 cm onder +45∘ en −45∘; kop aan staart eindigen ze op (10;0): 7,07cos45∘⋅2=10. UR ligt langs I, UC staat er 90° achter.
c
Herhaal de berekening bij de dubbele frequentie. Wat verandert er aan de verdeling van de spanning?
Bij 318 Hz: ∣ZC∣=500Ω, Z=1118∠−26,6∘; I=8,94mA; UR=8,94V, UC=4,47V. Bij hogere frequentie neemt de condensator een kleiner deel van de spanning: dit is een hoogdoorlaatfilter met de uitgang over R (hoofdstuk 21).
20.4
Actief, reactief en schijnbaar vermogen
Oefenen6Rekenen15 min
Een toestel neemt 2,5 A bij 230 V; de stroom ijlt 30° na op de spanning.
a
Bereken S, P, Q en de arbeidsfactor. Schrijf het complexe vermogen als P + jQ.
Het toestel draait 6 uur per dag. Hoeveel kWh telt een kWh-meter, die actieve energie meet?
0,498kW⋅6h=2,99kWh per dag; het reactieve deel telt niet mee.
c
Is het toestel inductief of capacitief? Welk toestel zou het kunnen zijn?
Naijlende stroom: inductief. Een motor (pomp, ventilator, compressor) of een toestel met een transformator.
20.5
Drie verwarmingselementen
Oefenen7Rekenen20 min
Drie verwarmingselementen van 2,0 kW / 230 V worden op een driefasig net aangesloten.
a
Ster op 3N × 400 V: welke spanning krijgt elk element, welke stroom loopt in elke fase en in de nulgeleider?
Elk element op 230 V: 2,0 kW, I=8,70A in elke fase; in de nul loopt de som van drie gelijke wijzers onder 120°: nul.
b
Eén element valt uit. Hoe groot wordt de stroom in de nulgeleider? Teken de wijzers.
Twee stromen van 8,70 A onder 120°: hun som heeft dezelfde grootte, 8,70 A (een gelijkzijdige driehoek). De nul voert dan evenveel als een fase.
c
Een installateur schakelt de elementen per vergissing in driehoek op 3N × 400 V. Wat gebeurt er?
Elk element krijgt 400 V: P=4002/26,45=6,05kW, drie keer te veel. Het element brandt door.
d
Op een Belgisch net van 3 × 230 V zet je ze in driehoek. Bereken de lijnstroom.
Elk element tussen twee fasen van 230 V: correct, 8,70 A per element; de lijnstroom is 3⋅8,70=15,1A.
20.6
Misvattingen over wisselstroom
Oefenen6Begrijpen15 min
Juist of fout? Verbeter wat fout is, met een kort argument of een getal.
a
(a) De effectieve waarde van een wisselspanning is haar gemiddelde waarde.
Fout. Het gemiddelde van een sinus is nul; de effectieve waarde is de wortel uit het gemiddelde kwadraat, √2 kleiner dan de piek.
b
(b) In een serie-RLC-kring kan de spanning over de condensator nooit groter zijn dan de bronspanning.
Fout. Bij resonantie is ze Q keer de bronspanning: 3,7 keer in de proef, 9,7 keer in opdracht 20.7.
c
(c) Reactief vermogen kost niets, dus je hoeft er geen rekening mee te houden.
Fout. Het kost geen energie in het toestel, maar de stroom ervoor belast kabels, omvormers en generatoren (die op VA gedimensioneerd worden) en veroorzaakt verlies I²R.
d
(d) Een condensator neemt aan 230 V, 50 Hz geen stroom, want er gaat geen lading door de isolator.
Fout. De condensator laadt en ontlaadt honderd keer per seconde; in de draden loopt dus een wisselstroom UωC: 0,72 A voor 10 µF.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
20.7
Serie-RLC: resonantie en bandbreedte
Toepassen7Rekenen25 min
Een spoel van 47 mH en een condensator van 22 nF staan in serie met 150 Ω (alle weerstand samen), aan 5,0 V effectief.
Bereken de stroom en de spanningen over R, L en C bij resonantie. Welke condensator kies je qua spanning?
I=5/150=33,3mA; UR=5,0V; UL=UC=0,0333⋅1462=48,7V effectief, of 69V piek: een condensator van minstens 100 V.
c
Toon aan dat de halfvermogenpunten liggen waar ωL−1/(ωC)=±R, en dat hun afstand R/L is (in rad/s).
Halfvermogen: ∣I∣2=21∣I0∣2, dus ∣Z∣2=2R2, dus X2=R2: ωL−1/(ωC)=±R. Vermenigvuldig met ω/L: ω2∓LRω−ω02=0. Positieve wortels ω=±2LR+4L2R2+ω02; hun verschil is R/L. Gedeeld door 2π: Δf=2πLR=f0/Q.
20.8
Een RLC-kring doormeten
Toepassen8Labo90 min
Voer de proef van het handboek uit met je eigen onderdelen. Meet vooraf L, C en de weerstand van de spoel, en de uitgangsweerstand van je functiegenerator (meestal 50 Ω).
a
Meet de stroomamplitude (via de 10 Ω) bij minstens 15 frequenties en zet ze in een tabel.
Voorbeeld met het model van het handboek (een echte meting ligt rond het maximum enkele tot tientallen procenten lager):
f (Hz)
I (mA, amplitude)
fase van I tegenover de generator
1000
1,3
+87°
3000
5,7
+76°
4402
16,6
+45°
5033
23,5
0°
5755
16,6
−45°
7000
8,7
−68°
20 000
1,7
−86°
b
Teken de resonantiekromme met een logaritmische frequentieas en teken het model erdoor. Bepaal f₀ en de bandbreedte uit je meting.
Model: f0=5033Hz, Δf=1353Hz. Uit een meting meestal f0 binnen enkele procenten (toleranties van L en C) en een iets grotere Δf.
c
Meet UC bij resonantie en bereken Q op twee manieren (UC/Ug en f0/Δf). Verklaar de verschillen met het model.
Model: UC/Ug=3,72 en f0/Δf=3,72 (gelijk). Meting: vaak een lagere Q uit UC/Ug als je Ug zonder last instelt: de generatorspanning zakt over zijn 50 Ω. Bij kHz is de weerstand van een spoel met kern groter dan bij gelijkstroom (verliezen in de kern, skineffect): de gemeten Q ligt lager dan met de gelijkstroomweerstand berekend.
Zo wordt dit beoordeeld
Meting
Genoeg punten, dichter bij het maximum; amplitude en fase correct afgelezen; eenheden.
Grafiek
Logaritmische as, model en meting in één figuur, f₀ en Δf correct bepaald.
Q op twee manieren
UC/Ug en f0/Δf berekend en vergeleken, met de generatorweerstand in R.
Kritiek
Afwijkingen verklaard: verliezen van de spoel bij kHz, toleranties, belasting door de scoop, generatorspanning die zakt.
20.9
De bandbreedte numeriek
Toepassen7Programmeren25 min
Neem de kring van opdracht 20.7 (47 mH, 22 nF, 150 Ω) en een bron van 5,0 V.
a
Schrijf een programma dat f0, de bandbreedte en UC numeriek bepaalt, zonder de formules voor Q te gebruiken.
Bijvoorbeeld (met de echte uitvoer):
# band.py - de serie-RLC van opdracht 20.7 aan een generator met 50 ohm
import numpy as np
L, C = 47e-3, 22e-9
for R in (150.0, 150.0 + 50.0): # zonder en met de uitgangsweerstand van de generator
f = np.linspace(3000, 7000, 400001)
w = 2 * np.pi * f
I = 5.0 / np.abs(R + 1j * w * L + 1 / (1j * w * C))
k = np.argmax(I)
band = f[I >= I[k] / np.sqrt(2)]
Q = np.sqrt(L / C) / R
print(f"R = {R:5.0f} ohm: f0 = {f[k]:.0f} Hz, bandbreedte {band[-1] - band[0]:.1f} Hz, "
f"f0/Q = {f[k] / Q:.1f} Hz, U_C = {I[k] / (w[k] * C):.1f} V")
R = 150 ohm: f0 = 4949 Hz, bandbreedte 507.9 Hz, f0/Q = 507.9 Hz, U_C = 48.7 V
R = 200 ohm: f0 = 4949 Hz, bandbreedte 677.2 Hz, f0/Q = 677.3 Hz, U_C = 36.5 V
b
Herhaal met de 50 Ω van een functiegenerator erbij. Wat verandert er, en wat niet?
f0 blijft gelijk (alleen L en C bepalen hem). De bandbreedte groeit met R (van 508 naar 677 Hz) en de spanning over C zakt in dezelfde verhouding: Q daalt van 9,7 naar 7,3.
20.10
De koelkast compenseren?
Toepassen7Rekenen20 min
De koelkast van het station neemt 150 W met cos φ = 0,70 (hoofdstuk 7), 230 V, 50 Hz.
Welke condensator brengt de arbeidsfactor naar 0,95? Hoeveel daalt de stroom?
Na compensatie blijft 150tan(arccos0,95)=49var; weg moet 104var: C=6,24μF. Stroom 150/(0,95⋅230)=0,69A: 26 % minder.
c
Levert het energie op? Voor wie wel iets? Is het de moeite?
Geen energie: de koelkast neemt nog altijd 150 W. Alleen de kabel naar de koelkast en de omvormer dragen 0,24 A minder, ongeveer 0,03 kVA van 4,0 kVA. Niet de moeite, en een extra onderdeel dat kan falen.
20.11
Een gemodificeerde sinus ontleden
Toepassen8Analyseren30 min
Een goedkope omvormer geeft een gemodificeerde sinus van ±325 V die in elke halve periode 5 ms aan staat (zoals in het handboek).
a
Bereken de effectieve waarde, de piekfactor (piek/effectief) en wat een gemiddelde-meter aanwijst.
Ueff=3250,5=230V; piekfactor 325/230=1,41 (toevallig gelijk aan die van een sinus); gemiddelde-meter 1,111⋅162,6=181V.
b
Leid de amplitude van de grondgolf af: b1=π2∫0πu(x)sinxdx. Hoeveel effectieve spanning zit in de grondgolf, en hoeveel in de rest?
u=+325 tussen 45∘ en 135∘: b1=π2⋅325[−cosx]45∘135∘=π2⋅325⋅2=293V, effectief 207V. De rest: 2302−2072=100V, vooral 150 Hz (69 V) en 250 Hz (41 V).
c
Een koelkastcompressor is ontworpen voor een zuivere sinus van 230 V. Wat verwacht je als hij op deze omvormer draait?
De grondgolf is maar 207 V: de motor krijgt 10 % te weinig nuttige spanning, trekt meer stroom en ontwikkelt minder koppel. De harmonischen geven extra stroom en verliezen in de wikkelingen (warmte) en gebrom. De compressor draait, maar warmer en met een kortere levensduur; een aanloop bij een lege batterij kan mislukken.
20.12
Habitat: de omvormer bij andere belastingen
Toepassen8Habitat50 min
Het brein moet voor elke toestand weten of de omvormer (4,0 kVA continu, 8 kVA gedurende 5 s, 93 %) en de batterij het aankunnen. Het filter van de omvormer levert altijd 166 var capacitief (0,72 A). Gebruik de toestellen van hoofdstuk 7 en de aanloop van het handboek (zes keer de stroom, cos φ = 0,5).
a
Nacht: alleen koelkast en rest. Bereken P, Q, S en de arbeidsfactor van de belasting, en daarna met de filtercondensator erbij (wat de brug ziet).
Nacht: P=450W, Q=252var, S=516VA, arbeidsfactor 0,873 (2,24A). Met het filter: Q=252−166=85var, S=458VA, arbeidsfactor 0,982: de filtercondensator compenseert de kleine motoren grotendeels.
b
Bereken de batterijstroom 's nachts bij 48 V. De omvormer verbruikt zonder last 25 W (rekenwaarde): hoeveel procent van de nachtstroom is dat?
450/0,93/48=10,1A, plus 25/48=0,52A nullast: samen 10,6 A, waarvan de nullast 5 %. Over een nacht van 12 h: 0,3 kWh alleen voor de omvormer zelf.
c
Winteravond, batterij op 44 V: de verwarming, de koelkast en de rest draaien, en de pomp slaat aan. Bereken S, P en de batterijstroom. Mag het?
Zoals het handboek: S=7,28kVA (onder 8 kVA), P=5,23kW, batterij 128A bij 44 V. Het mag, zolang de aanloop korter is dan 5 s en de batterij (BMS) en de zekering die stroom even toelaten.
d
Stel een regel voor het energiebeheer voor die de omvormer en de batterij beschermt, met getallen.
Bijvoorbeeld: (1) schakel een groot toestel alleen in als de voorspelde S na inschakelen onder 4,0 kVA blijft; (2) laat de pomp niet aanslaan als de verwarming aan staat en de batterij onder 46 V zit: eerst de verwarming 10 s uit (tijdproportionele sturing, hoofdstuk 39, kan dat zonder merkbaar verschil); (3) alarm als de batterijstroom langer dan 5 s boven 110 A blijft.
Zo wordt dit beoordeeld
Fasoren en vermogen
P, Q en S correct met S = U I*; de filtercondensator juist als −166 var meegeteld.
Batterijstroom
Alleen P (en de nullast) uit de batterij; I = P/(ηU) bij de juiste spanning.
Aanloop
Aanloop als fasor opgeteld, grens van 8 kVA en de batterijstroom getoetst.
Regel
Een concrete, meetbare regel (drempels in VA of A, tijden) die volgt uit de berekening.
20.13
De kabel van de windturbine
Toepassen7Rekenen15 min
De windturbine levert 3,0 kW bij 165 V lijnspanning en 11,0 A per fase; de kabel is 30 m lang.
a
Bereken het verlies en de spanningsval per geleider met 2,5 mm² en met 6 mm².
De ontwerpregel van het station is hoogstens 3 % verlies. Welke doorsnede kies je?
2,5 mm² haalt de regel net; 4 mm² (1,6 %, het handboek) laat marge voor een langere kabel, de hogere weerstand van warm koper en een zwaardere turbine later. Kies 4 mm².
20.14
Het uitgangsfilter onder de loep
Toepassen8Analyseren30 min
Het LC-filter van de omvormer (1,0 mH met 0,05 Ω, 10 µF) uit het handboek.
a
Bereken de kwaliteitsfactor van de kring zonder last en met 16 Ω last (bij resonantie ligt de last parallel met C).
Zonder last: Q=L/C/R=10/0,05=200. Met 16 Ω parallel: voor een parallelle demping is Q≈Rlast/L/C=16/10=1,6 (de figuur van het handboek: piek 1,59).
b
Een toestel neemt een stroom met een component bij 1550 Hz (een harmonische, hoofdstuk 21). Waarom is dat gevaarlijk bij een lichte belasting?
1550 Hz ligt vlak bij f₀ = 1592 Hz. Zonder veel last is de kring bijna ongedempt: een kleine stroom met die frequentie zet een grote spanning over de condensator, de uitgangsspanning vervormt en de onderdelen worden zwaar belast. Een dempweerstand (opdracht 20.16) of een regeling die de resonantie actief dempt (hoofdstuk 24) is nodig.
c
Hoeveel spanning valt er bij 17,4 A (4,0 kVA) over de spoel? Welk percentage van 230 V is dat?
XL=2π⋅50⋅10−3=0,314Ω; 17,4⋅0,314=5,5V, 2,4 % van 230 V (90° voor op de stroom: de regeling past de brugspanning aan).
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
20.15
Vermogen in één en in drie fasen
Uitdagen8Analyseren35 min
Een eenfasige belasting krijgt u=2Ucosωt en neemt i=2Icos(ωt−φ).
Drie gelijke belastingen op drie fasen (fasen 0, −120∘, +120∘). Toon aan dat de som van de drie momentane vermogens constant 3UIcosφ is.
De drie schommelende termen zijn UIcos(2ωt−φ−2k⋅120∘) voor k=0,1,2: drie wijzers van dezelfde lengte op 0, −240∘ en −480∘=−120∘, dus 120° uit elkaar. Hun som is nul (hoofdstuk 7). Blijft 3UIcosφ.
c
Een eenfasige omvormer van 4,0 kVA heeft een tussenkring op 400 V die hoogstens 5 % van top tot top mag schommelen. Welke capaciteit, en welke energie zit erin?
ΔU=20V: C=S/(ωUΔU)=4000/(314,2⋅400⋅20)=1,59mF. Energie 21CU2=127J, waarvan maar S/ω=12,7J per halve periode heen en weer gaat.
20.16
Ontwerp: het uitgangsfilter van de omvormer
Uitdagen9Ontwerpen60 min
Ontwerp het LC-filter van de omvormer (4,0 kVA, 230 V, brug op 20 kHz). Eisen: (1) bij 20 kHz minstens 40 dB demping; (2) de condensatorstroom zonder last hoogstens 5 % van de nominale stroom; (3) de spanningsval over de spoel bij nominale stroom hoogstens 3 %; (4) geen resonantiepiek hoger dan een factor 10 zonder last. Gebruik een dempingstak: een weerstand in serie met een extra condensator, parallel aan de filtercondensator.
a
Vertaal de eisen 1 tot 3 in grenzen voor L, C en f₀.
(1) ∣H∣≈(f0/f)2≤0,01 bij 20 kHz: f0≤2kHz. (2) Inom=17,4A, 5 % = 0,87 A: UωCtotaal≤0,87, dus Ctotaal≤12,0μF. (3) 17,4⋅ωL≤6,9V: L≤1,26mH.
b
Kies waarden (standaardreeks) voor L, C, de dempcondensator en de dempweerstand, en verantwoord.
Bijvoorbeeld L=1,0mH, C=6,8μF, dempingstak 4,7μF in serie met 12Ω (ongeveer L/C). Samen 11,5 µF: f0≈1,5kHz, nullaststroom 0,83A.
c
Controleer alle eisen met een Python-programma (|H| over 100 Hz tot 100 kHz, zonder last). Hoeveel vermogen verliest de dempweerstand bij 50 Hz?
Met dezelfde aanpak als het handboek (impedanties parallel, spanningsdeler met de spoel): piek ∣H∣=5,3 bij 1520Hz (was 200), bij 20 kHz ∣H∣=0,0092 (−40,7 dB, net genoeg: de weerstand in de dempingstak laat bij hoge frequentie iets meer door), nullast 0,83 A. Verlies in de dempweerstand bij 50 Hz: (UωCd)2Rd=1,4W. Een grotere Rd dempt de piek beter (18 Ω: piek 4,2, 2,1 W verlies) en laat bij 20 kHz iets meer door; een kleinere omgekeerd (8 Ω: piek 7,2, 0,9 W). Hoofdstuk 24 dempt de resonantie liever met de regeling zelf (actieve demping), zonder verlies.
Zo wordt dit beoordeeld
Eisen
Correct vertaald: C ≤ 12 µF, L ≤ 1,26 mH, f₀ ≤ 2 kHz.
Keuze
Waarden uit de standaardreeks, met de dempingstak binnen de stroomeis; R ongeveer √(L/C).
Controle
Programma rekent de impedanties correct; piek, demping bij 20 kHz en nullaststroom getoetst.
Afweging
Verlies in de dempweerstand en de trade-off tussen demping en filterwerking besproken.
20.17
Debat: gelijkstroom of wisselstroom voor het station?
Uitdagen8Argumenteren40 min
Het station heeft een 48 V-batterij, zonnepanelen (gelijkstroom), een windturbine (wisselstroom van wisselende frequentie) en toestellen voor 230 V~. Sommige ontwerpers pleiten voor een 'gelijkstroomhuis': alle toestellen op 48 V of 380 V gelijk, geen omvormer. Anderen houden vast aan 230 V~.
a
Verdedig één standpunt met minstens drie argumenten uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 19 (getallen!).
Gelijkstroom: geen omvormerverlies van 7 % en geen nullastverbruik (25 W, 0,3 kWh per nacht), geen reactief vermogen en geen 100 Hz-schommeling, batterij en zonnepanelen zijn al gelijkstroom. Wisselstroom: alle gewone toestellen (pomp, koelkast) bestaan voor 230 V~ en zijn goedkoop en herstelbaar; een wisselspanning is makkelijk te onderbreken (een boog dooft bij elke nuldoorgang, bij gelijkstroom niet: schakelaars en zekeringen voor DC zijn duurder); de koppeling met het openbare net op het proefterrein; 48 V geeft grote stromen voor 2 kW verwarming (42 A).
b
Wat zou Edison vandaag over het station zeggen, en wat Tesla?
Edison zou tevreden zijn: zijn gelijkstroom is terug, dankzij de omzetters die hij miste; 48 V is veilig (zijn argument). Tesla zou wijzen op de driefasige generator van de windturbine, de motoren, en het net van het proefterrein. Het station is precies het compromis dat vermogenselektronica mogelijk maakte.
Zo wordt dit beoordeeld
Argumenten
Minstens drie correcte, gekwantificeerde argumenten (omvormerverlies, kabelverlies, veiligheid, beschikbaarheid van toestellen, reactief vermogen, 100 Hz-rimpel).
Tegenargument
Het sterkste argument van de andere kant eerlijk weergegeven.
Historisch
Verbinding met de stroomoorlog: wat toen doorslaggevend was, en wat vermogenselektronica veranderd heeft.
20.18
Onderzoek: de arbeidsfactor van een laptoplader
Uitdagen9Onderzoeken50 min
Een laptoplader zonder PFC (arbeidsfactorcorrectie) richt de netspanning gelijk op een condensator. Hij neemt alleen stroom als de netspanning boven de condensatorspanning komt: korte pulsen rond elke top. Model: pulsen in de vorm cos², 2,5 ms breed, in fase met de toppen; 70 W opgenomen.
a
Bereken met Python de piekstroom, de effectieve stroom, P, S en de arbeidsfactor.
Programma en echte uitvoer:
# lader.py - arbeidsfactor van een laptoplader: stroom alleen rond de top van de spanning
import numpy as np
f, U_piek = 50.0, 325.3
t = np.linspace(0, 1 / f, 200000, endpoint=False)
u = U_piek * np.sin(2 * np.pi * f * t)
tau = 0.0025 # elke stroompuls duurt 2,5 ms
i = np.zeros_like(t)
for t_top, teken in ((0.005, 1), (0.015, -1)):
m = np.abs(t - t_top) < tau / 2
i[m] = teken * np.cos(np.pi * (t[m] - t_top) / tau) ** 2
i *= 70.0 / np.mean(u * i) # schalen tot 70 W opgenomen vermogen
P = np.mean(u * i)
U_eff, I_eff = np.sqrt(np.mean(u ** 2)), np.sqrt(np.mean(i ** 2))
print(f"piekstroom {i.max():.2f} A, I_eff = {I_eff:.3f} A, P = {P:.1f} W, S = {U_eff * I_eff:.1f} VA")
print(f"arbeidsfactor P/S = {P / (U_eff * I_eff):.3f}")
for k in (1, 3, 5, 7): # harmonischen: fasor bij k x 50 Hz (hoofdstuk 7)
X = 2 * np.mean(i * np.exp(-2j * np.pi * k * f * t))
print(f"{50 * k:4.0f} Hz: {abs(X) / np.sqrt(2):.3f} A effectief")
piekstroom 1.74 A, I_eff = 0.532 A, P = 70.0 W, S = 122.5 VA
arbeidsfactor P/S = 0.572
50 Hz: 0.304 A effectief
150 Hz: 0.281 A effectief
250 Hz: 0.237 A effectief
350 Hz: 0.183 A effectief
b
De stroompulsen liggen precies in fase met de spanning. Waarom is de arbeidsfactor toch geen 1? Wat is de verschuivingsfactor (cos φ van de grondgolf)?
De arbeidsfactor is P/(UeffIeff)=0,572 omdat de stroom geen sinus is: een groot deel van Ieff zit in harmonischen die bij een zuivere sinusspanning geen gemiddeld vermogen dragen. De grondgolf ligt wel in fase: verschuivingsfactor 1,000. De hele arbeidsfactor komt van de vervorming.
c
Bereken de harmonischen van de stroom (3, 5, 7). Waarom kan een condensator deze arbeidsfactor niet verbeteren, en wat doet een lader met PFC anders?
De 150, 250 en 350 Hz zijn bijna even groot als de grondgolf (zie de uitvoer). Een condensator verschuift alleen de fase van 50 Hz; hij maakt de pulsen niet breder, en bij de harmonischen trekt hij zelfs extra stroom. Een lader met PFC heeft na de gelijkrichter een opwaartse omzetter die de ingangsstroom een sinus laat volgen (hoofdstuk 24): arbeidsfactor boven 0,95. In Europa gelden voor toestellen boven 75 W grenzen voor de harmonische stromen (EN 61000-3-2); in de praktijk betekent dat PFC. Deze lader van 70 W valt er net onder.
Zo wordt dit beoordeeld
Programma
Correcte berekening van P als gemiddelde van u · i en van de effectieve waarden.
Begrip
Onderscheid tussen verschuiving (cos φ) en vervorming correct uitgelegd.
Harmonischen
Fasor per harmonische berekend; uitgelegd dat alleen de grondgolf vermogen draagt.
Oplossing
PFC beschreven als een omzetter die een sinusvormige stroom afdwingt.