← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Fundamental · Werkboek · 27. Planten: fotosynthese en groei
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
F27. Planten: fotosynthese en groei — werkboek
FFundamental · deel F7 · Leven en systemen

Werkboek · hoofdstuk 27Planten: fotosynthese en groei

Hoe een plant van lucht, water en licht een krop sla maakt

Je oefent eerst de woordvergelijkingen, de huidmondjes en wat een plant nodig heeft. Daarna reken je met water en koolstof, lees je grafieken van beperkende factoren, en voer je proeven uit: zetmeel, tuinkers in het donker en een Kratky-pot. In de uitdagingen ontwerp je de groeiproef voor de meetkas (opdracht 27.13, voor je Habitat-portfolio) en analyseer je een klassieke proef met waterpest.

5× oefenen7× toepassen4× uitdagen± 388 min0/16 gedaan
De groeiproef in de meetkas: twaalf bakjes pluksla, sommige onder een schaduwdoek.
De groeiproef in de meetkas: twaalf bakjes pluksla, sommige onder een schaduwdoek.
Hoe lees je een opdracht?
Drie tredenOefenen Toepassen Uitdagen

Elk hoofdstuk bouwt op: eerst oefenen (één stap, direct toepassen), dan toepassen (meerdere stappen, in een context), dan uitdagen (transfer, open problemen, andere leerlijnen erbij).

De StemExpert-schaal5

Eén moeilijkheidsschaal van 1 tot 9 over de drie niveaus heen: Fundamental loopt van 1 tot 4, Intermediate van 3 tot 7, Expert van 6 tot 9. Zo zie je dat de uitdaging van het ene niveau de oefening van het volgende is.

Oefenen

Oefenen

één stap, direct toepassen
27.1

De woordvergelijking

Oefenen1Begrijpen8 min
Vul de woordvergelijking van de fotosynthese aan en beantwoord de vragen.
  1. a
    + water → + zuurstof (met en bij de pijl)
  2. b
    Welke stof komt uit de lucht? Langs waar komt ze het blad binnen?
  3. c
    Welke stof komt uit de grond? Langs waar komt ze in het blad?
  4. d
    Waar in de cel gebeurt de fotosynthese?
27.2

Fotosynthese of celademhaling?

Oefenen2Begrijpen10 min
Zet een kruisje: geldt de uitspraak voor de fotosynthese, voor de celademhaling, of voor allebei?
  1. a
    Vul de tabel in.
    uitspraakfotosynthesecelademhaling
    (a) gebeurt in de mitochondriën
    (b) heeft licht nodig
    (c) verbruikt zuurstof
    (d) maakt glucose
    (e) gebeurt ook in de wortels
    (f) gebeurt in een plant
    (g) gebeurt in jouw spiercellen
    (h) maakt koolstofdioxide
27.3

Wat gaat er door de huidmondjes?

Oefenen2Begrijpen8 min
Een slaplant in de meetkas, met genoeg water.
  1. a
    Vul in met 'in', 'uit' of 'bijna niets' (de huidmondjes zijn 's nachts grotendeels dicht).
    zonnige middagmidden in de nacht
    koolstofdioxide
    zuurstof
    waterdamp
  2. b
    Waarom sluit een plant haar huidmondjes bij droogte? Wat is het nadeel?
27.4

Juist of fout?

Oefenen2Begrijpen10 min
Verbeter de foute uitspraken.
  1. a
    (a) Plantenvoeding geeft een plant de energie om te groeien.
  2. b
    (b) Het grootste deel van de massa van een boom komt uit de grond.
  3. c
    (c) Planten ademen niet, ze maken alleen zuurstof.
  4. d
    (d) Een plant heeft zuurstof nodig bij haar wortels.
  5. e
    (e) Groen licht is het nuttigste licht voor een plant.
27.5

Een bont blad met een strook folie

Oefenen2Tekenen10 min
Een bont blad (groen in het midden, wit aan de rand) stond twee dagen in het donker. Daarna kreeg het een strook folie en stond het een dag in de zon. Dan werd het ontkleurd en met jodium getest.
foliePQRS
P: groen, in het licht. Q: wit, in het licht. R: groen, onder de folie. S: wit, onder de folie.
  1. a
    Welke zones kleuren blauwzwart met jodium? Kleur ze in op de tekening.
  2. b
    Leg uit met de woordvergelijking waarom de andere zones niet kleuren.
  3. c
    Waarom moest de plant eerst twee dagen in het donker staan?
Toepassen

Toepassen

meerdere stappen, in een context
27.6

Welke factor remt?

Toepassen3Analyseren12 min
Een onderzoeker meet de fotosynthese van sla bij toenemend licht, bij twee CO₂-gehaltes, telkens bij 25 °C.
lichtsterktesnelheid van de fotosyntheseABC1000 ppm CO₂, 25 °C400 ppm CO₂, 25 °C
Fotosynthese bij 400 en bij 1000 ppm koolstofdioxide (schets).
  1. a
    Wat is de beperkende factor in punt A? Hoe zie je dat aan de grafiek?
  2. b
    Wat is de beperkende factor in punt B? Hoe zie je dat?
  3. c
    In punt C helpt ook meer CO₂ niet meer veel. Noem twee factoren die daar kunnen beperken.
  4. d
    Waarom daalt de lijn onder nul bij lichtsterkte nul?
27.7

De verdampingsproef met vaseline

Toepassen3Analyseren15 min
Een klas herhaalt de proef met vaseline met bladeren van een kamerplant. Na 3 dagen:
blad P (geen vaseline): van 3,20 g naar 2,56 g; blad Q (bovenkant): van 3,05 g naar 2,50 g; blad R (onderkant): van 3,30 g naar 3,17 g; blad S (beide kanten): van 3,10 g naar 3,04 g.
  1. a
    Bereken voor elk blad het massaverlies in gram en in procent van de beginmassa.
    bladverlies (g)verlies (%)
    P
    Q
    R
    S
  2. b
    Waarom vergelijk je percentages en niet gewoon de grammen?
  3. c
    Wat besluit je over de plaats van de huidmondjes bij deze plant?
  4. d
    Blad S verliest ook nog 2 %. Geef een verklaring.
27.8

Water in de meetkas

Toepassen3Rekenen15 min
Het reservoir van de meetkas heeft een inhoud van 30 L; de planten gebruiken in de lente ongeveer 1,8 L per dag. Op een hete dag in juni verdampen ze het dubbele.
  1. a
    Hoeveel dagen kan de kas in de lente met een vol reservoir?
  2. b
    Stel dat de vlotterschakelaar alarm geeft als er nog 6 L in het reservoir zit. Na hoeveel dagen is dat in de lente? En bij een hittegolf?
  3. c
    Waarom verbruiken de planten op een hete dag meer water? Gebruik de woorden huidmondjes en verdamping.
  4. d
    Een klasgenoot stelt voor het dakraam dicht te laten bij hitte 'om water te sparen'. Wat is daar mis mee?
27.9

Hoeveel koolstofdioxide zit er in een boom?

Toepassen3Rekenen15 min
Een beuk heeft na 80 jaar een droge massa van 2000 kg (stam, takken en wortels). Droog hout bestaat voor 50 % uit koolstof. Alle koolstof komt uit koolstofdioxide: 1 kg koolstof zat in 3,67 kg koolstofdioxide.
  1. a
    Hoeveel kg koolstof zit er in de boom?
  2. b
    Hoeveel kg koolstofdioxide heeft de boom daarvoor uit de lucht gehaald?
  3. c
    Hoeveel is dat gemiddeld per jaar?
  4. d
    Wat gebeurt er met die koolstof als de boom verbrand wordt of verrot?
27.10

Labo: de zetmeelproef

Toepassen3Labo50 min
Voer de zetmeelproef uit het handboek uit met een bont blad en een strook folie.
  1. a
    Voorspel met een schets welke delen blauwzwart zullen kleuren.
  2. b
    Teken het resultaat na de jodiumtest.
  3. c
    Waarom kook je het blad eerst, en waarom leg je het daarna in ethanol?
  4. d
    Klopte je voorspelling? Wat besluit je?
Zo wordt dit beoordeeld
VeiligheidEthanol alleen in een waterbad, nooit bij een vlam; bril en handschoenen.
UitvoeringPlant vooraf in het donker, folie goed aangesloten, blad volledig ontkleurd.
TekeningenVoorspelling en resultaat duidelijk, met de zones benoemd.
BesluitLicht en bladgroen nodig voor zetmeel, verklaard met de fotosynthese.
27.11

Onderzoek: tuinkers in het donker

Toepassen3Onderzoeken40 min
Onderzoek hoe licht de groei van tuinkers beïnvloedt. Je hebt twee bakjes met natte watten, tuinkerszaad uit één pakje en een kartonnen doos. Je meet na 7 dagen.
  1. a
    Schrijf je onderzoeksvraag en een hypothese.
  2. b
    Welke drie variabelen hou je gelijk, en hoe?
  3. c
    Meet na 7 dagen per bakje de lengte van 10 plantjes en de massa van 20 afgeknipte plantjes samen. Noteer ook de kleur.
    bakjegemiddelde lengte (mm)massa van 20 plantjes (g)kleur
    licht
    donker
  4. d
    Welk bakje 'groeit het best' volgens de lengte? En volgens de massa? Wat besluit je?
27.12

Maak: een Kratky-pot

Toepassen3Maken60 min
Bouw een Kratky-pot voor één slaplantje en volg het drie weken. Materiaal: een ondoorzichtige pot van ongeveer 5 L met deksel, een netpotje, kleikorrels, voedingsoplossing van 1,0 g/L (5 mL plantenvoeding per liter, hoofdstuk 8), een slaplantje zonder aarde aan de wortels.
  1. a
    Maak een schets van je ontwerp met de maten en het niveau van de oplossing bij de start.
  2. b
    Hoeveel mL plantenvoeding meng je voor 5 L oplossing?
  3. c
    Meet elke week het niveau van de oplossing en het aantal bladeren.
    dagniveau (cm boven de bodem)aantal bladerenopmerkingen
  4. d
    Waarom moet de pot ondoorzichtig zijn, en waarom vul je hem niet tot aan het netpotje bij?
Zo wordt dit beoordeeld
OntwerpSchets met maten; lichtdicht; netpotje raakt de oplossing bij de start.
OplossingJuiste concentratie, correct afgemeten.
OpvolgingDrie metingen met eenheid en opmerkingen (kleur, wortels, algen).
UitlegRol van de luchtlaag en van het donker juist verklaard.
Uitdagen

Uitdagen

transfer, open problemen, leerlijnen combineren
27.13

Habitat: ontwerp je eigen groeiproef voor de meetkas

Uitdagen4Habitat60 min
In het handboek werd een groeiproef met schaduwdoek ontworpen. Ontwerp nu zelf een groeiproef voor de twaalf bakjes van de meetkas, met een andere onafhankelijke variabele. Kies bijvoorbeeld: de zaaidichtheid, de sterkte van de voedingsoplossing, 's avonds extra licht van de ledstrip in maart, of de soort pluksla. Hou rekening met wat de kas kan: één reservoir en één druppelslang voor alle bakjes, twee helften ledstrip (één per rij), sensoren voor temperatuur, licht en bodemvocht.
  1. a
    Onderzoeksvraag en hypothese (met een reden uit dit hoofdstuk).
  2. b
    Variabelen: onafhankelijk (met de waarden), afhankelijk (hoe gemeten), en minstens vier gecontroleerde.
  3. c
    Teken het plan van de twaalf bakjes (twee rijen van zes) en leg uit hoe je de plaatsen verdeelt.
  4. d
    Welke eigenschap van de kas maakt jouw variabele moeilijk om eerlijk te testen? Hoe los je dat op?
  5. e
    Maak de lege resultatentabel.
Zo wordt dit beoordeeld
Vraag en hypotheseEén onafhankelijke variabele, meetbaar, hypothese met een biologische reden.
EerlijkControlegroep, herhaling (minstens 3 bakjes per groep), geloten plaatsen over beide rijen.
Haalbaar in de kasHoudt rekening met het ene reservoir, de druppelslang en de twee ledstriphelften.
MetenZinvolle afhankelijke variabele (versgewicht of drooggewicht), tabel met eenheden, sensoren benut.
27.14

Waterpest onder de lamp

Uitdagen4Analyseren25 min
Een takje waterpest in een proefbuis met water maakt in het licht belletjes zuurstof. Een leerling telt de belletjes per minuut met de lamp op verschillende afstanden, eerst in gewoon kraanwater en dan in water met een snuifje natriumwaterstofcarbonaat, dat extra koolstofdioxide in het water brengt. Elke waarde is het gemiddelde van drie tellingen. Een ledlamp gebruiken, en de buis in een bekerglas water zetten, houdt de temperatuur gelijk. Het licht neemt af met de afstand: op 20 cm is het 4 keer zwakker dan op 10 cm.
afstand tot de lamp (cm)lichtsterkte (% van 10 cm)bellen per minuut, gewoon waterbellen per minuut, met extra CO2
101001438
20251323
30111010
40665
  1. a
    Zet beide reeksen in één grafiek: lichtsterkte (%) horizontaal, bellen per minuut verticaal.
  2. b
    Bij welke afstanden is licht de beperkende factor? Hoe zie je dat aan de tabel?
  3. c
    Wat is de beperkende factor in gewoon water op 10 en 20 cm? Leg uit.
  4. d
    Waarom is het belangrijk dat de temperatuur gelijk blijft? Wat zou een gewone gloeilamp dicht bij de buis veranderen?
  5. e
    Het aantal belletjes is maar een ruwe maat voor de fotosynthese. Noem een reden, en een betere manier van meten.
Hint
Waar liggen beide reeksen (met en zonder extra CO₂) even hoog? Daar helpt extra CO₂ niet, dus beperkt iets anders.
27.15

Ontwerp: een blad voor de woestijn

Uitdagen4Ontwerpen30 min
Een blad moet twee dingen tegelijk: veel licht en koolstofdioxide opvangen, en zo weinig mogelijk water verliezen. Een sla- of bonenblad is plat, dun en groot, met duizenden huidmondjes. Een cactus heeft helemaal geen gewone bladeren: zijn dikke groene stam doet de fotosynthese, en zijn huidmondjes gaan vooral 's nachts open.
  1. a
    Waarom is een plat en dun blad goed voor de fotosynthese? Denk aan licht en aan de weg die CO₂ moet afleggen.
  2. b
    Waarom zou zo'n blad in een woestijn een slecht ontwerp zijn?
  3. c
    Ontwerp een blad voor een woestijnplant. Beschrijf of schets minstens drie aanpassingen en zeg wat elke aanpassing kost.
  4. d
    Waarom is het slim dat een cactus zijn huidmondjes 's nachts opent, terwijl de fotosynthese licht nodig heeft? (Tip: hij kan CO₂ 's nachts opslaan.)
Zo wordt dit beoordeeld
BegripVerband tussen oppervlak, licht, CO₂-opname en waterverlies juist gelegd.
OntwerpMinstens drie aanpassingen met een duidelijke functie.
AfwegingBij elke aanpassing een nadeel of kost benoemd.
27.16

Debat: planten in je slaapkamer

Uitdagen3Argumenteren20 min
Een oma zegt: 'Zet 's nachts geen planten in je slaapkamer, ze nemen je zuurstof af!' Een influencer zegt: 'Een paar kamerplanten zuiveren de lucht in je kamer.' Enkele getallen: een grote kamerplant geeft 's nachts ongeveer 1 g koolstofdioxide af; een slapende mens ongeveer 20 g per uur; de lucht van een slaapkamer van 30 m³ bevat ongeveer 8 kg zuurstof.
  1. a
    Hoeveel koolstofdioxide geeft een slapende mens af in een nacht van 8 uur? Vergelijk met de plant.
  2. b
    Heeft oma gelijk? Gebruik de getallen en wat je weet over fotosynthese en ademhaling.
  3. c
    Wat denk je van de uitspraak van de influencer? Wat zou je willen weten of meten voor je het gelooft?
Zo wordt dit beoordeeld
RekenwerkVergelijking mens en plant correct, met eenheden.
ArgumentatieGebruikt fotosynthese en ademhaling juist; onderscheidt mening en meetbaar feit.
ZelfevaluatieKleur per doel: lukt al / bijna / nog niet