I2. Experimenten ontwerpen en rapporteren — oplossingen
IIntermediate · deel I1 · Onderzoeken met data
Oplossingen · hoofdstuk 2Experimenten ontwerpen en rapporteren
Een eerlijke proef ontwerpen, alles noteren en er een verslag over schrijven dat een ander kan controleren
Uitgewerkte oplossingen bij de 14 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Een eerlijke vergelijking van twee lichtkleuren: elk vak een eigen lamp, elke pot een nummer, elke meting in het journaal.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
2.1
Vraag, hypothese of voorspelling?
Oefenen3Begrijpen10 min
Een groep onderzoekt papieren helikopters. Welk soort uitspraak is elke zin?
a
Hoe hangt de valtijd van een papieren helikopter af van de lengte van de vleugels?
Avraag
Bhypothese
Cvoorspelling
Dresultaat
Ebesluit
Vraag.
b
Langere vleugels vangen meer lucht, waardoor de luchtweerstand groter wordt.
Avraag
Bhypothese
Cvoorspelling
Dresultaat
Ebesluit
Hypothese: een verklaring (meer lucht, meer luchtweerstand).
c
Als we de vleugels van 5 cm naar 10 cm verlengen, dan neemt de valtijd over 2,00 m toe.
Avraag
Bhypothese
Cvoorspelling
Dresultaat
Ebesluit
Voorspelling: wat je zal meten als de hypothese klopt, in 'als ..., dan ...'-vorm.
d
Met vleugels van 10 cm viel de helikopter in (2,41 ± 0,08) s.
Avraag
Bhypothese
Cvoorspelling
Dresultaat
Ebesluit
Resultaat: een gemeten waarde met fout.
e
De valtijd nam toe met de vleugellengte; de resultaten ondersteunen de hypothese.
Avraag
Bhypothese
Cvoorspelling
Dresultaat
Ebesluit
Besluit: het antwoord op de vraag, getoetst aan de hypothese.
2.2
Variabelen benoemen
Oefenen3Begrijpen15 min
(A) Leerlingen laten een speelgoedautootje van een helling rijden onder 10°, 20° en 30° en meten hoe ver het daarna op de vloer uitrijdt. Ze gebruiken telkens hetzelfde autootje en starten op dezelfde afstand van de voet van de helling. (B) In de meetkas krijgen drie bakken radijs 0, 50 en 100 mL water per dag. Na vier weken worden de knollen gewogen. (C) Een leerling test of een ventilator de kas koeler houdt: op maandag staat hij aan, op dinsdag uit. Ze vergelijkt de hoogste temperatuur van beide dagen.
a
Vul de tabel in.
A: hellingshoek; uitrijafstand op de vloer; hetzelfde autootje, dezelfde startafstand (ook: dezelfde vloer, zonder duw loslaten). B: hoeveelheid water per dag; massa van de knollen; ras, bakgrootte (ook potgrond, licht). C: ventilator aan of uit; hoogste temperatuur van de dag; dezelfde kas, dezelfde sensor.
b
Proef C heeft een verstorende variabele. Welke, en hoe los je dat op?
Het weer: maandag kan zonniger zijn dan dinsdag, en de zon verandert samen met de ventilator. Oplossen: veel dagen, per dag geloot aan of uit; of twee identieke kassen tegelijk, één met en één zonder ventilator, en na een week wisselen.
c
Proef B heeft één bak per behandeling. Waarom is dat een probleem?
Eén bak per behandeling is geen herhaling: een verschil kan door die ene bak komen (andere grond, andere plek). Er zijn meerdere bakken per behandeling nodig.
2.3
Een scherpere onderzoeksvraag
Oefenen4Begrijpen15 min
Deze vragen zijn te vaag om te onderzoeken.
a
Is kokosvezel beter dan potgrond?
Bijvoorbeeld: 'Wat is het effect van het substraat (kokosvezel of potgrond) op de verse massa van basilicum na vijf weken?'
b
Werkt isolatie?
Bijvoorbeeld: 'Hoe hangt het warmteverlies van de kas (in W) af van de dikte van de isolatieplaat (0, 2, 4 en 6 cm)?'
c
Is onze pomp sterk genoeg?
Bijvoorbeeld: 'Hoeveel liter per minuut levert de pomp bij een opvoerhoogte van 0,5 m, 1,0 m en 1,5 m?'
d
Kies één van je vragen en operationaliseer de afhankelijke variabele: hoe meet je ze precies, met welk instrument en in welke eenheid?
Bijvoorbeeld: verse massa = het bovengrondse deel afknippen op het substraatoppervlak, binnen vijf minuten wegen op een balans van 0,1 g, in gram.
2.4
In welk deel van het verslag?
Oefenen3Analyseren10 min
Deze zinnen komen uit het verslag van de slaproef. Omcirkel bij elke zin waar ze thuishoort: I (inleiding), M (methode), R (resultaten) of D (discussie).
a
De planten werden met een rekenblad willekeurig over de zes vakjes verdeeld.
AI
BM
CR
DD
M: hoe de planten verdeeld werden, hoort bij de werkwijze.
b
Onder wit licht was de gemiddelde verse massa (121 ± 18) g.
AI
BM
CR
DD
R: een gemeten resultaat met zijn fout, zonder uitleg.
c
Verlichting is een van de grootste energieposten in een serre.
AI
BM
CR
DD
I: achtergrond die toont waarom het onderzoek ertoe doet.
d
Mogelijk speelde de temperatuur een rol, al verschilde die hoogstens 0,6 °C.
AI
BM
CR
DD
D: een mogelijke verklaring of beperking, voorzichtig geformuleerd.
e
We verwachtten dat rood-blauw licht beter benut zou worden.
AI
BM
CR
DD
I: de hypothese staat in de inleiding, vóór de proef.
f
Figuur 1 toont de verse massa van elke plant.
AI
BM
CR
DD
R: verwijzing naar een figuur met de gegevens.
g
Een vervolgproef met meer planten per groep kan uitmaken of er een klein verschil is.
AI
BM
CR
DD
D: vervolgonderzoek hoort bij de discussie.
h
De verse massa werd gemeten met een balans (± 0,1 g) na het afknippen op het grondoppervlak.
AI
BM
CR
DD
M: hoe en met welk instrument gemeten werd.
2.5
Bronnen in APA-stijl
Oefenen4Begrijpen15 min
Gegevens van twee bronnen: (1) Een artikel van Edwin Hubble uit 1929, getiteld 'A relation between distance and radial velocity among extra-galactic nebulae', in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences, volume 15, nummer 3, bladzijden 168 tot 173, DOI 10.1073/pnas.15.3.168. (2) Een boek van Georg Simon Ohm uit 1827, getiteld Die galvanische Kette, mathematisch bearbeitet, uitgegeven door T. H. Riemann.
a
Schrijf beide bronnen zoals ze in de bronnenlijst staan, in de juiste volgorde.
Alfabetisch: eerst Hubble, dan Ohm. Hubble, E. (1929). A relation between distance and radial velocity among extra-galactic nebulae. Proceedings of the National Academy of Sciences, 15(3), 168–173. https://doi.org/10.1073/pnas.15.3.168 Ohm, G. S. (1827). Die galvanische Kette, mathematisch bearbeitet. T. H. Riemann.
b
Schrijf de verwijzing in de tekst tussen haakjes voor bron (1), en voor een bron van drie auteurs uit 2020 waarvan de eerste Janssens heet.
(Hubble, 1929) en (Janssens et al., 2020).
c
Je neemt letterlijk een zin over van bladzijde 170 van bron (1). Wat moet je doen?
De zin tussen aanhalingstekens zetten en de bladzijde vermelden: (Hubble, 1929, p. 170).
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
2.6
Zoek de fouten in deze proefopzet
Toepassen5Analyseren20 min
Twee leerlingen willen weten of een nieuwe vloeibare meststof basilicum sneller laat groeien. Ze kopen zes plantjes. De drie mooiste krijgen meststof en komen op de vensterbank bij de verwarming; de drie andere krijgen gewoon water en staan achteraan in het lokaal. Na twee weken meet de leerling die het idee had de hoogte van elke plant. Ze schrijven: 'De planten met meststof waren gemiddeld 2 cm hoger. Onze hypothese is bewezen.'
a
Noem minstens vijf fouten in de opzet of in het besluit.
(1) De groepen werden niet geloot: de mooiste planten kregen de meststof. (2) Plaats valt samen met behandeling: licht en warmte bij het raam zijn verstorende variabelen. (3) Drie planten per groep is weinig; 2 cm zegt niets zonder de spreiding. (4) Wie meet, weet welke plant meststof kreeg (niet blind). (5) 'Groei' is niet geoperationaliseerd: hoogte bij de start werd niet gemeten, hoogte is een zwakke maat. (6) 'Bewezen' is te sterk: een proef ondersteunt of weerlegt.
b
Herschrijf de proefopzet zodat ze eerlijk is.
Bijvoorbeeld: 20 plantjes van hetzelfde ras en dezelfde grootte; per plant geloot of hij meststof of water krijgt; alle potten door elkaar (geloot) op dezelfde tafel met dezelfde lamp; op code; na vier weken bovengronds afknippen en blind wegen; startmassa of starthoogte noteren; gemiddelde ± s per groep vergelijken en het verschil tegenover de spreiding beoordelen.
2.7
Ontwerp een kiemproef
Toepassen5Ontwerpen30 min
Hydroponische teelt gebeurt vaak met een voedingsoplossing van 18 tot 22 °C. Ontwerp een proef die onderzoekt hoe de temperatuur de kieming van radijszaadjes beïnvloedt. Je hebt een koelkast (6 °C), het lokaal (20 °C), een broedstoof die je kan instellen, petrischalen en 500 zaadjes.
a
Onderzoeksvraag, hypothese en voorspelling.
Bijvoorbeeld: 'Hoe hangt het percentage gekiemde radijszaadjes na 72 uur af van de temperatuur (6, 20 en 30 °C)?' Hypothese: kieming is een reeks enzymreacties die bij hogere temperatuur sneller gaan, tot een optimum. Voorspelling: als dat klopt, kiemen na 72 uur meer zaadjes bij 20 °C dan bij 6 °C.
b
Variabelen: onafhankelijk (met de waarden die je kiest), afhankelijk (geoperationaliseerd), minstens vier gecontroleerde.
Onafhankelijk: temperatuur (6, 20, 30 °C). Afhankelijk: % gekiemd na 72 h, gekiemd = worteltje van minstens 2 mm. Gecontroleerd: zakje zaden, aantal zaadjes per schaal, hoeveelheid water, soort filtreerpapier, donker of licht, tijdstip van tellen.
c
Hoe zorg je voor herhalingen, loting en blind tellen?
Bijvoorbeeld vijf schalen per temperatuur met elk 20 zaadjes; welke schaal waar komt, wordt geloot; schalen krijgen een code en wie telt, kent de sleutel niet.
d
Teken de tabel waarin je de ruwe gegevens zal noteren.
Kolommen: code, temperatuur (°C, pas na het tellen invullen), aantal zaadjes, aantal gekiemd na 72 h, opmerkingen.
Zo wordt dit beoordeeld
Vraag en hypothese
Vraag met één onafhankelijke en één afhankelijke variabele; hypothese met een reden; voorspelling in als-dan-vorm.
Variabelen
Minstens drie temperaturen; kieming precies gedefinieerd; relevante gecontroleerde variabelen.
Eerlijkheid
Meerdere schalen per temperatuur, geloot, op code en blind geteld.
Tabel
Grootheden en eenheden in de kop, een rij per schaal, ruimte voor opmerkingen.
2.8
Labo: de papieren helikopter, met labojournaal
Toepassen5Labo50 min
Knip papieren helikopters met vleugels van 4, 6, 8 en 10 cm (verder alles gelijk, met één paperclip onderaan). Laat ze van 2,00 m hoogte vallen en meet de valtijd. Houd alles bij in je labojournaal volgens de regels uit het handboek.
Vier vleugellengtes, vijf keer elk, alles in het journaal.
a
Noteer in je journaal: vraag, hypothese, voorspelling en variabelen, voor je begint.
Bijvoorbeeld: 'Hoe hangt de valtijd over 2,00 m af van de vleugellengte?' Hypothese: langere vleugels draaien in meer lucht en ondervinden meer luchtweerstand. Voorspelling: als dat klopt, neemt de valtijd toe met de vleugellengte.
b
Meet vijf keer per vleugellengte, in een geloot volgorde van lengtes.
Typisch liggen valtijden tussen ongeveer 1,5 en 3 s, stijgend met de vleugellengte; de spreiding per lengte is enkele honderdsten tot een tiende van een seconde.
c
Waarom meet je in een gelote volgorde en niet eerst vijf keer 4 cm, dan vijf keer 6 cm enzovoort?
Zo vallen veranderingen tijdens de proef (je wordt handiger, de helikopter wordt slapper, iemand opent een raam) niet samen met één vleugellengte: ze verdelen zich over alle lengtes.
d
Schrijf een besluit van drie zinnen, met de resultaten als waarde ± fout.
Bijvoorbeeld: 'De valtijd steeg van (1,6 ± 0,1) s bij 4 cm tot (2,5 ± 0,1) s bij 10 cm. De verschillen zijn veel groter dan de spreiding. De resultaten ondersteunen de hypothese.'
Zo wordt dit beoordeeld
Journaal
Gedateerd, in pen, ruwe gegevens met eenheden, correcties leesbaar doorgehaald, afwijkingen genoteerd.
Opzet
Eén variabele veranderd; valhoogte, papier en loslaten gelijk; gelote volgorde.
Verwerking
Gemiddelde en s per lengte, correct afgerond.
Besluit
Antwoord op de vraag, getoetst aan de voorspelling, met de grootte van het verschil tegenover de spreiding.
2.9
Bronnen beoordelen
Toepassen5Analyseren20 min
Voor de slaproef zoek je informatie over groeiledlampen. Je vindt: (A) een artikel uit 2021 in een wetenschappelijk tijdschrift met peer review, met methode, metingen en 45 bronnen; (B) een blog van een webwinkel die groeilampen verkoopt: 'Tot 40 % meer oogst met onze rood-blauwe panelen!'; (C) een Wikipedia-pagina over tuinbouwverlichting met 38 bronverwijzingen; (D) een forumbericht van een hobbykweker met foto's van zijn eigen oogst; (E) een antwoord van een AI-chatbot met twee bronnen erbij.
a
Beoordeel elke bron kort met de vijf vragen (actueel, relevant, auteur, accuraat, doel).
A: actueel, relevant, deskundige auteurs, controleerbaar, doel informeren: sterk. B: auteur verkoopt het product, geen methode, stellige belofte zonder bewijs: zwak. C: tertiair, handig om te beginnen en bronnen te vinden, maar niet om te citeren. D: één persoon, geen controlegroep, geen methode: hoogstens een idee voor een vraag. E: geen controleerbare auteur; kan verzinnen.
b
Welke bron(nen) gebruik je in je inleiding, en hoe gebruik je de andere?
A in de inleiding. C als startpunt om primaire bronnen te vinden (zoals A). B en D niet als bewijs; hoogstens als voorbeeld van wat verkopers of hobbyisten beweren.
c
Wat doe je met de twee bronnen die de chatbot vermeldt?
Zoek ze zelf op. Bestaan ze, lees ze en beoordeel ze als elke andere bron; vermeld dan die bron, niet de chatbot. Bestaan ze niet, dan weet je dat het antwoord verzonnen kan zijn.
2.10
Resultaten en discussie schrijven
Toepassen6Analyseren35 min
Een klas vergeleek basilicum in potgrond met basilicum in kokosvezel, acht planten per groep, geloot en blind gewogen. De verse massa na vijf weken (g):
plant
1
2
3
4
5
6
7
8
potgrond (g)
38,0
35,4
40,8
44,1
47,7
42,5
39,2
38,1
kokosvezel (g)
50,7
55,2
48,4
40,8
42,2
55,0
48,0
38,3
Een vooronderzoek gaf een spreiding van ongeveer 5 g per groep.
a
Bereken per groep het gemiddelde en de standaardafwijking.
Maak een figuur die elke plant en per groep het gemiddelde ± s toont.
Twee kolommen stippen (potgrond, kokosvezel) met per groep een streep op het gemiddelde en een balkje van één s erboven en eronder; as 'verse massa (g)'.
c
Schrijf de paragraaf Resultaten (drie à vier zinnen, met verwijzing naar je figuur).
Bijvoorbeeld: 'De verse massa na vijf weken was (40,7±3,9) g in potgrond en (47,3±6,4) g in kokosvezel (n=8 per groep, figuur 1). De planten in kokosvezel waren gemiddeld 6,6 g zwaarder. De spreiding in kokosvezel was groter (38,3 tot 55,2 g).'
d
Schrijf de paragraaf Discussie. Gebruik de vuistregel om te beoordelen hoe sterk je besluit mag zijn.
Bijvoorbeeld: 'De resultaten wijzen erop dat basilicum in kokosvezel zwaarder wordt. Met acht planten per groep en een spreiding van ongeveer 5 g zien we betrouwbaar verschillen vanaf 4×5/8≈7g; het gevonden verschil (6,6 g) ligt op die grens. We beschouwen het als een aanwijzing, niet als een sluitend bewijs. Een herhaling met ongeveer 16 planten per groep (16⋅(5/5)2 voor een verschil van 5 g) kan het bevestigen.'
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
2.11
Hoeveel planten heb je nodig?
Uitdagen6Rekenen20 min
Voor een nieuwe slaproef weet je uit de vorige proef dat de verse massa binnen een groep een standaardafwijking van ongeveer 18 g heeft. Gebruik de vuistregel n≈16(s/δ)2 per groep.
a
Hoeveel planten per groep heb je nodig om een verschil van 15 g te kunnen aantonen?
16⋅(18/15)2=23,04: afgerond naar boven 24 planten per groep.
b
En voor een verschil van 7,5 g? Vergelijk en verklaar.
16⋅(18/7,5)2=92,16: 93 planten per groep, vier keer zoveel. Het verschil is half zo groot, en n hangt af van het kwadraat van s/δ.
c
Je hebt maar plaats voor 32 planten in totaal. Welk verschil kan je dan nog betrouwbaar aantonen?
16 per groep: δ≈4s/n=4×18/16=18g.
d
Een klasgenoot zet 32 planten onder twee lampen (16 per kleur) en zegt: 'n = 16'. Wat is het probleem, en hoe los je het op met dezelfde 32 planten?
Pseudoreplicatie: met één lamp per kleur is er maar één herhaling van elke lamp. Een verschil kan door die ene lamp of die ene plek komen. Oplossing: vier lampen per kleur met elk vier planten, geloot over de plaatsen; of halverwege de lampen van plaats wisselen.
2.12
Debat: moet de weger blind zijn?
Uitdagen6Argumenteren25 min
Bij de slaproef zegt een groepslid: 'Blind wegen is overdreven. Een balans liegt niet: 121 g is 121 g, of ik nu weet welke lamp het was of niet.'
a
Geef twee argumenten die het groepslid gelijk geven.
De balans zelf is objectief; wegen is een eenvoudige handeling met weinig ruimte voor keuzes; blind werken kost tijd en organisatie.
b
Geef minstens drie momenten in de proef waarop de verwachting van wie meet het resultaat toch kan beïnvloeden.
Waar je afknipt (net boven of net onder het onderste blad); hoeveel aarde of water je eraf schudt; of je een geel of beschadigd blad meeweegt; wanneer je afleest (voor of na het stabiliseren); welke plant je als 'mislukt' uit de proef haalt.
c
Neem een standpunt in en verdedig het in vijf zinnen. Verwijs naar het verhaal van Kluge Hans.
Bijvoorbeeld: blind wegen is nodig. De balans heeft geen verwachting, maar de handen die de plant voorbereiden wel. Kluge Hans toont dat mensen onbewust signalen geven en keuzes maken in de richting die ze verwachten, zonder te willen bedriegen. Blind wegen kost maar een rol plakband en een klasgenoot met de sleutel. Het beschermt ons resultaat tegen de kritiek dat we zagen wat we wilden zien.
2.13
Een verslag beoordelen
Uitdagen6Analyseren25 min
Een klasgenoot vraagt feedback op een deel van zijn verslag. Lees het fragment.
Methode. We hebben planten in twee bakken gezet, de ene met voeding en de andere zonder. We hebben ze om de paar dagen gemeten.
Resultaten. De planten met voeding groeiden veel beter, zie de foto. Gemiddeld 14,3333 cm tegenover 11,5 cm. Dat komt doordat voeding goed is voor planten.
Besluit. Voeding werkt, dus onze hypothese is bewezen.
a
Noem vijf concrete problemen in dit fragment, telkens met het deel van het verslag waar het hoort.
(1) Methode: geen aantallen planten, geen loting, 'om de paar dagen' en 'gemeten' zijn niet herhaalbaar (wat, hoe, met welk instrument?). (2) Resultaten: 'veel beter' en 'zie de foto' zijn geen gegevens; er is geen figuur met metingen. (3) Resultaten: 14,3333 cm heeft schijnprecisie en geen fout. (4) Resultaten: 'Dat komt doordat ...' is interpretatie en hoort in de discussie. (5) Besluit: 'bewezen' is te sterk, en zonder spreiding en aantallen kan je niet zeggen of het verschil groter is dan het toeval.
b
Herschrijf de eerste zin van de Resultaten zoals die in een goed verslag zou staan (je mag gegevens verzinnen voor de spreiding, maar zeg dat).
Bijvoorbeeld (spreiding verzonnen): 'Na vier weken waren de planten met voeding (14,3 ± 1,8) cm hoog en die zonder voeding (11,5 ± 2,1) cm (n=6 per groep, figuur 1).'
c
Schrijf je feedback in twee zinnen die je klasgenoot helpen, niet alleen afbreken.
Bijvoorbeeld: 'Je proef heeft een duidelijke vraag en een controlegroep, dat is een goed begin. Maak je methode zo precies dat ik ze kan overdoen, en zet in je resultaten gemiddelden met hun standaardafwijking in plaats van de foto.'
2.14
Habitat: een onderzoeksplan voor de klimaatmodule
Uitdagen7Habitat90 min
De klimaatmodule van Habitat krijgt een kweekruimte met ledverlichting, een hydroponiesysteem en een ventilator. Kies één ontwerpbeslissing die je met een proef wil onderbouwen, bijvoorbeeld: hoeveel uur licht per dag, welke EC van de voedingsoplossing, wel of geen ventilatie 's nachts, welk substraat. Schrijf het onderzoeksplan dat je aan de projectleiding voorlegt.
a
Titel, achtergrond (met minstens twee beoordeelde bronnen) en onderzoeksvraag.
Bijvoorbeeld: 'Het effect van de daglengte op de verse massa van sla in de kweekruimte.' Achtergrond: fotosynthese vraagt licht, maar licht kost energie; bronnen over daglengte bij sla. Vraag: 'Wat is het effect van de daglengte (12, 16 of 20 uur licht per dag, bij gelijke lichtsterkte) op de verse massa van sla na 28 dagen?'
b
Hypothese en voorspelling.
Hypothese: meer uren licht geeft meer fotosynthese per dag, tot de plant verzadigd raakt. Voorspelling: de massa stijgt van 12 naar 16 uur, en minder sterk van 16 naar 20 uur.
c
Variabelen, met de operationele definitie van de afhankelijke variabele en de meetfout van je instrumenten (hoofdstuk 1).
Onafhankelijk: daglengte. Afhankelijk: verse massa bovengronds na 28 dagen, afgeknipt op het substraat, gewogen op 0,1 g. Gecontroleerd: lichtsterkte, ras, voeding (EC, pH), temperatuur, pot.
d
Proefopzet: controlegroep, aantal herhalingen (met de vuistregel en een geschatte spreiding), loting, blind meten, mogelijke verstorende variabelen.
Controle: 16 uur (de gewone instelling). Spreiding uit de slaproef ongeveer 18 g; voor 20 g verschil 16⋅(18/20)2≈13 planten per groep, verdeeld over meerdere lampen; posities geloot; blind wegen op code; temperatuur per vak loggen (lampen die langer branden, warmen meer op).
e
Planning en afspraken over het labojournaal (wie, wat, wanneer).
Bijvoorbeeld: week 0 inzaaien en loten, dagelijks controle en journaal (beurtrol), week 4 oogst en blind wegen, week 5 verwerking en verslag.
f
Bronnenlijst in APA-stijl.
Minstens twee bronnen, alfabetisch, volledig volgens de vormen uit het naslagblad.
Zo wordt dit beoordeeld
Vraag en hypothese
Scherpe, meetbare vraag; hypothese met een reden uit de bronnen; voorspelling in als-dan-vorm.
Proefopzet
Controlegroep, onafhankelijke herhalingen onderbouwd met de vuistregel, loting, blind meten, verstorende variabelen benoemd en aangepakt.
Meten
Operationele definitie en meetfouten van de instrumenten.
Bronnen
Minstens twee bronnen, beoordeeld, correct vermeld in tekst en lijst.
Haalbaarheid
Realistische planning, materiaal en taakverdeling.