Van de helling tussen twee meetpunten naar de snelheid van verandering op één ogenblik
Uitgewerkte oplossingen bij de 17 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Om acht uur is de meetkas nog koud; twee uur later warmt ze vijf graden per uur op.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
1.1
Gemiddelde veranderingen, met eenheid
Oefenen6Rekenen15 min
Bereken telkens de gemiddelde veranderingssnelheid, met eenheid, en zeg in één zin wat het teken betekent.
a
Het reservoir van de meetkas bevat maandag om 8:00 27,4 L en donderdag om 8:00 22,0 L. Geef het resultaat in L/dag en in mL/h.
3dag22,0−27,4=−1,8L/dag=−1800/24=−75mL/h. Negatief: het reservoir raakt leeg (de planten drinken en er verdampt water).
b
De batterij van de module (3,07 kWh) staat op een donkere winteravond om 16:00 op 74 % en om 20:00 op 48 %. Geef het resultaat in %/h en in W.
4h48−74=−6,5%/h; in energie 0,065⋅3,07kWh=0,20kWh per uur, dus gemiddeld ongeveer 200 W uit de batterij (lampen 190 W en de basis). Negatief: de batterij ontlaadt.
c
De kas is om 10:00 20,5 °C en om 11:00 25,0 °C. Geef het resultaat in °C/h en in °C/min.
1h25,0−20,5=4,5∘C/h=0,075∘C/min. Positief: de kas warmt op.
d
Een NTC heeft bij 20 °C 12,54 kΩ en bij 30 °C 8,04 kΩ. Geef het resultaat in kΩ/K.
10K8,04−12,54=−0,450kΩ/K. Negatief: een NTC heeft een negatieve temperatuurcoëfficiënt. Ter vergelijking: de afgeleide bij 25 °C is −0,444kΩ/K.
1.2
Afleiden met de rekenregels
Oefenen6Rekenen25 min
Leid af naar de veranderlijke die in de functie staat. Vereenvoudig waar het kan.
In welk punt daalt de functie het snelst? Hoe zie je dat, en wat geldt daar voor f″?
In C: daar is de raaklijn het steilst naar beneden. f′ is daar minimaal, dus de afgeleide van f′ (dat is f″) is nul: een buigpunt.
c
Schets onder de grafiek het verloop van f′ (alleen de vorm: waar positief, negatief, nul, maximaal of minimaal).
f′ is een dalparabool: positief links van B, nul in B, negatief tussen B en D met het minimum in C, nul in D, positief rechts van D en stijgend. (De functie is f(x) = x³ − 6x² + 9x + 1, dus f′(x) = 3(x − 1)(x − 3).)
1.4
Een raaklijn opstellen
Oefenen6Rekenen12 min
Een steen valt vanuit stilstand: s(t)=4,905t2 (s in m, t in s).
a
Bereken de valsnelheid op t = 1,5 s en stel de vergelijking van de raaklijn aan de (s,t)-grafiek op in dat punt.
v=s′(1,5)=9,81⋅1,5=14,715m/s en s(1,5)=4,905⋅2,25=11,036m. Raaklijn: s=11,036+14,715(t−1,5), of s=14,715t−11,036.
b
Waar snijdt die raaklijn de t-as? Wat betekent de raaklijn fysisch?
s=0 bij t=11,036/14,715=0,75s, precies de helft van 1,5 s (dat geldt voor elke parabool ct2). Fysisch: de plaats die de steen zou hebben als hij vanaf t=1,5s met constante snelheid verder ging (of ervoor zo gekomen was).
1.5
Eenheden van afgeleiden
Oefenen6Begrijpen10 min
Een afgeleide heeft altijd een eenheid: die van de teller gedeeld door die van de noemer.
a
Geef de SI-eenheid (of een gebruikelijke) en een naam: dE/dt (E in J), dq/dt (q in C), dV/dt (V in L, t in min), d2x/dt2, dp/dh (druk tegenover diepte in water), dP/dU (P in W, U in V).
J/s = W (vermogen); C/s = A (stroom); L/min (debiet); m/s² (versnelling); Pa/m = N/m³ (in water ρg≈9,8kPa/m); W/V = A (bij P=U2/R is dP/dU=2U/R, twee keer de stroom).
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
1.6
De afgeleide van een wortel, uit de definitie
Toepassen7Analyseren15 min
De machtsregel werd hier alleen voor natuurlijke n bewezen. Controleer ze voor n=21.
a
Bereken limh→0hx+h−x voor x>0. Tip: vermenigvuldig teller en noemer met x+h+x.
Waarom bestaat de afgeleide niet in x=0? Wat betekent dat voor de grafiek?
2x1 groeit onbeperkt als x→0: de raaklijn wordt verticaal (oneindige helling). De grafiek vertrekt in de oorsprong loodrecht omhoog.
1.7
Het kasdak met een kubisch profiel
Toepassen7Rekenen20 min
Een eenvoudiger glad profiel voor het schuifpaneel is x(t)=s(3u2−2u3) met u=t/T, s=0,60m, T=7,0s.
a
Controleer dat x(0) = 0, x(T) = s en dat de snelheid in beide uiteinden nul is.
x(0)=0, x(T)=s(3−2)=s. v=Ts(6u−6u2)=T6su(1−u): nul in u=0 en u=1.
b
Bereken v(t) en a(t), de topsnelheid en de versnelling bij de start.
vmax bij u=21: 4T6s=1,5⋅7,00,60=0,1286m/s. a=T26s(1−2u), bij de start 496⋅0,60=0,0735m/s2.
c
Waarom verkiest een ontwerper toch het vijfdegraadsprofiel uit het handboek?
De versnelling springt bij de start van 0 naar 0,0735 m/s² en op het eind van −0,0735 naar 0: net als bij het trapeziumprofiel een oneindige schok (een tik). Het vijfdegraadsprofiel zet ook a(0) = a(T) = 0: de schok blijft eindig.
1.8
Laadstroom van een condensator
Toepassen7Rekenen15 min
In hoofdstuk 5 van Intermediate laadde een condensator van 470 µF via 22 kΩ op tot 5,0 V: u(t)=5,0(1−e−t/τ).
a
Bereken τ en leid de stroom i(t) = C du/dt af. Hoe groot is i(0) en i(τ)?
Na hoeveel seconden is de stroom kleiner dan 1 % van de beginwaarde?
e−t/τ=0,01⇒t=τln100=4,61τ=47,6s.
1.9
Van meterstand naar vermogen
Toepassen7Analyseren20 min
De energiemeter van de klimaatmodule wordt elk kwartier uitgelezen op een zomerochtend.
tijd
5:30
5:45
6:00
6:15
6:30
6:45
7:00
7:15
meterstand (Wh)
18 342,0
18 344,5
18 347,0
18 399,0
18 449,0
18 499,0
18 549,0
18 601,0
a
Bereken het gemiddelde vermogen in elk kwartier (in W).
Per kwartier (ΔE / 0,25 h): 10 W, 10 W, 208 W, 200 W, 200 W, 200 W, 208 W.
b
Wat gebeurde er om 6:00? En waarom zijn het kwartier van 6:00 en dat van 7:00 2 Wh 'zwaarder'? Gebruik het budget van hoofdstuk 20 van Intermediate.
Om 6:00 gaan de groeilampen aan (2 × 95 W = 190 W): het vermogen springt van 10 W naar ongeveer 200 W. De pomp van de waterkringloop (12 W) draait 10 minuten per uur, vanaf het hele uur: 12 W × 1/6 h = 2 Wh extra in het kwartier van 6:00 en van 7:00.
c
Bereken de centrale differentie in 6:00 (van 5:45 tot 6:15). Waarom is dat hier een slechte schatting van het vermogen om 6:00?
(18 399,0 − 18 344,5) / 0,5 h = 109 W: een gemiddelde van 'lampen uit' en 'lampen aan'. Bij een sprong bestaat de afgeleide niet; gebruik aan een schakelmoment een eenzijdige differentie, of meet vaker.
1.10
Snelheid uit gemeten plaatsen
Toepassen7Rekenen20 min
Een afstandssensor meet om de 0,5 s de plaats van het schuifpaneel (afgerond op mm).
t (s)
0,0
0,5
1,0
1,5
2,0
2,5
3,0
3,5
x (m)
0,000
0,002
0,014
0,042
0,087
0,148
0,221
0,300
t (s)
4,0
4,5
5,0
5,5
6,0
6,5
7,0
x (m)
0,379
0,452
0,513
0,558
0,586
0,598
0,600
a
Schat de snelheid op t = 2,0 s met een voorwaartse, een achterwaartse en een centrale differentie.
Het paneel volgt het vijfdegraadsprofiel met s=0,60m en T=7,0s. Bereken de echte snelheid op 2,0 s en vergelijk.
u=2/7: v=730⋅0,60u2(1−u)2=0,1071m/s. De centrale differentie zit er het dichtst bij; voorwaarts is te groot en achterwaarts te klein, omdat het paneel op dat moment nog versnelt.
c
Schat de versnelling op t = 1,0 s en op t = 3,5 s met h2xi+1−2xi+xi−1. Vergelijk met het model.
Op 1,0 s: 0,064 m/s² (model 0,064 m/s²); op 3,5 s: 0,000 m/s² (model 0). De afronding op 1 mm geeft bij h = 0,5 s al een onzekerheid van enkele mm/s² op a: een tweede afgeleide uit meetdata is nog gevoeliger voor ruis.
1.11
Een functie afgeleide() in Python
Toepassen7Programmeren25 min
Je schrijft een herbruikbare functie voor de centrale differentie en test ze.
a
Schrijf een functie afgeleide(f, x, h) die de centrale differentie teruggeeft, met een standaardwaarde voor h.
Zie de code hieronder: de functie staat bovenaan.
import math
def afgeleide(f, x, h=1e-5):
"""Centrale differentie: benadert f'(x) met een fout van orde h**2."""
return (f(x + h) - f(x - h)) / (2 * h)
b
Test ze met f = math.sin in x = 1 (exact: cos 1) voor h = 10⁻¹ tot 10⁻¹². Druk de fout af. Bij welke h is de fout het kleinst?
De testlus en haar echte uitvoer:
exact = math.cos(1.0)
for k in range(1, 13):
h = 10.0 ** -k
print("h = 1e-%02d fout %.1e" % (k, abs(afgeleide(math.sin, 1.0, h) - exact)))
h = 1e-01 fout 9.0e-04
h = 1e-02 fout 9.0e-06
h = 1e-03 fout 9.0e-08
h = 1e-04 fout 9.0e-10
h = 1e-05 fout 1.1e-11
h = 1e-06 fout 2.8e-11
h = 1e-07 fout 1.9e-10
h = 1e-08 fout 2.6e-09
h = 1e-09 fout 3.0e-09
h = 1e-10 fout 5.8e-08
h = 1e-11 fout 1.2e-06
h = 1e-12 fout 1.2e-05
c
Verklaar het verloop van de fout met twee oorzaken.
Tot h ≈ 10⁻⁵ daalt de fout met een factor 100 per stap (afbreekfout ∼ h²/6 · |f‴|, tweede orde). Daaronder domineert de afrondingsfout ∼ ε/h: de twee functiewaarden verschillen zo weinig dat hun verschil vooral uit afrondingsruis bestaat.
1.12
Habitat: de opwarmsnelheid van de meetkas
Toepassen7Habitat40 min
Het brein van het station krijgt de temperatuur van de meetkas om het kwartier (uit de voorbeeldreeks van de zonnige aprildag). Het dakraam moet open bij 28 °C.
tijd
8:00
8:15
8:30
8:45
9:00
9:15
9:30
9:45
10:00
T (°C)
11,1
12,1
13,0
14,4
15,5
16,8
17,9
19,3
20,7
tijd
10:15
10:30
10:45
11:00
11:15
11:30
11:45
12:00
T (°C)
21,8
22,8
24,0
24,9
25,9
26,8
27,7
28,7
a
Bereken de opwarmsnelheid met een centrale differentie (h = 15 min) in elk tijdstip van 8:15 tot 11:45.
Met (T(t + 15 min) − T(t − 15 min)) / 0,5 h:
tijd
dT/dt (°C/h)
tijd
dT/dt (°C/h)
8:15
3,8
10:15
4,2
8:30
4,6
10:30
4,4
8:45
5,0
10:45
4,2
9:00
4,8
11:00
3,8
9:15
4,8
11:15
3,8
9:30
5,0
11:30
3,6
9:45
5,6
11:45
3,8
10:00
5,0
b
Wanneer warmt de kas het snelst op, en hoe snel? Vergelijk met de h = 5 min-schatting in het handboek.
Het grootste resultaat is 5,6 °C/h om 9:45. De stap van 15 minuten geeft minder ruis dan 5 minuten (daar piekte de schatting tot 7,2 °C/h); het model zegt 5,0 °C/h om 9:27.
c
Voorspel om 11:00 met de raaklijn wanneer 28 °C bereikt wordt. Is dat te vroeg of te laat, en waarom?
t28=11+3,8028−24,9=11,82h, om 11:49. Gemeten: 11:55. Te vroeg: de opwarmsnelheid daalt na 10 uur (de kromme is bol, T¨<0), dus de raaklijn ligt boven de kromme.
d
Schrijf een korte aanbeveling (5 à 8 regels) voor de software: welke stap, welke differentie, en welke regel voor het dakraam.
Bijvoorbeeld: log om de 5 minuten, bereken de opwarmsnelheid met een centrale differentie over 30 à 45 minuten (minder ruis dan 0,2 °C/h) voor de analyse achteraf, en een achterwaartse differentie over 15 à 30 minuten voor de sturing (de toekomst is onbekend). Regel: open het dakraam als T + 0,25 h · dT/dt boven 28 °C komt of T zelf boven 28 °C is; sluit onder 25 °C (hysterese blijft). Negeer een opwarmsnelheid boven 15 °C/h als sensorfout.
Zo wordt dit beoordeeld
Berekening
Alle differenties correct, met eenheid; de tijden kloppen met het middelpunt van elke koorde.
Interpretatie
Maximum juist aangeduid; het verschil met de korte stap verklaard met ruis.
Voorspelling
Raaklijn correct gebruikt; te vroeg/te laat verklaard met de bolling (tweede afgeleide).
Aanbeveling
Stap en methode onderbouwd met ruis en afvlakken; een concrete, veilige regel voor het dakraam.
1.13
Wisselspanning over een condensator
Toepassen7Rekenen15 min
Het net levert u(t)=325sin(2π⋅50t) V (230 V effectief). Een ontstoringscondensator van 100 nF staat erover. Meet dit niet zelf: 230 V is levensgevaarlijk.
a
Leid de stroom i(t) = C du/dt af en bereken de grootste stroom.
i=C⋅325⋅2π⋅50cos(2π⋅50t), dus imax=10−7⋅325⋅314,2=10,2mA.
b
Op welke ogenblikken is de stroom maximaal? Wat is dan de spanning? Wat betekent dat?
Wanneer de cosinus ±1 is, dus wanneer de sinus nul is: de stroom is maximaal als de spanning door nul gaat (daar verandert ze het snelst). Stroom en spanning zijn een kwart periode (90°) verschoven: de basis van wisselstroom met condensatoren (hoofdstuk 7 en 20).
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
1.14
Bewijs de product- en de quotiëntregel
Uitdagen8Analyseren25 min
Het handboek maakte de productregel aannemelijk met een rechthoek. Maak het nu streng.
a
Bewijs (uv)′=u′v+uv′ uit de definitie. Tip: tel u(x+h)v(x) op en trek het weer af in de teller.
hu(x+h)v(x+h)−u(x)v(x)=u(x+h)hv(x+h)−v(x)+v(x)hu(x+h)−u(x). Neem de limiet: de breuken gaan naar v′(x) en u′(x), en u(x+h)→u(x). Dus (uv)′=uv′+vu′.
b
Waar gebruik je dat u continu is? Waarom is een afleidbare functie altijd continu?
In de stap u(x+h)→u(x). Een afleidbare functie is continu: u(x+h)−u(x)=h⋅hu(x+h)−u(x)→0⋅u′(x)=0.
c
Leid de quotiëntregel af uit de productregel en de kettingregel, met u/v=u⋅v−1.
(v−1)′=−v−2v′ (ketting), dus (uv−1)′=u′v−1+u⋅(−v−2v′)=v2u′v−uv′.
1.15
De beste stap, uit een model van de fout
Uitdagen8Analyseren25 min
Voor de centrale differentie is de totale fout ongeveer E(h)=6Mh2+hεF, met M=∣f′′′∣, F=∣f∣ en ε=2,2⋅10−16.
a
Zoek met de afgeleide de h waarvoor E(h) minimaal is, en de kleinste fout.
E′(h)=3Mh−h2εF=0⇒h∗=(M3εF)1/3. Invullen: E(h∗)=6Mh∗2+h∗εF=23εF/h∗ (want εF/h∗=3Mh∗2), dus Emin=23(εF)2/3(M/3)1/3.
b
Reken het uit voor f=ex in x=1 en vergelijk met de uitvoer van stapgrootte.py in het handboek.
F=M=e: h∗=(3ε)1/3=8,7⋅10−6, Emin≈1,0⋅10−10. De uitvoer toont het kleinste foutje bij h=10−5 à 10−7, van de orde 10−11 à 10−10. Klopt (het model geeft een orde van grootte; de afronding is toevallig en valt soms gunstig uit).
c
Doe hetzelfde voor de voorwaartse differentie. Waarom haalt die veel minder cijfers?
E(h)=2Mh+hεF geeft h∗=2εF/M=2,1⋅10−8 en Emin=2εFM≈5,7⋅10−8. De afbreekfout daalt maar lineair, dus je moet h veel kleiner maken en verliest meer aan afronding: ongeveer 8 in plaats van 10 à 11 juiste cijfers.
1.16
Onderzoek: ruis, stap en de resolutie van een sensor
Uitdagen9Onderzoeken60 min
Je onderzoekt met een simulatie hoe groot de stap moet zijn om een opwarmsnelheid uit ruisende metingen te halen. Het model is een opwarming T(t)=20+6sin(0,5t) (°C, t in uur), met gekende afgeleide.
a
Schrijf een programma dat om de 5 minuten metingen met normale ruis (σ = 0,1 °C) maakt, voor verschillende k de centrale differentie berekent en de rms-fout tegenover de echte afgeleide afdrukt, samen met de formule σ/(√2 h).
Bijvoorbeeld:
import math
import random
random.seed(1)
SIGMA = 0.1 # ruis van de sensor (graden Celsius)
STAP = 5 / 60 # 5 minuten tussen twee metingen (uur)
def model(t): # een opwarming met gekende afgeleide (graden Celsius, t in uur)
return 20 + 6 * math.sin(0.5 * t)
def echt(t):
return 3 * math.cos(0.5 * t)
ts = [i * STAP for i in range(200)]
ys = [model(t) + random.gauss(0, SIGMA) for t in ts]
for k in (1, 2, 4, 6, 9, 12, 18, 24):
fout = [((ys[i + k] - ys[i - k]) / (2 * k * STAP) - echt(ts[i])) ** 2 for i in range(k, len(ts) - k)]
print("h = %3d min rms-fout %.3f (ruis alleen: %.3f)"
% (5 * k, math.sqrt(sum(fout) / len(fout)), SIGMA / (math.sqrt(2) * k * STAP)))
b
Bij welke stap is de fout het kleinst? Verklaar het verloop met ruis en afvlakken.
Echte uitvoer van dat programma:
h = 5 min rms-fout 0.827 (ruis alleen: 0.849)
h = 10 min rms-fout 0.413 (ruis alleen: 0.424)
h = 20 min rms-fout 0.206 (ruis alleen: 0.212)
h = 30 min rms-fout 0.141 (ruis alleen: 0.141)
h = 45 min rms-fout 0.099 (ruis alleen: 0.094)
h = 60 min rms-fout 0.106 (ruis alleen: 0.071)
h = 90 min rms-fout 0.194 (ruis alleen: 0.047)
h = 120 min rms-fout 0.335 (ruis alleen: 0.035)
Bij kleine stap volgt de fout de ruisformule σ/(√2 h); bij grote stap groeit de afbreekfout h²/6 · |T‴| (hier |T‴| ≤ 6 · 0,125 = 0,75 °C/h³). Het minimum ligt waar beide ongeveer even groot zijn: hier bij h = 45 min (rms-fout 0,10 °C/h). Met een andere seed verschuift het wat, niet veel.
c
De meetkas meet met een TMP36 op de 10-bits ADC van een Uno: stappen van ongeveer 0,49 °C. Wat gebeurt er met een centrale differentie over 5 minuten als de temperatuur 3 °C/h stijgt? Welke twee maatregelen stel je voor?
Bij 3 °C/h stijgt de temperatuur 0,25 °C in 5 minuten: minder dan één ADC-stap. De meting blijft een tijd gelijk en springt dan 0,49 °C: de differentie over 5 min wisselt tussen 0 en ±5,9 °C/h (0,49 °C / (1/12 h)). Maatregelen: veel metingen middelen (met wat ruis wordt de resolutie fijner, bv. 16 metingen per minuut), een sensor met een fijnere resolutie (een digitale sensor van 0,0625 °C, of de NTC-deler met 0,09 °C per stap), en een differentie over 30 minuten of meer.
Zo wordt dit beoordeeld
Code
Correcte simulatie en differenties, fout tegenover de echte afgeleide, reproduceerbaar (seed).
Analyse
Minimum gevonden en verklaard met σ/(√2 h) en de afbreekfout.
Het dakraam van de meetkas werkt nu met twee drempels (open boven 28 °C, dicht onder 25 °C). Het brein van het station kan de opwarmsnelheid berekenen en zou het raam eerder kunnen openen. Het raam heeft 8 s nodig, maar de kas reageert pas na enkele minuten.
a
Ontwerp een regel die de opwarmsnelheid gebruikt. Schrijf ze als pseudocode of Python.
Bijvoorbeeld:
snelheid = (T[nu] - T[nu - 6]) / 0.5 # achterwaarts over 30 min, °C/h
voorspeld = T[nu] + 0.25 * snelheid # een kwartier vooruit
if T[nu] > 28 or (voorspeld > 28 and snelheid > 1):
open_raam()
elif T[nu] < 25 and voorspeld < 26:
sluit_raam()
b
Welke stap en welke differentie kies je? Wat doe je bij ontbrekende of onmogelijke metingen?
Achterwaarts, want de toekomst is onbekend; over 30 min (ruis op de snelheid dan ongeveer 0,2 à 0,3 °C/h). Ontbrekende meting: deel door het echte tijdsverschil of sla de beslissing over; onmogelijke waarden (buiten −30 tot 60 °C, sprong groter dan 2 °C in 5 min) negeren en alarm geven.
c
Hoe voorkom je dat het raam bij een wolk die voorbijtrekt open en dicht klappert?
Hysterese behouden (sluiten pas onder 25 °C), een minimale tijd open (bv. 15 min), en de snelheid alleen gebruiken als ze een tijd positief blijft. Een wolk doet de snelheid even dalen, maar de temperatuur blijft boven 25 °C.
d
Hoe test je je regel vóór hij in de echte kas draait?
Offline op opgenomen of gesimuleerde reeksen (de voorbeeldreeks, een bewolkte dag): tel de raambewegingen en de minuten boven 28 °C, vergelijk met de oude regel. Pas daarna in de kas, met de oude regel als vangnet.
Zo wordt dit beoordeeld
Regel
Gebruikt een voorspelling T + Δt · dT/dt met een verantwoorde Δt; behoudt de veilige drempel van 28 °C.
Robuustheid
Achterwaartse differentie met voldoende stap; sensorfouten en ontbrekende data opgevangen.
Stabiliteit
Hysterese of minimale open-tijd tegen klapperen, met getallen.
Test
Simulatie op de voorbeeldreeks of opgenomen data vóór gebruik; criteria om te slagen.