Van citroensap tot ontstopper: een logaritmische schaal, een kleurstof uit rode kool en een druppel die alles verandert
Uitgewerkte oplossingen bij de 16 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Je verdunt oplossingen van sterke zuren en basen met water.
a
250 mL zoutzuur met pH 2,00 wordt aangevuld tot 2,5 L. Welke pH krijg je?
Factor 10: pH 3,00.
b
20 mL salpeterzuur met pH 1,30 wordt aangevuld tot 500 mL. Welke pH?
Factor 500/20=25: de pH stijgt met log25=1,40, dus pH 2,70.
c
Natronloog met pH 12,6 wordt honderd keer verdund. Welke pH?
Factor 100: [OH−] honderd keer kleiner, pOH twee hoger, pH twee lager: 10,6.
d
Hoeveel keer moet je zoutzuur met pH 1,0 verdunnen om pH 5,0 te krijgen? Hoeveel water is dat voor 1 mL zuur?
Vier pH-eenheden: 104=10000 keer. Voor 1 mL zuur: aanvullen tot 10 L, dus bijna 10 L water. Zo 'verdwijnt' een zuur in veel water, maar het blijft zuur.
15.4
Welke indicator?
Oefenen4Begrijpen12 min
Gebruik de tabel met omslaggebieden uit het handboek.
De omslaggebieden van vier indicatoren.
a
Welke kleur heeft broomthymolblauw in regenwater (pH 5,6), in bloed (pH 7,4) en in zeepsop (pH 10)?
Regenwater: geel (onder 6,0). Bloed: groen tot groenblauw (7,4 ligt in het omslaggebied, bijna aan de blauwe kant). Zeepsop: blauw.
b
Een oplossing is kleurloos met fenolftaleïne en geel met methyloranje. Tussen welke pH-waarden ligt ze?
Kleurloos met fenolftaleïne: pH onder 8,2. Geel met methyloranje: pH boven 4,4. Dus tussen 4,4 en 8,2.
c
Welke indicator gebruik je om te controleren of de voedingsoplossing van Habitat tussen 5,5 en 6,5 ligt? Waarom is een pH-meter toch beter?
Methylrood (4,4-6,2) of broomthymolblauw (6,0-7,6) komen het dichtst: methylrood is oranje in het werkgebied tot 6,2, broomthymolblauw geel onder 6,0 en groen erboven. Geen van beide dekt 5,5-6,5 netjes, en je leest kleuren niet tot op 0,1 nauwkeurig. Een geijkte pH-meter geeft een getal met twee decimalen.
15.5
Neutralisaties schrijven
Oefenen4Rekenen15 min
Schrijf de kloppende reactievergelijking en geef de naam van het zout.
a
(a) salpeterzuur + natronloog; (b) zoutzuur + kaliloog; (c) zwavelzuur + natronloog; (d) zoutzuur + calciumhydroxide Ca(OH)2; (e) fosforzuur H3PO4 + kaliloog, tot alle drie de protonen weg zijn.
Schrijf de ionenvergelijking die in alle vijf reacties hetzelfde is. Welke ionen zijn in (a) toeschouwers?
H3O++OH−⟶2H2O. In (a) zijn Na+ en NO3− toeschouwers.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
15.6
Labo: hoeveel zuur zit er in ontkalker?
Toepassen5Labo50 min
Je bepaalt met een titratie de concentratie van een ontkalker op basis van citroenzuur (drie protonen per molecule, M=192,12 g/mol) of van azijn. Je krijgt natronloog van 0,100 mol/L, fenolftaleïne, een buret, een volumepipet van 25 mL en een maatkolf van 100 mL.
a
Maak een werkplan: welke verdunning kies je en waarom? Hoeveel mL natronloog verwacht je ongeveer?
Bij azijn van 5 %: tien keer verdunnen en 25 mL titreren geeft ongeveer 21 mL (zoals in het handboek). Bij een citroenzuurontkalker van bijvoorbeeld 20 %: 200 g/L is 1,04 mol/L citroenzuur of 3,1 mol/L protonen; twintig keer verdunnen geeft voor 25 mL ongeveer 39 mL natronloog.
b
Titreer minstens drie keer en noteer.
Drie waarden die minder dan 0,10 mL verschillen; gemiddelde gebruiken.
c
Bereken de concentratie in mol/L en in g per 100 mL. Vergelijk met het etiket.
n(NaOH)=0,100⋅V; azijnzuur 1 : 1, citroenzuur 3 mol NaOH per mol zuur; terugrekenen via de verdunning naar de oorspronkelijke oplossing; maal M voor g/L.
d
Noem twee foutbronnen en zeg of ze je resultaat te hoog of te laag maken.
Bijvoorbeeld: te ver getitreerd (donkerroze in plaats van licht roze): te veel base gemeten, resultaat te hoog. Luchtbel in de buretpunt die tijdens de titratie verdwijnt: het afgelezen volume is te groot, resultaat te hoog. Pipet niet goed uitgelopen of druppel op de rand: te weinig zuur, resultaat te laag.
Zo wordt dit beoordeeld
Veiligheid
Bril, pipetteerballon (nooit met de mond), spatten afspoelen, afval geneutraliseerd.
Werkplan
Verdunning gekozen zodat het verbruik tussen 15 en 45 mL ligt; verwachting berekend.
Meting
Buret correct afgelezen tot op 0,05 mL; drie titraties binnen 0,10 mL.
Berekening
Molverhouding juist (1 : 3 bij citroenzuur, 1 : 1 bij azijnzuur), verdunning verrekend, eenheden.
Kritisch
Foutbronnen met hun richting (overtitreren: te hoog; lucht in de buret; verkeerd pipetteren).
15.7
Mengsels van zuur en base
Toepassen5Rekenen20 min
Bereken de pH na het mengen. Het volume van het mengsel is de som van de volumes.
a
(a) 25,0 mL zoutzuur 0,200 mol/L + 25,0 mL natronloog 0,100 mol/L
Zuur 5,00 mmol, base 2,50 mmol: overmaat 2,50 mmol H3O+ in 50,0 mL, dus 0,0500 mol/L: pH 1,30.
b
(b) 40,0 mL zoutzuur 0,0500 mol/L + 20,0 mL natronloog 0,100 mol/L
Zuur 2,00 mmol, base 2,00 mmol: precies geneutraliseerd, een oplossing van NaCl: pH 7,00.
c
(c) 30,0 mL salpeterzuur 0,100 mol/L + 50,0 mL kaliloog 0,0800 mol/L
Zuur 3,00 mmol, base 4,00 mmol: overmaat 1,00 mmol OH− in 80,0 mL = 0,0125 mol/L. pOH 1,90, pH 12,10.
15.8
Een titratiecurve lezen
Toepassen5Analyseren15 min
Een leerling titreert 20,0 mL zoutzuur met onbekende concentratie met natronloog van 0,100 mol/L en meet de pH.
De gemeten titratiecurve (afgevlakt).
a
Lees het equivalentievolume af. Bereken de concentratie van het zoutzuur.
De sprong ligt bij 16,0 mL. n=0,100⋅16,0=1,60mmol in 20,0 mL: c=1,60/20,0=0,0800mol/L.
b
Controleer je antwoord met de begin-pH.
−log0,0800=1,10: dat is de pH bij 0 mL op de grafiek. Klopt.
c
Welke van de drie indicatoren (methyloranje, broomthymolblauw, fenolftaleïne) zijn hier bruikbaar? Waarom?
Alle drie: de sprong loopt van ongeveer pH 3,5 tot 10,5, en elk omslaggebied ligt erin. Het verschil tussen hun omslagpunten is kleiner dan een druppel. Broomthymolblauw slaat het dichtst bij pH 7 om.
15.9
Een titratiecurve tekenen
Toepassen5Tekenen20 min
Nu omgekeerd: in de erlenmeyer zit 25,0 mL natronloog van 0,100 mol/L, in de buret zoutzuur van 0,100 mol/L.
a
Bereken de pH bij 0; 10,0; 20,0; 24,9; 25,0; 25,1; 30,0 en 50,0 mL zoutzuur.
Teken de titratiecurve op millimeterpapier. Duid het equivalentiepunt aan.
Een dalende curve: hoog en vlak, een verticale sprong bij 25,0 mL van ongeveer 10 naar 4, daarna vlak laag. Het spiegelbeeld van de curve in het handboek.
c
Welke kleurverandering zie je bij het eindpunt als je fenolftaleïne gebruikt?
Van roze naar kleurloos: de oplossing is eerst basisch (roze), en de laatste druppel die de roze kleur laat verdwijnen, is het eindpunt.
15.10
Een pH-meter ijken
Toepassen5Rekenen20 min
Een labo-pH-meter kan ook de ruwe spanning van de elektrode tonen. Bij 20 °C lees je in buffer pH 7,00 −4 mV en in buffer pH 4,00 +165 mV.
a
Bereken de helling in mV per pH-eenheid.
4,00−7,00165−(−4)=−3,00169=−56,3mV per pH.
b
De ideale helling bij 20 °C is 58,17 mV. Hoeveel procent daarvan haalt de elektrode? Is ze nog bruikbaar?
56,3/58,17=96,8%: binnen 95-105 %, dus bruikbaar. Het nulpunt (−4 mV) ligt ook dicht bij 0.
c
Een monster geeft +62 mV, een ander −120 mV. Bereken hun pH.
pH=7,00+−56,362−(−4)=7,00−1,17=5,83. En 7,00+−56,3−120+4=7,00+2,06=9,06.
d
Voor welk van de twee monsters vertrouw je de uitkomst het minst? Wat zou je doen?
Het tweede (pH 9,06): het ligt buiten het gebied tussen de twee buffers, zodat een kleine fout in de helling daar zwaarder doorweegt. Ijk dan met pH 7 en pH 10, of doe een driepuntsijking.
15.11
Python: hoe breed is de sprong?
Toepassen6Programmeren30 min
Gebruik de functie ph_mengsel uit het handboek. De 'sprong' definiëren we als het volumegebied waarin de pH van 4,0 naar 10,0 gaat.
a
Schrijf een functie volume_bij_ph(doel, c_zuur, v_zuur, c_base) die met kleine stapjes (0,001 mL) zoekt bij welk volume base de pH voor het eerst boven doel komt.
Bereken de breedte van de sprong (pH 4 tot 10) voor 25,0 mL zoutzuur met natronloog van dezelfde concentratie: 0,100 mol/L, 0,0100 mol/L en 0,00100 mol/L.
0,100 mol/L: van 24,95 tot 25,05 mL, breedte 0,10 mL (twee druppels). 0,0100 mol/L: pH 4 al bij ongeveer 24,5 mL, pH 10 pas bij 25,5 mL: breedte ongeveer 1,0 mL. 0,00100 mol/L: de begin-pH is 3,0 en de eind-pH blijft onder 11; pH 4 bij ongeveer 20 mL, pH 10 bij ongeveer 30 mL: breedte ongeveer 10 mL.
c
Wat betekent dat voor een titratie met heel verdunde oplossingen? Welke indicator kies je dan?
Hoe verdunder, hoe minder steil de sprong: een indicator die niet precies bij pH 7 omslaat, geeft dan een merkbare fout. Kies broomthymolblauw (omslag rond 7), of meet de curve met een pH-meter en zoek het steilste punt.
15.12
Oceaanverzuring in cijfers
Toepassen5Analyseren15 min
Metingen ten noorden van Hawaï gaven in 1988 een oppervlakte-pH van ongeveer 8,11 en rond 2020 ongeveer 8,05. Voor 1850 rekenen we met een geschatte 8,18.
Met hoeveel procent steeg de concentratie oxoniumionen tussen 1850 en 2020?
8,9/6,6=100,13=1,35: 35 % meer.
c
Hoeveel pH-eenheid per tien jaar daalde de pH tussen 1988 en 2020? Welke pH verwacht je in 2100 als dat tempo blijft? Waarom is dat waarschijnlijk te optimistisch bij een hoge uitstoot?
(8,11−8,05)/3,2=0,019 per tien jaar. In 8 decennia na 2020: 8,05−8⋅0,019=7,90. Bij een hoge uitstoot stijgt de CO2 in de lucht steeds sneller, en de oceaan neemt minder goed op naarmate ze minder carbonaat heeft: de pH daalt dan sneller, naar ongeveer 7,8.
15.13
Een maagtablet
Toepassen5Rekenen15 min
Een maagtablet tegen brandend maagzuur bevat 680 mg calciumcarbonaat en 80 mg magnesiumcarbonaat MgCO3. Maagsap bevat ongeveer 0,1 mol/L zoutzuur.
a
Schrijf de kloppende vergelijkingen van beide carbonaten met zoutzuur (er ontstaan een zout, water en koolstofdioxide).
CaCO3+2HCl⟶CaCl2+H2O+CO2 en MgCO3+2HCl⟶MgCl2+H2O+CO2.
b
Hoeveel mmol zoutzuur neutraliseert één tablet? Met hoeveel mL maagsap komt dat overeen?
M(CaCO3)=100,09g/mol: 680/100,09=6,79mmol, dus 13,6 mmol HCl. M(MgCO3)=84,31g/mol: 80/84,31=0,95mmol, dus 1,9 mmol HCl. Samen 15,5 mmol, dat is 15,5/0,1=155mL maagsap.
c
Waarom boeren mensen soms na zo'n tablet?
Er ontstaat koolstofdioxide: per tablet 7,7 mmol, ongeveer 0,20 L gas bij lichaamstemperatuur.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
15.14
Habitat: de pH-bewaking van het voedingsreservoir
Uitdagen6Habitat50 min
Het reservoir (60 L, recept uit hoofdstuk 12, EC-streefwaarde 1,4 mS/cm) krijgt een pH-module op de microcontroller. Streefwaarde pH 5,8, werkgebied 5,5 tot 6,5. pH-min: salpeterzuur 0,50 mol/L. De pomp zet het reservoir in 12,5 minuten één keer rond. De planten verbruiken tot 6 L water per warme dag.
a
Waarom stijgt de pH van deze voedingsoplossing vanzelf? Waarom kan je de nodige hoeveelheid pH-min niet uitrekenen met de pH alleen?
De planten nemen vooral nitraat (negatief) op en geven OH⁻ of HCO₃⁻ af om hun lading te compenseren: de oplossing wordt basischer. De oplossing bevat fosfaat en waterstofcarbonaat, die een deel van het toegevoegde zuur opvangen (buffer): de nodige hoeveelheid hangt dus af van de samenstelling op dat moment, niet alleen van de pH. Daarom een proefje op 1 L.
b
Stel een onderhoudsplan op: hoe vaak meet je, hoe vaak ijk je, met welke buffers, en hoe bewaar je de sonde?
Bijvoorbeeld: elke ochtend pH en EC aflezen (de microcontroller logt elke minuut); om de twee weken een tweepuntsijking met buffer 7,00 en 4,00 (en controle met 10,00 of 6,86 indien beschikbaar); tussen de buffers spoelen met gedemineraliseerd water en deppen; buiten de metingen de sonde in KCl-bewaarvloeistof, of permanent in het reservoir en dan elke ijking reinigen.
c
Na 4 dagen: 52 L, pH 6,7, EC 1,55 mS/cm. Een proefje op 1,0 L vraagt 1,8 mL pH-min tot pH 5,8. Beschrijf in volgorde wat je doet (bijvullen, pH, EC), met getallen.
Eerst bijvullen tot 60 L met regenwater (8 L): dat verdunt, maar het regenwater brengt bijna geen buffer mee. De stoffen die het zuur opvangen, zitten in de 52 L. Dus niet 1,8⋅60=108mL, maar ongeveer 1,8⋅52=94mL pH-min (of beter: een nieuw proefje op 1 L na het bijvullen). Voeg eerst de helft toe, pomp 15 minuten rond, meet, en doseer de rest tot pH 5,8. Dan pas de EC: het zoutdeel 1,55−0,05=1,50 wordt na bijvullen 1,50⋅52/60=1,30, plus 0,05 van het regenwater: 1,35 mS/cm; het zuur brengt nog wat ionen mee. Meten en zo nodig stamoplossing toevoegen tot 1,4.
d
De sensor meet drie dagen na elkaar exact 7,00, terwijl pH-papier 6 geeft. Wat is er vermoedelijk aan de hand? Hoe laat je de microcontroller zo'n fout zelf opmerken?
Een sensor die 'vastzit' op exact 7,00 is verdacht: een losgekomen kabel of een elektrode zonder contact geeft vaak de spanning van het nulpunt. Laat de code een alarm geven als de waarde een dag lang minder dan 0,02 verandert (een echt reservoir schommelt altijd wat), of buiten 3 tot 10 valt; controleer dan met pH-papier of een buffer.
Zo wordt dit beoordeeld
Chemie
Nitraatopname → wortels geven OH⁻/HCO₃⁻ af; buffer in de oplossing, dus dosis via een proefje.
Onderhoud
Dagelijks meten, om de twee weken ijken met pH 7 en 4, sonde in KCl-bewaarvloeistof, spoelen tussen buffers.
Volgorde
Eerst bijvullen met regenwater, dan pH bijsturen (dosis herschaald naar 60 L, in twee keer), dan EC.
Foutdetectie
Een waarde die niet verandert of buiten een fysisch plausibel bereik ligt, is verdacht; controle met papier of buffer.
15.15
Kan je een zuur basisch verdunnen?
Uitdagen6Analyseren25 min
Een leerling redeneert: 'Zoutzuur van 0,10 mol/L heeft pH 1. Elke keer tien keer verdunnen geeft één eenheid meer. Na acht keer verdunnen heb ik dus pH 9: basisch!'
a
Waar zit de denkfout? Leg uit met de waterconstante.
Water zelf levert altijd oxoniumionen: in neutraal water 10−7 mol/L. Hoe ver je ook verdunt, [H3O+] zakt nooit onder die van het water, want het zuur voegt er alleen maar aan toe. De pH gaat dus naar 7, nooit erboven. De regel 'één eenheid per factor tien' geldt alleen zolang het zuur veel meer H3O+ levert dan het water.
b
Bereken de pH van zoutzuur van 1,0⋅10−8 mol/L. Gebruik de ladingsbalans h−10−14/h=c (met h=[H3O+]), of de functie uit het handboek.
h2−10−8h−10−14=0 geeft h=210−8+10−16+4⋅10−14=1,05⋅10−7mol/L: pH 6,98. Zwak zuur, niet basisch.
c
Vanaf welke concentratie mag je de regel 'pH = −log c' niet meer gebruiken, als je een fout van hoogstens 0,01 aanvaardt? Probeer 10−5, 10−6 en 10−7 mol/L.
10−5: exact 5,00 (regel 5,00, goed). 10−6: exact 6,00 (5,996; regel 6,00, net goed). 10−7: exact 6,79, de regel geeft 7,00: fout. Vanaf ongeveer 10−6 mol/L en lager wordt de bijdrage van het water merkbaar.
15.16
Ontwerp: een automatische pH-dosering
Uitdagen7Ontwerpen60 min
Habitat wil de pH van het reservoir automatisch op 5,8 houden met een kleine peristaltische doseerpomp (1,0 mL per seconde) die pH-min (0,50 mol/L) in de stroming bij de circulatiepomp druppelt. Een verkeerde dosering kan in één keer de hele teelt vernietigen.
a
Ontwerp de regellogica: wanneer doseert de pomp, hoeveel per keer, en hoe lang wacht ze voor ze opnieuw meet? Motiveer met de rondpomptijd van 12,5 minuten en met de buffer.
Bijvoorbeeld: doseren pas als de pH boven 6,0 komt (hysterese, niet bij elke schommeling), per keer 5 mL (5 s), daarna 15 minuten wachten zodat het zuur over het hele reservoir verdeeld is (iets meer dan één rondpompbeurt), opnieuw meten, en stoppen zodra de pH 5,9 of lager is. Kleine stappen omdat de buffer de reactie op een dosis onvoorspelbaar maakt.
b
Bereken: als het proefje 1,6 mL per liter vraagt, hoeveel doseerbeurten van 5 s zijn er dan nodig voor 60 L van 6,6 naar 5,8? Hoe lang duurt de correctie minstens?
1,6⋅60=96mL; per beurt 5 mL: 19 à 20 beurten. Met 15 minuten per beurt duurt de volle correctie ongeveer 5 uur. Dat is geen probleem: de pH drijft maar 0,1 à 0,15 per dag.
c
Bedenk minstens drie veiligheden tegen overdosering (bv. een maximum per dag) en wat de installatie doet bij een sensorfout.
Bijvoorbeeld: hoogstens 10 mL per beurt en 150 mL per dag (meer vraagt een menselijke bevestiging); geen dosering als de circulatiepomp stilstaat (anders een zuurwolk bij de pomp); alarm en stop als de pH na een dosering stijgt of niet verandert (sensorfout), of buiten 4 tot 8 valt; stop als het niveau in het reservoir te laag is; een vlotter of weegschaal op het pH-min-vat.
d
Teken een blokschema: sensor, microcontroller, doseerpomp, reservoir, circulatiepomp, en de terugkoppeling.
pH-sensor → microcontroller (vergelijkt met 5,8/6,0) → doseerpomp → reservoir; circulatiepomp mengt; de gemengde oplossing komt terug langs de sensor: een gesloten lus met een grote vertraging (hoofdstuk 31).
Zo wordt dit beoordeeld
Regellogica
Kleine dosissen met een wachttijd van minstens één rondpompbeurt; hysterese (bv. pas doseren boven 6,0).
Berekening
96 mL, 20 beurten van 5 s, met 15 min wachten minstens 5 uur (of grotere eerste stappen, met argument).
Veiligheid
Maximum per beurt en per dag, alarm bij een onveranderlijke of onmogelijke meting, noodstop, handmatige bevestiging bij een grote afwijking.
Blokschema
Gesloten lus met sensor, regelaar, actuator en proces; de circulatie als menging.