Plaats, snelheid en versnelling: drie grafieken die samen één beweging vertellen
Je begint met de basisbegrippen: verplaatsing en afgelegde weg, grafieken lezen, de formules van ERB en EVRB. In de tweede trede werk je met echte bewegingen in fasen (een tram, een lift), maak je een reactielat, ontcijfer je de vuistregels van de rijschool, meet je zelf een beweging en laat je Python een noodstop narekenen. In de laatste trede ontwerp je de snelle sluiting van het kasdak van Habitat (opdracht 7.13), los je de put exact op, verdedig je een zone 30 met cijfers en onderzoek je hoe de versnelling van de hellingshoek afhangt.
Het schuifpaneel van het kasdak moet zacht vertrekken en zacht stoppen: hoe beschrijf je zo'n beweging precies?
Hoe lees je een opdracht?
Drie tredenOefenenToepassenUitdagen
Elk hoofdstuk bouwt op: eerst oefenen (één stap, direct toepassen), dan toepassen (meerdere stappen, in een context), dan uitdagen (transfer, open problemen, andere leerlijnen erbij).
De StemExpert-schaal5
Eén moeilijkheidsschaal van 1 tot 9 over de drie niveaus heen: Fundamental loopt van 1 tot 4, Intermediate van 3 tot 7, Expert van 6 tot 9. Zo zie je dat de uitdaging van het ene niveau de oefening van het volgende is.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
7.1
Heen en terug
Oefenen3Begrijpen10 min
Een lift vertrekt op de tweede verdieping (y=6m, de as wijst omhoog met de oorsprong op het gelijkvloers), gaat naar de vijfde (y=15m) en daarna naar de kelder (y=−3m).
a
Bereken de verplaatsing van de hele rit.
b
Bereken de afgelegde weg.
c
Kan de afgelegde weg ooit kleiner zijn dan de grootte van de verplaatsing? Kan de verplaatsing nul zijn terwijl de afgelegde weg dat niet is? Geef een voorbeeld.
7.2
Een (x,t)-grafiek lezen
Oefenen3Analyseren15 min
Een wandelaar loopt in een lange gang heen en weer. De grafiek toont zijn plaats.
Vier rechte stukken: telkens een constante snelheid.
a
Bereken de snelheid in elk van de vier stukken, met teken.
van ... tot ... s
Δx (m)
Δt (s)
v (m/s)
b
Wanneer stond de wandelaar stil? Wanneer liep hij het snelst?
c
Bereken de verplaatsing, de afgelegde weg, de gemiddelde snelheid en de gemiddelde baansnelheid over de hele minuut.
7.3
Rekenen met een ERB
Oefenen3Rekenen15 min
Een trein rijdt aan constante snelheid over een rechte spoorlijn. Op t=0 passeert hij een sein op kilometerpaal 12,0 (km), in de zin van stijgende kilometerpalen, aan 126 km/h.
a
Schrijf de plaats x(t) in km met t in uur, en ook in m met t in s.
b
Bij welke kilometerpaal is hij na 5,0 minuten?
c
Hoe lang doet hij over de 7,0 km tot de volgende halte? (Het afremmen verwaarloos je.)
7.4
Versnellingen
Oefenen3Rekenen12 min
Bereken telkens de gemiddelde versnelling in m/s², met teken. Kies de bewegingszin als positieve zin.
a
Een sprinter gaat in 1,5 s van 0 naar 7,5 m/s.
b
Een auto gaat in 9,5 s van 0 naar 100 km/h.
c
Een fietser remt in 4,0 s van 25 km/h tot stilstand.
d
Een vallende steen (naar beneden positief) gaat in 0,50 s van 2,0 naar 6,9 m/s. Wat valt je op?
7.5
Welke grafiek hoort erbij?
Oefenen4Begrijpen12 min
Vier (v,t)-grafieken zonder getallen. De horizontale as is telkens v=0.
Vier bewegingen langs een rechte, als (v,t)-grafiek.
a
Koppel elke beschrijving aan een grafiek: (1) een auto op cruisecontrol; (2) een steen die je loslaat, naar beneden positief; (3) een fietser die remt voor een rood licht en blijft staan; (4) een bal die je recht omhoog gooit tot hij terugvalt, omhoog positief.
b
In welke grafiek(en) is de versnelling negatief? In welke wordt het voorwerp op een bepaald moment sneller terwijl de versnelling negatief is?
c
Schets bij grafiek C de (x,t)-grafiek.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
7.6
De rit van een tram
Toepassen4Analyseren20 min
Een tram rijdt tussen twee haltes. Onderweg vertraagt hij voor een kruispunt.
Vijf rechte stukken tussen de twee haltes.
a
Bereken de versnelling in elk stuk en teken de (a,t)-grafiek.
b
Bereken de afstand tussen de haltes met oppervlaktes.
c
Bereken de gemiddelde snelheid in km/h. Waarom mag je hier niet (v0+v)/2 gebruiken?
7.7
Optrekken en remmen
Toepassen4Rekenen20 min
Twee situaties met een constante versnelling.
a
Een elektrische auto gaat in 7,5 s van 0 naar 100 km/h. Bereken zijn versnelling en de afstand die hij daarvoor nodig heeft.
b
Een trein remt gelijkmatig van 120 km/h tot stilstand over 800 m. Bereken de vertraging en de remtijd.
c
Controleer je antwoord op de eerste vraag met de gemiddelde snelheid.
7.8
Maak een reactielat
Toepassen4Maken25 min
In hoofdstuk 1 mat je je reactietijd met een vallende lat: een partner laat de lat los, jij knijpt zo snel mogelijk. Nu maak je een lat waarop je de reactietijd meteen afleest in plaats van de valafstand.
a
Leid uit de formules van de vrije val af hoe ver de lat valt in een tijd t.
b
Bereken de valafstand voor de reactietijden in de tabel.
t (s)
valafstand (cm)
0,10
0,15
0,20
0,25
0,30
c
Plak een strook papier op een lat en zet de merktekens erop. Waarom liggen de streepjes niet op gelijke afstanden?
d
Test de lat met vijf klasgenoten. Hoe nauwkeurig kan je aflezen tussen 0,20 en 0,25 s?
Zo wordt dit beoordeeld
Formule
d=21gt2 met de lat vanuit rust; eenheden omgezet naar cm.
Merktekens
Vijf merktekens binnen 2 mm van de berekende plaats, vanaf de nullijn gemeten.
Uitleg
Ongelijke afstanden verklaard met de toenemende snelheid (kwadratisch verband).
Cursussen voor het Belgische rijbewijs B geven op een droog wegdek bij 50 km/h een reactieafstand van 15 m en een remafstand van 12,5 m; bij 90 km/h 27 m en 40,5 m; bij 120 km/h 36 m en 72 m. Op een nat wegdek is de remafstand bij 120 km/h 108 m. Als veilige volgafstand geven ze 'de snelheid gedeeld door twee' (in meter).
a
Welke reactietijd zit in de reactieafstanden? Is ze bij alle drie de snelheden dezelfde?
b
Welke remvertraging zit in de remafstanden op een droog wegdek? En op nat wegdek bij 120 km/h?
c
Vergelijk met de waarden in het handboek (1,0 s en 7,0 m/s²). Wie rekent voorzichtiger?
d
De volgafstand bij 120 km/h is 60 m, veel minder dan de stopafstand van 108 m. Waarom is die volgafstand toch meestal veilig? Wanneer niet?
7.10
Van een (v,t)-grafiek naar de twee andere
Toepassen5Tekenen25 min
Een lift rijdt van het gelijkvloers naar boven. Omhoog is positief.
Optrekken, constante snelheid, afremmen.
a
Bereken de versnelling in de drie fasen en teken de (a,t)-grafiek.
b
Bereken de hoogte na 2, 10 en 12 s en teken de (x,t)-grafiek. Let op de vorm van elk stuk.
c
In dit gebouw is elke verdieping 4,0 m hoog. Naar welke verdieping reed de lift?
7.11
Labo: meet een versnelde beweging
Toepassen5Labo50 min
Voer de proef met het karretje uit het handboek uit, met de afstandssensor of met videoanalyse. Kies zelf een hellingshoek tussen 2° en 6°.
a
Noteer je metingen (om de 0,2 s).
t (s)
x (m)
Δx (m)
v = Δx/Δt (m/s)
t midden (s)
b
Teken de (x,t)- en de (v,t)-grafiek.
c
Bepaal de versnelling uit de (v,t)-grafiek. Vergelijk met gsinα.
d
Waarom schommelen de snelheden meer dan de plaatsen? Hoe maak je dat kleiner?
Snelheden per interval correct berekend en in het midden van het interval uitgezet.
Grafieken
Assen met grootheid en eenheid, best passende parabool en rechte.
Besluit
Versnelling met eenheid; vergelijking met g sin α; verschil verklaard.
7.12
Python: een noodstop in stapjes
Toepassen5Programmeren20 min
Dit programma rekent de noodstop vanaf 50 km/h uit het handboek na, in stapjes van 0,1 s.
v=50/3.6# beginsnelheid (m/s)T_R=1.0# reactietijd (s)A_REM=-7.0# versnelling tijdens het remmen (m/s2)DT=0.1# tijdstap (s)x=0.0stap=0whilev>0:t=stap*DTift<T_R:a=0.0else:a=A_REMx=x+v*DTv=v+a*DTstap=stap+1print("stil na",round(stap*DT,1),"s en",round(x,1),"m")
a
Wat doet de if-regel? Welk deel van de stopafstand hoort bij a = 0.0?
b
Voer het programma uit. Wat print het? Vergelijk met de 27,7 m uit het handboek.
c
Verklaar het verschil. Tip: welke snelheid gebruikt de regel x = x + v * DT in elk stapje, en daalt de snelheid in dat stapje?
d
Maak DT tien keer kleiner. Wat print het nu? Pas het programma aan voor een natte weg (5,0 m/s²) en een afgeleide bestuurder (2,0 s).
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
7.13
Habitat: het kasdak sluit bij regen
Uitdagen6Habitat40 min
Als de regensensor van de klimaatmodule regen meet, moet het schuifpaneel (slag 0,60 m) sneller dicht dan de 7,0 s bij het gewone openen: binnen 5,0 s. De motor haalt hoogstens 0,15 m/s. Hoe groter de versnelling, hoe groter de kracht op de riem (hoofdstuk 8), dus je wil ze zo klein mogelijk houden.
a
Toon aan dat de totale tijd voor een profiel 'aanlopen, constant, afremmen' (gelijke versnelling en vertraging a, topsnelheid v, slag s) gelijk is aan T=vs+av.
b
Lukt het binnen 5,0 s met a = 0,10 m/s² en v = 0,15 m/s? En met a = 0,20 m/s²?
c
Welke versnelling is minstens nodig om met 0,15 m/s precies binnen 5,0 s te sluiten?
d
Teken voor je gekozen profiel de (a,t)-, (v,t)- en (x,t)-grafiek onder elkaar, met getallen op de assen.
e
Noteer je keuze in je portfolio, met één zin over wat er gebeurt als de motor bij vorst trager draait (0,12 m/s).
Zo wordt dit beoordeeld
Afleiding
Tijden en afstanden van de drie fasen correct opgeteld en vereenvoudigd tot s/v + v/a.
Berekening
Beide profielen correct getoetst; minimale versnelling 0,15 m/s².
Grafieken
Drie grafieken op één tijdas, met juiste vormen (trappen, trapezium, parabool-rechte-parabool) en getallen.
Reflectie
Gevolg van een tragere motor berekend en besproken.
7.14
De put, exact
Uitdagen6Rekenen25 min
In het handboek liet je een steen in een put vallen en hoorde je hem na 2,4 s. Nu houd je rekening met de looptijd van het geluid (343 m/s). Noem de diepte h.
a
Schrijf de valtijd t1 en de looptijd van het geluid t2 als functie van h.
b
Stel t1+t2=2,4s. Substitueer u=h en los de vierkantsvergelijking in u op.
c
Hoe groot is de fout als je het geluid verwaarloost, in meter en in procent?
Hint
t1=2h/g=0,4515h en t2=h/343. Met u=h krijg je u2/343+0,4515u−2,4=0.
7.15
Zone 30: een debat met cijfers
Uitdagen6Argumenteren35 min
De gemeente wil de straat voor de school van 50 naar 30 km/h brengen. Een buurtbewoner vindt dat onzin: 'Het scheelt maar 20 km/h, en een goede chauffeur remt toch op tijd.' Werk in groepjes van twee: de ene verdedigt de zone 30, de andere zoekt de zwakke plekken in de argumenten.
a
Bereken de stopafstand bij 30 en bij 50 km/h op een droge en op een natte weg (5,0 m/s²), met een reactietijd van 1,0 s.
30 km/h
50 km/h
droog
nat
b
Op welke afstand moet een kind opduiken opdat de auto aan 50 km/h het nog raakt met meer dan 30 km/h (droog)?
c
Hoeveel langer duurt een rit van 400 m door de zone aan 30 km/h dan aan 50 km/h?
d
Schrijf je drie sterkste argumenten op, elk met een getal, en het sterkste tegenargument.
Zo wordt dit beoordeeld
Berekeningen
Vier stopafstanden correct; eenheden omgezet.
Analyse
Afstand voor een botsing boven 30 km/h correct met de formule zonder tijd.
Argumentatie
Argumenten met getallen, eerlijk tegenover het tijdverlies.
Luisteren
Het tegenargument ernstig genomen en beantwoord.
7.16
Een bal omhoog
Uitdagen6Analyseren20 min
Je gooit een bal recht omhoog met 12 m/s en vangt hem op dezelfde hoogte weer op. Omhoog is positief; luchtweerstand verwaarloos je.
Een rechte die door de t-as gaat.
a
Wanneer bereikt de bal de top? Hoe lees je dat af, en wat is dan de versnelling?
b
Hoe hoog komt de bal boven je hand? Gebruik een oppervlakte, en controleer met de formule zonder tijd.
c
Wanneer vang je hem, en met welke snelheid? Leg uit met de oppervlaktes boven en onder de t-as.
d
Een klasgenoot zegt: 'Op de top is de bal even gewichtloos, dus is de versnelling daar nul.' Wat antwoord je?
7.17
Onderzoek: versnelling en hellingshoek
Uitdagen7Onderzoeken60 min
Hoofdstuk 6 voorspelt dat de zwaartekracht langs een helling een component mgsinα heeft. Zonder wrijving zou een karretje dus versnellen met a=gsinα. Klopt dat, en wat verandert de wrijving?
a
Formuleer een onderzoeksvraag, een hypothese en een voorspelling voor α = 2°, 4° en 6°.
b
Beschrijf je opstelling, je variabelen en hoe je de hoek nauwkeurig instelt.
c
Voer uit: meet voor minstens vijf hoeken de versnelling (drie keer per hoek).
α (°)
sin α
a₁
a₂
a₃
a gemiddeld (m/s²)
d
Zet a uit tegen sinα. Wat verwacht je zonder wrijving? Wat betekenen de helling en het snijpunt van jouw rechte?
Zo wordt dit beoordeeld
Onderzoeksopzet
Vraag, hypothese en voorspelling; één variabele veranderd, de rest constant (karretje, startpunt, plank).
Metingen
Vijf hoeken, drie herhalingen, gemiddelde en spreiding.
Linearisering
a tegen sin α uitgezet (hoofdstuk 3), rechte getekend, helling en snijpunt met eenheid.
Interpretatie
Helling vergeleken met g; snijpunt verklaard als wrijving.
ZelfevaluatieKleur per doel: lukt al / bijna / nog niet
Ik kan plaats, verplaatsing en afgelegde weg onderscheiden, met een gekozen positieve zin.
Ik kan gemiddelde en ogenblikkelijke snelheid berekenen en aflezen als helling van koorde en raaklijn in een (x,t)-grafiek.
Ik kan een eenparige rechtlijnige beweging (ERB) en een eenparig versnelde rechtlijnige beweging (EVRB) herkennen, beschrijven met formules en er problemen mee oplossen.
Ik kan de (x,t)-, (v,t)- en (a,t)-grafiek van eenzelfde beweging uit elkaar afleiden, met helling en oppervlakte.
Ik kan met de oppervlakte onder een (v,t)-grafiek een verplaatsing berekenen, ook bij een beweging in fasen.
Ik kan een vrije val berekenen met g=9,81m/s2 en de grenzen van dat model benoemen.
Ik kan een stopafstand opsplitsen in reactieafstand en remafstand en uitleggen waarom snelheid zo zwaar doorweegt.
Ik kan een beweging meten met een sensor, er snelheid en versnelling uit berekenen en een beweging stap voor stap simuleren in Python.