Fundamental · Werkboek · 12. Hefbomen en mechanismen StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
SE
StemExpert
F12. Hefbomen en mechanismen — werkboek
FFundamental · deel F3 · Krachten, beweging en constructies
Werkboek · hoofdstuk 12Hefbomen en mechanismen
Hoe een plank, een touw of een tandwiel een kleine kracht groot maakt, en wat je daarvoor inlevert
Je begint met hefbomen herkennen en de hefboomwet invullen, tandwielen laten draaien en touwdelen tellen. Daarna reken en meet je in echte situaties: een kruiwagen, een wip met drie kinderen, de versnellingen van een fiets, je eigen biceps. In de uitdagingen ontwerp je een automatische opener voor het dakraam van de meetkas (opdracht 12.12, voor je Habitat-portfolio), een sjadoef en een klemhendel, en bouw je een takel of een tandwielkast.
Trapper, kettingblad, ketting, tandwielen, derailleur: een fiets is een verzameling mechanismen.
Hoe lees je een opdracht?
Drie tredenOefenenToepassenUitdagen
Elk hoofdstuk bouwt op: eerst oefenen (één stap, direct toepassen), dan toepassen (meerdere stappen, in een context), dan uitdagen (transfer, open problemen, andere leerlijnen erbij).
De StemExpert-schaal5
Eén moeilijkheidsschaal van 1 tot 9 over de drie niveaus heen: Fundamental loopt van 1 tot 4, Intermediate van 3 tot 7, Expert van 6 tot 9. Zo zie je dat de uitdaging van het ene niveau de oefening van het volgende is.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
12.1
Draaipunt, kracht en last
Oefenen1Begrijpen15 min
Neem het gereedschap in je hand of kijk naar de foto. Duid bij elk het draaipunt, de kracht en de last aan, en zeg welke soort hefboom het is.
Acht stukken gereedschap, acht hefbomen.
a
Vul in.
gereedschap
draaipunt
kracht (waar duw je?)
last
soort
(a) schaar
(b) notenkraker
(c) pincet
(d) flesopener
(e) combinatietang
(f) keukentang
12.2
De hefboomwet invullen
Oefenen2Rekenen12 min
Bereken de ontbrekende waarde met F1⋅a1=F2⋅a2. Schrijf je berekening op.
a
Vul in.
F₁
a₁
F₂
a₂
berekening
(a)
1,2 m
600 N
0,20 m
(b)
50 N
400 N
0,15 m
(c)
80 N
0,90 m
0,30 m
(d)
25 N
20 cm
100 N
12.3
Hefbomen in je lichaam
Oefenen2Begrijpen12 min
Gebruik de tabel en de figuur uit het handboek.
a
Waarom zijn de meeste hefbomen in je lichaam van de derde soort, ook al kost dat kracht?
b
Een harde noot kraak je met je kiezen, niet met je voortanden. Leg uit met de hefboomwet.
c
Waarom kan je op je tenen staan met een kuitspier die minder hard trekt dan je gewicht?
12.4
Tandwielen in een rij
Oefenen2Tekenen12 min
Een motor drijft tandwiel A aan. De motor draait 90 omw/min met de klok mee.
Vier tandwielen A, B, C en D die in elkaar grijpen.
a
Teken bij elk tandwiel een pijltje voor de draairichting.
b
Bereken hoe snel B, C en D draaien.
c
Welke tandwielen zou je kunnen weglaten zonder dat de snelheid van D verandert? Wat verandert er dan wel?
12.5
Touwdelen tellen
Oefenen2Rekenen10 min
Een zak potgrond van 30 kg moet 1,0 m omhoog. Wrijving laten we weg. Gebruik de figuur met katrollen uit het handboek.
a
Bereken de trekkracht en hoeveel touw je binnenhaalt.
opstelling
dragende touwdelen
trekkracht (N)
touw (m)
vaste katrol
losse katrol
takel uit het handboek
takel met 6 touwdelen
b
Waarom gebruik je soms toch een vaste katrol, ook al win je er geen kracht mee?
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
12.6
De kruiwagen met potgrond
Toepassen3Rekenen15 min
Je rijdt potgrond naar de meetkas. De kruiwagen met lading heeft samen een massa van 72 kg. Het zwaartepunt van de lading ligt 45 cm van de as van het wiel, je handen houden de handvatten vast op 1,35 m van de as.
a
Welke soort hefboom is een kruiwagen? Duid draaipunt, kracht en last aan.
b
Met welke kracht moet je de handvatten optillen?
c
Vergelijk met de kracht om alles rechtstreeks op te tillen. Wie draagt de rest?
d
Waar leg je zware zakken het best in de kruiwagen: vooraan bij het wiel of achteraan bij de handvatten? Leg uit.
12.7
Labo: de hefboomwet onderzoeken
Toepassen3Labo45 min
Voer de proef 'Wanneer is een hefboom in evenwicht?' zelf uit, met een hefboomlat, gewichtjes en een krachtmeter.
a
Voorspel: als je de krachtmeter twee keer zo ver van het draaipunt zet, wat wijst hij dan aan?
b
Meet minstens vijf combinaties.
F₁ (N)
a₁ (cm)
F₂ (N)
a₂ (cm)
F₁ · a₁
F₂ · a₂
c
Houd F1 en a1 vast en meet F2 bij vijf verschillende a2. Zet F2 uit tegenover a2. Is dat een rechte?
d
Formuleer je besluit in één zin. Waar komen de kleine verschillen vandaan?
Zo wordt dit beoordeeld
Voorspelling
Met een reden (hefboomwet of eigen redenering).
Metingen
Krachtmeter op nul gezet in de stand waarin je meet; armen gemeten vanaf het draaipunt; lat horizontaal bij het aflezen.
Grafiek
Assen met grootheid en eenheid; herkent een dalende kromme (geen rechte): omgekeerd evenredig.
Besluit
F₁ · a₁ = F₂ · a₂ binnen de meetnauwkeurigheid; foutenbronnen benoemd.
12.8
Drie kinderen op de wip
Toepassen3Rekenen15 min
Anna (40 kg) zit op 1,50 m van het draaipunt. Aan de andere kant zit Bram (25 kg) op 1,60 m. Cas (20 kg) wil bij Bram komen zitten.
a
Kantelt de wip naar Anna of naar Bram als Cas er nog niet is? Leg uit met de hefboomwet.
b
Op welke afstand van het draaipunt moet Cas zitten om evenwicht te krijgen?
c
Cas wil liever helemaal achteraan zitten, op 1,60 m. Wat moet Anna dan doen?
Hint
Zitten er twee kinderen aan dezelfde kant, dan tel je hun producten kracht × arm op.
12.9
De versnellingen van een koersfiets
Toepassen3Rekenen20 min
Een koersfiets heeft vooraan kettingbladen van 50 en 34 tanden en achteraan tandwielen van 11 tot 28 tanden. Het achterwiel heeft een omtrek van 2,10 m.
a
Vul de tabel in.
voor
achter
wielomwentelingen per trapomwenteling
afstand per trapomwenteling (m)
50
11
50
28
34
11
34
28
b
Welke combinatie gebruik je om een steile helling op te fietsen, en welke voor een afdaling met de wind in de rug? Waarom?
c
Hoe snel rijd je in de snelste en in de traagste combinatie, als je 80 keer per minuut rondtrapt? Geef je antwoord in km/h.
12.10
Riem of ketting?
Toepassen3Begrijpen15 min
De ventilator van een kas wordt aangedreven door een elektromotor die 1500 omw/min draait. Op de motoras zit een riemschijf van 4,0 cm diameter; op de as van de ventilator een schijf van 12 cm.
a
Hoe snel draait de ventilator? Draait hij in dezelfde zin als de motor?
b
Hoe laat je de ventilator de andere kant op draaien zonder de motor te veranderen?
c
Een klasgenoot wil de riem vervangen door een ketting 'omdat die sterker is'. Geef een argument voor en twee argumenten tegen.
12.11
Je biceps, opnieuw
Toepassen3Rekenen15 min
Je houdt een fles water van 2,0 kg in je hand, onderarm horizontaal. De fles zit op 30 cm van de elleboog, de biceps hecht aan op 4,0 cm. Je onderarm met hand heeft zelf een massa van 1,5 kg, met het zwaartepunt op 14 cm van de elleboog.
a
Hoe hard moet de biceps trekken voor de fles alleen?
b
Hoeveel extra kracht is nodig voor de onderarm zelf? Hoe groot is de totale spierkracht?
c
Je biceps wordt 1,0 cm korter. Hoe ver stijgt je hand?
Hint
Reken fles en onderarm apart met de hefboomwet en tel de spierkrachten op.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
12.12
Habitat: het dakraam automatisch openen
Uitdagen4Habitat40 min
In hoofdstuk 25 laat je de meetkas zelf beslissen wanneer het dakraam opengaat. Je denkt nu al na over het mechanisme. Een kleine elektrische duwstang (een lineaire actuator op 12 V) staat verticaal in de kas en duwt van onderen tegen het dakraam, op afstand a van het scharnier. De stang kan hoogstens 40 N duwen en schuift hoogstens 4,0 cm uit (de slag). Het dakraam (1,2 kg, zwaartepunt in het midden, 0,60 m diep) moet aan de voorrand minstens 15 cm opengaan.
De duwstang staat op afstand a van het scharnier; h is de opening aan de voorrand.
a
Hoe groot moet a minstens zijn zodat de duwstang het raam kan openen?
b
Hoe groot mag a hoogstens zijn zodat 4,0 cm slag nog 15 cm opening geeft?
c
Kies een waarde voor a met wat reserve aan beide kanten. Bereken voor jouw keuze de kracht en de opening.
d
Bij stroomuitval op een hete dag moet je het raam met de hand kunnen openen. Hoe los je dat op, en welke kracht heb je dan nodig aan de voorrand?
e
Portfolio: noteer je keuze voor a met de twee voorwaarden die ze bepalen.
Hint
Twee voorwaarden: de kracht (hefboomwet) en de afstand (hoe dichter bij het scharnier, hoe kleiner de beweging).
Zo wordt dit beoordeeld
Kracht
Hefboomwet correct toegepast: a ≥ 11,8 × 0,30 / 40 ≈ 9 cm.
Afstand
Verhouding van de afstanden correct: a ≤ 0,60 × 4,0 / 15 = 16 cm.
Keuze
Een waarde tussen beide grenzen, met controle van kracht en opening.
Noodopening
Handmatige oplossing met de kracht aan de voorrand (5,9 N) en een manier om het raam open te zetten.
12.13
Ontwerp: een sjadoef voor het regenwater
Uitdagen4Ontwerpen40 min
Je wil regenwater uit een diepe regenput naar de meetkas scheppen met een sjadoef. De paal kantelt op een draaipunt; de emmer hangt 2,0 m van het draaipunt, het tegengewicht 1,0 m aan de andere kant. De emmer weegt vol 11 kg en leeg 1 kg. De paal zelf is in evenwicht op zijn draaipunt.
Een sjadoef met de afmetingen uit de opdracht.
a
Welk tegengewicht houdt de volle emmer precies in evenwicht?
b
Met dat tegengewicht: hoe hard moet je trekken om de lege emmer omlaag in de put te krijgen?
c
Zoek een tegengewicht waarbij je even hard moet trekken om de lege emmer te laten zakken als om de volle te laten stijgen. Hoe groot is die kracht?
d
Vergelijk met het optillen van de volle emmer zonder sjadoef. Wat is het voordeel van jouw ontwerp?
Hint
Werk met kracht × arm aan beide kanten. Het tegengewicht moet ergens tussen de lege en de volle emmer in liggen.
Zo wordt dit beoordeeld
Evenwicht
Hefboomwet correct voor de volle emmer: 22 kg tegengewicht.
Kracht bij de lege emmer
Verschil van kracht × arm omgezet naar een trekkracht aan de emmer.
Optimaal ontwerp
Tegengewicht gekozen zodat beide bewegingen even zwaar zijn, met berekening.
Vergelijking
Voordeel in newton uitgedrukt en uitgelegd.
12.14
Maak: een takel of een tandwielkast
Uitdagen4Maken60 min
Bouw met een bouwpakket (of met klosjes, een stok en touw) een takel met minstens vier dragende touwdelen, of een tandwielkast met een overbrenging van minstens 9. Meet daarna hoe goed hij werkt.
a
Maak een schets van je ontwerp. Hoeveel touwdelen of welke tandwielen gebruik je? Welke kracht of snelheid verwacht je?
b
Meet: de trekkracht bij een gekende last (takel), of de omwentelingen van de uitgaande as bij 10 omwentelingen van de ingaande as (tandwielkast).
meting
verwacht
gemeten
verschil (%)
c
Waarom meet je bij de takel een grotere kracht dan de formule voorspelt?
d
Hoe zou je je ontwerp verbeteren?
Zo wordt dit beoordeeld
Ontwerp
Schets met aantal touwdelen of tanden en de verwachte kracht of overbrenging.
Bouw
Werkt zonder te haperen; touwdelen lopen evenwijdig, tandwielen grijpen goed in elkaar.
Meting
Gemeten tegenover verwacht, verschil in procent.
Verklaring
Wrijving in de assen en het touw, massa van de losse katrollen, speling tussen de tanden.
12.15
De klemhendel van het dakraam
Uitdagen4Rekenen20 min
Om het dakraam van de meetkas in de wind dicht te houden, drukt een klemhendel het raamkader op een rubberen dichting. Het draaipunt zit aan het uiteinde van de hendel; de neus die op het kader drukt, zit 1,5 cm van het draaipunt; je hand duwt op 12 cm.
De klemhendel: draaipunt links, drukneus op 1,5 cm, hand op 12 cm.
a
Welke soort hefboom is de klemhendel?
b
Je duwt met 15 N. Met welke kracht drukt de neus op het kader?
c
Om goed af te sluiten moet de rubberen dichting 5 mm ingedrukt worden. Hoe ver beweegt je hand?
d
Een wind van onderen tegen het raam kan het met ongeveer 60 N optillen. Is de klemhendel sterk genoeg? Waarom kan het gevaarlijk zijn om de hendel te lang te maken?
12.16
Debat: gratis kracht?
Uitdagen4Argumenteren20 min
Een leerling beweert: 'Met een lang genoeg hefboom til ik een auto op met mijn pink. Dus een hefboom geeft je gratis kracht. Als je twee hefbomen achter elkaar zet, zou je zelfs een machine kunnen bouwen die meer werk levert dan je erin stopt.'
a
Wat klopt er aan de eerste zin? Reken een voorbeeld uit: een auto van 1200 kg, waarvan je één kant optilt (de helft van de zwaartekracht), met een pinkkracht van 20 N.
b
Hoe ver moet je pink bewegen om die kant van de auto 1,0 cm op te tillen?
c
Weerleg de laatste zin met de gulden regel. Geldt je argument ook voor twee hefbomen achter elkaar?
Zo wordt dit beoordeeld
Rekenwerk
Verhouding van de armen en de afstand correct berekend.
Argument
Gulden regel correct toegepast: kracht × afstand blijft gelijk, ook over meerdere mechanismen.
Nuance
Erkent wat wel klopt (kleine kracht mogelijk) en wat niet (geen gratis werk, wrijving maakt het nog slechter).
ZelfevaluatieKleur per doel: lukt al / bijna / nog niet
Ik kan bij een hefboom het draaipunt, de kracht, de last en de armen aanduiden.
Ik kan met de hefboomwet F1⋅a1=F2⋅a2 een kracht of een arm berekenen.
Ik kan uitleggen dat je met een hefboom kracht wint ten koste van afstand, of afstand ten koste van kracht.
Ik kan hefbomen van de eerste, tweede en derde soort herkennen in gereedschap en in het menselijk lichaam.
Ik kan berekenen hoeveel kracht nodig is met een vaste katrol, een losse katrol en een takel.
Ik kan bij tandwielen, riemen en kettingen de draairichting bepalen en de overbrengingsverhouding berekenen.
Ik kan de mechanismen van een fiets benoemen en uitrekenen hoe ver je komt met één trapomwenteling.
Ik kan berekenen hoeveel kracht nodig is om het dakraam van de meetkas te openen, en waar je het best duwt.