E19. Elektrische en magnetische velden, inductie — oplossingen
EExpert · deel E4 · Elektrotechniek en elektronica
Oplossingen · hoofdstuk 19Elektrische en magnetische velden, inductie
Van Coulomb tot Faraday: velden die kracht zetten, energie opslaan en stroom opwekken
Uitgewerkte oplossingen bij de 19 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Magneten die langs koperen spoelen draaien: zo maakt de windturbine van het station stroom.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
19.1
Twee ladingen op een lijn
Oefenen6Rekenen15 min
Een lading van +3,0 nC staat in x=0, een lading van −1,0 nC in x=4,0cm.
a
Hoe groot is de kracht tussen de twee ladingen? Trekken ze elkaar aan of stoten ze af?
F=kr2∣q1q2∣=8,99⋅109⋅0,0423⋅10−9⋅1⋅10−9=16,9μN; tegengestelde tekens: ze trekken elkaar aan.
b
Bereken het veld (grootte en richting) in x=−2,0cm.
In x=−2cm: E1=k⋅3⋅10−9/0,022=67425V/m naar links (weg van de positieve lading); E2=k⋅10−9/0,062=2497V/m naar rechts (naar de negatieve lading). Samen 64928V/m naar links.
c
In welk punt van de x-as is het veld nul? Leg uit waarom het daar ligt en niet tussen de ladingen.
Tussen de ladingen wijzen beide velden naar rechts: geen nul. Links van 0 overheerst altijd de grote, dichtere lading. Rechts van 4 cm wijzen ze tegen elkaar in, en de kleine lading ligt dichter: x23=(x−4)21⇒3(x−4)=x⇒x=3−143=9,46cm.
19.2
Veldlijnen en equipotentiaallijnen lezen
Oefenen6Begrijpen15 min
De figuur toont veldlijnen en equipotentiaallijnen van twee ladingen.
+2 nC in (−1, 0) cm en −1 nC in (1, 0) cm, berekend zoals in het handboek. Stippellijnen: −600, −300, 0, 300, 600 en 1200 V.
a
Hoe zie je aan de veldlijnen dat de linkerlading groter is? Hoeveel lijnen eindigen op de rechterlading, en waarom precies zoveel?
Uit de linkerlading vertrekken zestien lijnen, en de helft daarvan eindigt op de rechterlading: 8. Het aantal lijnen is evenredig met de lading: −1 nC 'vangt' de helft van de lijnen van +2 nC; de andere helft gaat naar oneindig (in de figuur: naar de rand).
b
Waar ligt ongeveer het punt waar het veld nul is? Hoe zie je dat in de figuur, en controleer met een berekening.
Rechts van de negatieve lading op de as, waar de lijnen uit elkaar wijken (sommige buigen terug naar −1 nC, andere gaan naar rechts weg): rond x≈6cm. Berekening: (x+1)22=(x−1)21⇒x=(2+1)2=5,83cm.
c
Waarom snijden veldlijnen en equipotentiaallijnen elkaar loodrecht? Hoeveel arbeid kost het om een lading langs de lijn van 0 V te verplaatsen?
Langs een equipotentiaallijn verandert V niet, dus de arbeid qΔV is nul; dat kan alleen als de kracht loodrecht op de verplaatsing staat, dus het veld loodrecht op de equipotentiaallijn. Langs de lijn van 0 V: geen arbeid.
d
De lijn van 0 V is een cirkel rond de negatieve lading. Toon aan dat alle punten met V = 0 voldoen aan r₁ = 2 r₂ (r₁ en r₂: afstand tot de linker- en de rechterlading).
V=r1k⋅2q−r2kq=0⇒r12=r21⇒r1=2r2: een cirkel van Apollonius (de verzameling punten waarvan de afstanden tot twee vaste punten een vaste verhouding hebben).
19.3
De vlakke condensator
Oefenen6Rekenen15 min
Twee metalen platen van 10 cm × 10 cm staan 1,0 mm uit elkaar in lucht, aan 100 V.
a
Bereken de capaciteit, de lading op elke plaat, het veld tussen de platen en de opgeslagen energie.
Pas veldlijnen.py van het handboek aan voor +2,0 nC in (−1 cm; 0) en −1,0 nC in (1 cm; 0).
a
Start zestien veldlijnen op 1 mm van de positieve lading (niet precies op de as) en tel hoeveel er op de negatieve lading eindigen. Voorspel de uitkomst eerst.
Voorspelling: de helft (8), omdat −1 nC de helft van de flux van +2 nC opvangt. Programma en echte uitvoer:
# veldlijnen2.py - +2 nC en -1 nC: hoeveel veldlijnen bereiken de negatieve lading, en waar is het veld nul?
import numpy as np
K = 8.99e9
ladingen = [(+2e-9, np.array([-0.01, 0.0])), (-1e-9, np.array([0.01, 0.0]))]
def veld(p):
E = np.zeros(2)
for q, a in ladingen:
r = p - a
E += K * q * r / np.linalg.norm(r) ** 3
return E
def veldlijn(start, h=0.0002, n_max=6000):
def richting(p):
E = veld(p)
return E / np.linalg.norm(E)
p = np.array(start, float)
lijn = [p]
for _ in range(n_max):
k1 = richting(p)
k2 = richting(p + h / 2 * k1)
k3 = richting(p + h / 2 * k2)
k4 = richting(p + h * k3)
p = p + h / 6 * (k1 + 2 * k2 + 2 * k3 + k4)
lijn.append(p)
if np.linalg.norm(p - ladingen[1][1]) < 0.001:
return np.array(lijn), True
if np.linalg.norm(p) > 0.30: # 30 cm ver: deze lijn gaat naar oneindig
return np.array(lijn), False
return np.array(lijn), False
hoeken = np.radians(11.25 + np.arange(0, 360, 22.5)) # niet precies op de as beginnen
lijnen = [veldlijn(ladingen[0][1] + 0.001 * np.array([np.cos(a), np.sin(a)])) for a in hoeken]
aan = sum(1 for _, op in lijnen if op)
print(f"{aan} van de {len(lijnen)} lijnen eindigen op -1 nC")
a, b = 0.011, 0.20 # nulpunt op de x-as rechts van -1 nC: bisectie op E_x
for _ in range(50):
m = (a + b) / 2
if veld(np.array([a, 0.0]))[0] * veld(np.array([m, 0.0]))[0] <= 0:
b = m
else:
a = m
print(f"E = 0 in x = {100 * m:.3f} cm (theorie {(1 + np.sqrt(2)) ** 2:.3f} cm)")
8 van de 16 lijnen eindigen op -1 nC
E = 0 in x = 5.828 cm (theorie 5.828 cm)
b
Zoek het punt op de x-as waar het veld nul is met bisectie op Eₓ, en vergelijk met de theorie.
De bisectie staat in hetzelfde programma: het nulpunt ligt op 5,83 cm, zoals de theorie (1+2)2⋅1cm.
c
Waarom mag je geen veldlijn starten die precies door dat nulpunt gaat?
In het nulpunt heeft E geen richting: E/|E| deelt door nul. De veldlijn uit de richting 90° loopt precies naar dat punt en splitst daar: een scheidingslijn tussen de lijnen die op −1 nC eindigen en die die weggaan. Daarom start het programma op 11,25° + k · 22,5°.
19.9
Waarom een supercondensator geen hoge spanning verdraagt
Toepassen7Analyseren25 min
Een datasheet van een supercondensator vermeldt: 10 F, 2,7 V, inwendige weerstand 25 mΩ, 3,4 g. Neem voor de dubbellaag d ≈ 0,5 nm en εr ≈ 8, en actieve kool met ±1500 m²/g.
a
Hoeveel koolstof zou er minstens in zitten (twee elektroden in serie)?
Twee elektroden in serie: elk 20 F. Per m² 0,142F, dus 20/0,142=141m2 per elektrode, 94mg kool in theorie; met de praktische 100 F/g per elektrode 0,2 g elk, 0,4 g samen: zo'n 12 % van de massa.
b
Bereken de energie, de energiedichtheid in Wh/kg en de stroom bij kortsluiting. Vergelijk met een LiFePO4-cel (±110 Wh/kg).
W=21⋅10⋅2,72=36,5J=10,1mWh; per kg 10,1/3,4=3,0Wh/kg, ruim dertig keer minder dan LiFePO4. Kortsluitstroom 2,7/0,025=108A: dat is zijn sterkte, vermogen in plaats van energie.
c
Een ontwerper wil 48 V bufferen met deze cellen. Hoeveel in serie, en welke capaciteit heeft het geheel? Welk probleem ontstaat als de cellen niet precies gelijk zijn?
48/2,7=17,8, dus 18 cellen in serie: 10/18=0,56F bij 48,6 V. Cellen met een iets kleinere capaciteit of meer lekstroom krijgen een groter deel van de spanning en gaan boven 2,7 V: ze verouderen of falen. Elke cel krijgt daarom een balanceerschakeling (een parallelweerstand of een actieve schakeling).
19.10
De Hall-sensor
Toepassen7Rekenen20 min
De ACS712-05B geeft 2,5 V bij 0 A en 185 mV per ampère, tot ±5 A; hij hangt aan een ADC van 10 bit op 5 V.
a
Welke spanning geeft hij bij −3,0 A en bij +5,0 A? Welke ruwe ADC-waarden horen daarbij?
Hoe groot is de stroomstap per ADC-stap? Waarom kies je voor een pomp van 1 A deze versie en niet de 20 A-versie van het handboek?
4,88mV/185mV/A=26mA per stap (bij de 20 A-versie 49 mA). Een pomp van 1 A gebruikt bij de 20 A-versie maar 20 stappen van het bereik; de 5 A-versie is bijna twee keer fijner.
c
Met ruis van ±2 ADC-stappen: hoeveel metingen moet je middelen om de stroom op 10 mA nauwkeurig te kennen (hoofdstuk 6)?
Ruis ±2 stappen ≈ 52 mA; middelen over N metingen deelt door N: 52/N≤10⇒N≥27. Neem 32 metingen (en zorg dat de ruis echt toevallig is: bij PWM middel je over hele periodes, zoals A4 in de module).
19.11
Kortsluiting in de batterijkabels
Toepassen7Rekenen20 min
De plus- en minkabel van de 48 V-batterij liggen naast elkaar, hartafstand 12 mm. Bij een kortsluiting vlak bij de batterij kan een LiFePO4-batterij enkele kA leveren; neem als rekenwaarde 5,0 kA.
a
Leid de kracht per meter tussen twee evenwijdige stroomdraden af (veld van de ene, Lorentzkracht op de andere).
De ene draad maakt op afstand d een veld B=μ0I1/(2πd), loodrecht op de tweede draad. Op een stuk L daarvan: F=I2LB, dus F/L=μ0I1I2/(2πd).
b
Bereken ze bij 90 A en bij 5,0 kA. Trekken de kabels elkaar aan of stoten ze af?
90 A: F/L=2⋅10−7⋅902/0,012=0,135N/m, niets. 5,0 kA: 417N/m, op 2 m ruim 833 N. Tegengestelde stromen stoten af.
c
Wat betekent dat voor de bevestiging van de kabels, en voor de plaats van de hoofdzekering?
De kabels worden bij een kortsluiting met honderden newton uit elkaar geslagen: bevestig ze om de paar decimeter met stevige klemmen, zodat ze niet losrukken of tegen scherpe randen slaan. De stroom moet zo snel mogelijk stoppen: de hoofdzekering hoort zo dicht mogelijk bij de pluspool, zodat de lange kabel beschermd is (zoals F6 van de meetkas, maar met een zekering die kA's kan onderbreken).
19.12
Inductie met een magneet en een spoel
Toepassen8Labo60 min
Voer de proef van het handboek uit (spoel van ±300 windingen, neodymiummagneet, oscilloscoop of meetinterface met minstens 5000 metingen per seconde) en toets het model.
valhoogte (cm)
eerste piek (V)
tweede piek (V)
tijd tussen de pieken (ms)
oppervlakte eerste puls (mV·s)
oppervlakte tweede puls (mV·s)
5
10
20
a
Laat de magneet van 5, 10 en 20 cm vallen en vul de tabel aan. Bereken de oppervlakten met de trapeziumregel.
Voorbeeld met het model van het handboek (een echte meting wijkt enkele tientallen procent af, vooral in de pieken):
h (cm)
piek 1 (V)
piek 2 (V)
Δt (ms)
opp. 1 (mV·s)
opp. 2 (mV·s)
5
−0,78
0,88
12,1
−11,5
11,7
10
−1,15
1,22
8,6
−11,7
11,8
20
−1,64
1,69
6,1
−11,8
11,8
b
Toon met je metingen dat de piek ongeveer evenredig is met de snelheid √(2gh). Hoe goed klopt dat?
2gh is 0,99, 1,40 en 1,98 m/s: verhoudingen 1 : 1,41 : 2. De pieken schalen ongeveer zo (0,88, 1,22 en 1,69 V); de tweede piek groeit iets sneller omdat de magneet in de spoel nog versnelt.
c
Toon aan dat de oppervlakte van elke puls niet van de valhoogte afhangt. Wat is de betekenis ervan?
De oppervlakte is ∫edt=−NΔΦ=NΦmax (11,8 mV·s in het model), onafhankelijk van de snelheid: sneller vallen geeft een hogere maar kortere puls. (Bij 5 cm is de eerste oppervlakte iets kleiner: de magneet vertrekt al zo dicht bij de spoel dat de flux bij de start niet nul is.) Het is de maximale flux die de magneet door de spoel stuurt, dus een maat voor de magneet zelf: zo meet men magneten met een 'fluxmeter'.
d
Wat verandert er als je de spoel kortsluit met 10 Ω? Verklaar met de wet van Lenz en een energiebalans.
Nu loopt er stroom in de spoel; die werkt de verandering van de flux tegen (Lenz): een afstotende kracht bij het naderen, een aantrekkende bij het verlaten. De magneet valt trager door de spoel, de pulsen worden lager en breder. De bewegingsenergie die hij minder krijgt, wordt warmte in de 10 Ω en in de spoel.
Zo wordt dit beoordeeld
Meting
Pulsen correct gemeten en getriggerd; tabel volledig met eenheden; oppervlakte met de trapeziumregel.
Model
Piek evenredig met √h getoetst (grafiek of verhouding); oppervlakte = NΦmax herkend als invariant.
Verklaring
Lenz en energiebalans correct: de stroom remt de magneet, de verloren bewegingsenergie wordt warmte.
Kritiek
Afwijkingen verklaard (magneet geen punt, buiswrijving, bemonsteringsfrequentie, trigger).
19.13
Het relais uitschakelen
Toepassen8Analyseren25 min
Een relaisspoel van 12 V heeft als rekenwaarden R=160Ω en L=0,40H; het relais valt af onder 20 % van de nominale stroom. Een MOSFET (tot 55 V) schakelt het.
a
Bereken de stroom, de tijdconstante en de energie in de spoel.
Welke spanning zou er zonder vrijloopdiode ontstaan als de MOSFET de stroom in 1 µs lineair onderbreekt? Wat gebeurt er echt?
u=LΔi/Δt=0,40⋅0,075/10−6=30kV. In werkelijkheid stijgt de spanning tot de MOSFET doorslaat (avalanche) en de energie opneemt, of tot er een vonk overspringt: op den duur gaat de transistor stuk.
c
Hoe lang duurt het afvallen met een vrijloopdiode (0,7 V), en met een diode en een zener van 24 V in serie? Welke spanning ziet de MOSFET dan?
Met t=τln0,2I0+Uk/RI0+Uk/R: diode (Uk=0,7V): 3,53ms; diode + zener (Uk=24,7V): 0,76ms. De MOSFET ziet dan 12+24,7=36,7V, onder de 55 V.
19.14
De valbuis
Toepassen8Analyseren30 min
Een neodymiummagneet van 20 g valt door drie rechtopstaande buizen van 1,00 m met dezelfde afmetingen. Na enkele centimeter valt hij met een constante snelheid (behalve in pvc).
buis (1,00 m, zelfde maten)
valtijden (s)
pvc
0,46 · 0,45 · 0,46
aluminium (legering, σ = 3,2 · 10⁷ S/m)
4,3 · 4,2 · 4,4
koper (σ = 5,96 · 10⁷ S/m)
8,1 · 7,9 · 8,0
a
Bereken de eindsnelheid in koper en in aluminium. Waarom is de valtijd in pvc ongeveer die van een vrije val?
vCu=1,00/8,0=0,125m/s, vAl=1,00/4,3=0,233m/s (de korte aanloop verwaarloosd). Vrije val over 1 m: 2/9,81=0,45s: pvc geleidt niet, er lopen geen wervelstromen.
b
Waarom valt de magneet in metaal met een constante snelheid? Stel een krachtenevenwicht op, als de remkracht evenredig is met v.
De bewegende magneet wekt wervelstromen op in de buiswand, en die remmen (Lenz) met een kracht F=kv. De magneet versnelt tot kv=mg: dan is de netto kracht nul en de snelheid constant, vt=mg/k (zoals een parachute in hoofdstuk 9, maar met F evenredig met v).
c
Vergelijk de verhouding van de eindsnelheden met die van de geleidbaarheden. Welk verband stel je voor?
vAl/vCu=1,86 en σCu/σAl=5,96/3,2=1,86: de eindsnelheid is omgekeerd evenredig met de geleidbaarheid. Dat klopt: bij dezelfde snelheid geeft een dubbel zo goede geleider dubbel zoveel wervelstroom, dus dubbel zoveel remkracht (k∝σ).
d
Hoeveel vermogen wordt in de koperen buis omgezet, en in wat? Wat verwacht je als de buis in de lengte een smalle spleet heeft?
P=mgv=0,020⋅9,81⋅0,125=24,5mW: de zwaarte-energie wordt warmte in de buis (niet merkbaar). Met een lengtespleet kunnen de wervelstromen niet meer rondlopen in de omtrek: de remming valt grotendeels weg en de magneet valt veel sneller.
19.15
Habitat: de generator van de windturbine
Toepassen8Habitat50 min
Het handboek koos voor de windturbine (80 tot 300 tpm, 3,0 kW) een generator met 8 poolparen en een emk van 0,55 V lijnspanning per tpm. Een leverancier biedt twee andere uitvoeringen aan: A met 6 poolparen en 0,55 V/tpm, B met 8 poolparen en 0,25 V/tpm ('48 V-uitvoering'). De batterij werkt tussen 44 en 56 V.
a
Bereken voor het handboek, A en B het frequentiebereik.
Handboek (p=8): 10,7 tot 40 Hz. A (p=6): 8,0 tot 30 Hz. B (p=8): dezelfde 10,7 tot 40 Hz; de emk-constante verandert niets aan de frequentie.
b
Bereken voor B de gelijkspanning na de brug (1,35 U) bij 80 en 300 tpm, en de gelijkstroom en fasestroom bij 3,0 kW.
B: Udc=1,35⋅0,25⋅n: 27,0V bij 80 tpm en 101,3V bij 300 tpm. Bij 3,0 kW: Idc=3000/101,3=29,6A, per fase 24,2A (2,2 keer het handboek).
c
Onder welk toerental kan een neerwaartse omzetter met uitvoering B de batterij niet meer laden? Wat is daarvoor nodig?
De neerwaartse omzetter moet boven 56 V ingangsspanning krijgen: 1,35⋅0,25⋅n=56⇒n=166tpm. Daaronder, in zwakke wind, laadt hij niet (tot 56 V) of alleen een lege batterij. Oplossing: een opwaarts-neerwaartse omzetter (buck-boost, hoofdstuk 24), duurder en iets minder efficiënt.
d
Welke uitvoering raad je aan? Weeg af: veiligheid, stroom in de kabel van ±30 m (mast en afstand tot de module), omzetter, rimpel.
B blijft onder 120 V gelijk (zeer lage spanning, veiliger bij onderhoud aan de mast), maar geeft 2,2 keer meer stroom: 4,8 keer meer kabelverlies bij dezelfde doorsnede (hoofdstuk 20: ±1,6 % met 4 mm² bij het handboek), en vraagt een buck-boost. A heeft een lagere frequentie en dus meer rimpel (6f: 48 tot 180 Hz), en per omwenteling minder spoelen. Een verdedigbare keuze: het handboek (dunne kabel, eenvoudige omzetter, veiligheid met gewone 230 V-maatregelen); wie veel zelf aan de mast werkt, kan B verkiezen en de dikkere kabel betalen.
Zo wordt dit beoordeeld
Frequentie
f = pn/60 correct voor de drie uitvoeringen.
Spanning en stroom
Udc = 1,35 · 0,25 · n, Idc = P/Udc en de fasestroom √(2/3) · Idc correct.
Omzetter
Grens van de neerwaartse omzetter gevonden (Udc = 56 V) en opwaarts-neerwaarts als oplossing genoemd.
Afweging
Keuze onderbouwd met getallen: 120 V-grens, stroom en kabelverlies, complexiteit van de omzetter.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
19.16
Ontwerp: een veiligheidstransformator
Uitdagen8Ontwerpen50 min
Ontwerp een transformator 230 V naar 2 × 12 V (twee gelijke secundaire spoelen), 50 VA samen, op een EI-kern met een middenbeen van 8 cm² en een wikkelvenster van 4,0 cm². Eisen: B̂ ≤ 1,2 T, stroomdichtheid 3 A/mm², ongeveer 8 % extra secundaire windingen voor de spanningsval onder last, vulfactor van het venster hoogstens 0,40.
a
Bereken de windingen van de primaire en van elke secundaire.
N1=230/(4,44⋅50⋅8⋅10−4⋅1,2)=1079; per secundaire 1079⋅12/230⋅1,08=60,8, dus 61 windingen.
b
Kies de draaddoorsneden en controleer of alles in het venster past.
I1=50/230=0,217A: 0,072mm2 (Ø 0,30 mm). Elke secundaire 25 VA: I=2,08A, 0,69mm2 (Ø 0,95 mm). Koper: 1079⋅0,072+2⋅61⋅0,69=163mm2, tegenover 0,40⋅400=160mm2: net te veel, en de isolatie tussen de lagen komt er nog bij. Kies een iets grotere kern, of een stroomdichtheid van 3,2 A/mm² (dan ≈152mm2; de draad wordt iets warmer).
c
Waarom mag je de twee secundaire spoelen in serie (24 V) of parallel (12 V, dubbele stroom) zetten, en waar moet je daarbij op letten?
Serie: het eind van de ene aan het begin van de andere (anders heffen de spanningen elkaar op: 0 V). Parallel: begin aan begin en eind aan eind; de spanningen moeten gelijk zijn (zelfde aantal windingen), anders loopt er een kringstroom tussen de twee spoelen.
d
Welke veiligheidsmaatregelen horen bij een veiligheidstransformator?
Primaire en secundaire gescheiden door dubbele of versterkte isolatie (vaak twee kamers op de spoelvorm), een thermische zekering of een zekering aan de primaire kant, en een behuizing die niet onder spanning kan komen. De norm voor veiligheidstransformatoren is EN 61558-2-6.
Zo wordt dit beoordeeld
Windingen
N₁ uit 4,44 f N A B̂, N₂ met de verhouding en 8 % extra.
Draad en venster
Doorsneden uit de stroomdichtheid; kopersom tegenover 0,40 · venster gecontroleerd.
Schakelen
Serie en parallel correct, met de wikkelzin (begin en eind) als voorwaarde.
Veiligheid
Dubbele isolatie, thermische beveiliging of zekering, geaarde of dubbel geïsoleerde behuizing.
19.17
Helmholtzspoelen: een homogeen veld
Uitdagen9Analyseren45 min
Om een magnetometer te ijken heb je een homogeen veld nodig. Twee gelijke ronde spoelen (straal R, N windingen, stroom I in dezelfde zin) staan op dezelfde as, op afstand d van elkaar.
a
Leid met Biot-Savart het veld af op de as van één winding, op afstand z van haar middelpunt: B=2(R2+z2)3/2μ0IR2.
Elk stukje dl van de winding staat loodrecht op de verbindingslijn naar het punt, met lengte r=R2+z2: dB=4πr2μ0Idl. De componenten loodrecht op de as heffen elkaar rondom op; langs de as blijft dB⋅R/r. Rondom: B=4πr2μ0I⋅rR⋅2πR=2(R2+z2)3/2μ0IR2.
b
Toon aan dat de tweede afgeleide van het totale veld in het midden nul is als d=R (de eerste is nul door de symmetrie).
Met g(z)=(R2+z2)−3/2 is g′′(z)=3(4z2−R2)(R2+z2)−7/2. Het totaal g(z−d/2)+g(z+d/2) heeft in z=0 tweede afgeleide 2g′′(d/2), en die is nul als 4(d/2)2=R2, dus d=R.
c
Bereken het veld in het midden voor d=R en toon dat B=(4/5)3/2μ0NI/R. Hoe groot is het voor N=100, I=1,0A, R=10cm?
In het midden: 2⋅2(R2+R2/4)3/2μ0NIR2=Rμ0NI(54)3/2, met (4/5)3/2=0,7155. Met de getallen: 0,899mT.
d
Controleer met Python hoe homogeen het veld is op R/4 en R/2 van het midden, voor d = 0,5R, R en 1,5R.
Programma en echte uitvoer:
# helmholtz.py - hoe homogeen is het veld tussen twee spoelen op afstand d = R?
import numpy as np
mu0, N, I, R = 4e-7 * np.pi, 100, 1.0, 0.10
def B_lus(z, z0):
"""Veld op de as van een spoel van N windingen (straal R) in z0, in het punt z."""
return mu0 * N * I * R**2 / (2 * (R**2 + (z - z0)**2) ** 1.5)
for d in (0.5 * R, R, 1.5 * R):
z = np.array([0.0, 0.25 * R, 0.5 * R])
B = B_lus(z, -d / 2) + B_lus(z, d / 2)
afw = 100 * (B / B[0] - 1)
print(f"d = {d / R:.1f} R: B(0) = {1000 * B[0]:.3f} mT, afwijking op R/4 {afw[1]:+.2f} %, op R/2 {afw[2]:+.2f} %")
d = 0.5 R: B(0) = 1.147 mT, afwijking op R/4 -6.06 %, op R/2 -21.96 %
d = 1.0 R: B(0) = 0.899 mT, afwijking op R/4 -0.42 %, op R/2 -5.42 %
d = 1.5 R: B(0) = 0.643 mT, afwijking op R/4 +4.40 %, op R/2 +12.97 %
Bij d=R wijkt het veld op R/4 maar 0,42 % af: het is in een bol van een halve straal nagenoeg homogeen. Dichter bij elkaar ontstaat een bult, verder uit elkaar een dal.
Zo wordt dit beoordeeld
Biot-Savart
Symmetrie gebruikt: alleen de axiale component blijft, dl ⊥ r, factor R/r.
Afleiding
Tweede afgeleide correct en d = R als voorwaarde gevonden.
Getal
(4/5)^(3/2) en het veld in mT correct.
Controle
Programma werkt; conclusie over het homogene gebied getrokken.
19.18
Ontwerp: rem en dumpbelasting van de windturbine
Uitdagen9Ontwerpen60 min
Neem de generator van het handboek (8 poolparen, fase-emk 95,3 V effectief bij 300 tpm, dus 0,379 V·s per rad/s elektrisch). Per fase, als rekenwaarden: zelfinductie 8,0 mH en weerstand 0,50 Ω. Bij een kortsluitrem verbind je de drie fasen met elkaar; de stroom wordt dan alleen beperkt door die spoelen.
a
Toon aan dat de kortsluitstroom per fase I=R2+(ωeL)2kωe is en het remkoppel M=ωm3I2R (met ωe=pωm).
Per fase: emk E=kωe (effectief) over de impedantie R+jωeL (hoofdstuk 7), dus ∣I∣=kωe/R2+ωe2L2. Mechanisch vermogen = warmte in de drie weerstanden: Mωm=3I2R. (De zelfinductie neemt geen gemiddeld vermogen op.)
b
Bereken stroom en remkoppel bij 75, 150 en 300 tpm. Bij welk toerental is het koppel maximaal?
Met k = 0,379 V·s: 75 tpm: I=33,6A, M=216Nm; 150 tpm: 42,4A, 172Nm; 300 tpm: 46,0A, 101Nm. Het maximum ligt waar ωeL=R: f=R/(2πL)=9,95Hz, n=75tpm, met Mmax=3k2p/(2L)=216Nm.
c
Het aerodynamische koppel is bij 300 tpm ongeveer 106 N·m, en groter bij meer wind. Wat besluit je over de kortsluitrem?
Bij hoge snelheid zet de zelfinductie de stroom vast (±47 A) en daalt het koppel als 1/ω: bij 300 tpm is het maar ±101 N·m, minder dan wat de wind bij sterke wind duwt. Een weggelopen rotor stopt de kortsluitrem niet; hij houdt wel een trage rotor stil. Dus: eerst het toerental laten zakken (dumpbelasting, uit de wind draaien), pas onder ±150 tpm kortsluiten, en de rotor dan vergrendelen.
d
Ontwerp de dumpbelasting aan de gelijkspanningskant: weerstand voor 3,0 kW bij de gelijkspanning van 300 tpm, vermogen, en een nuttige bestemming voor de warmte. Stel een volgorde op: wat gebeurt er bij overtoeren, bij een volle batterij en bij storm?
R=Udc2/P=2232/3000=16,6Ω, vermogensweerstand van minstens 3 kW (liefst 4 kW) met PWM-sturing door de omzetter. Nuttig: een verwarmingselement in het buffervat of de boiler van het station. Volgorde: batterij vol → omzetter stuurt het overschot naar de dump (regelt zo het toerental); boven 330 tpm → dump volledig aan en alarm; storm boven ±15 m/s → de turbine draait uit de wind (hoofdstuk 11); onder 150 tpm → kortsluitrem en mechanische vergrendeling voor onderhoud.
Zo wordt dit beoordeeld
Model
Stroom uit emk en impedantie per fase, koppel uit het vermogen in de weerstanden.
Getallen
Tabel correct; maximum bij ωeL = R (±75 tpm) gevonden.
Inzicht
Begrijpt dat de kortsluitrem bij hoge snelheid zwakker wordt en een weggelopen rotor niet stopt.
Ontwerp
Dumpweerstand correct gedimensioneerd, warmte nuttig gebruikt, volgorde van de maatregelen logisch en veilig.
19.19
Debat: veilige laagspanning of dunne kabels?
Uitdagen8Argumenteren40 min
De generator van het handboek geeft tot 223 V gelijk (bij overtoeren meer): geen zeer lage spanning. Uitvoering B van opdracht 19.15 blijft onder 120 V maar vraagt dikkere kabels en een complexere omzetter. Het station wordt onderhouden door twee bewoners zonder elektricien in de buurt.
a
Verdedig één standpunt: (a) het hele gelijkstroomdeel van het station blijft zeer lage spanning (onder 120 V), ook als het meer koper en een duurdere omzetter kost; (b) hogere spanning is aanvaardbaar met de juiste maatregelen. Gebruik minstens drie getallen uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 20.
(a) Lagere spanning kan het schokrisico beperken. De richtwaarde 120 V geldt voor rimpelvrije gelijkspanning onder specifieke droge omstandigheden; zij garandeert geen veilige aanraking of onderhoudswerk. Vocht, geleidende omgeving, foutenergie en bescherming blijven bepalend (HSE: elektrische testveiligheid). Onderhoud aan de mast vraagt een geïsoleerde, gecontroleerd spanningsloze installatie en een vergrendelde rotor. Ook B blijft niet bij elk toerental onder 120 V: 0,25 V/tpm geeft bij 400 tpm 141 V piek. Prijs: 2,2 keer meer stroom, 4,8 keer meer kabelverlies bij dezelfde doorsnede, een buck-boost. (b) Het handboek blijft met 11,0 A per fase en ±1,6 % kabelverlies met 4 mm² zuinig; de spanning is lager dan die van het gewone 230 V-net (325 V piek). Isolatie, behuizing, scheiding en passende foutbescherming moeten voor dit generator-/DC-systeem afzonderlijk worden ontworpen en beproefd; een gewone netdifferentieelschakelaar bewijst die bescherming niet.
b
Welke maatregelen maken een installatie boven 120 V veilig genoeg? Welke daarvan hangen af van de bewoners, en welke niet?
Technisch: dubbel geïsoleerde kabel in een beschermbuis, afgesloten behuizingen, een werkschakelaar die alle polen onderbreekt en vergrendeld kan worden, isolatiebewaking, onderdelen voor minstens 400 V, dumpbelasting tegen overtoeren. Organisatorisch: alleen spanningsloos werken, rotor vergrendeld (een draaiende generator is nooit spanningsloos!), procedure en opleiding. Technische maatregelen werken ook als iemand een fout maakt; organisatorische niet: dat pleit voor zoveel mogelijk techniek.
Zo wordt dit beoordeeld
Argumenten
Minstens drie correcte getallen (spanning, stroom, kabelverlies, 120 V-grens, overtoeren).
Tegenargument
Het sterkste argument van de andere kant eerlijk weergegeven.
Maatregelen
Technische en organisatorische maatregelen onderscheiden; beseft dat techniek betrouwbaarder is dan gedrag.