← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Expert · Oplossingen · 13. Vakwerken en constructieanalyse
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
E13. Vakwerken en constructieanalyse — oplossingen
EExpert · deel E2 · Mechanica en constructies

Oplossingen · hoofdstuk 13Vakwerken en constructieanalyse

Driehoek na driehoek: de kracht in elke staaf, met de hand, als matrix en als eindige elementen

Uitgewerkte oplossingen bij de 16 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.

6× oefenen6× toepassen4× uitdagen± 550 min
Acht spanten, ongeveer om de 0,60 m, dragen het dak van de woonmodule. Elke staaf is een lat van 45 mm dik: genoeg, omdat ze alleen trek of druk krijgt.
Acht spanten, ongeveer om de 0,60 m, dragen het dak van de woonmodule. Elke staaf is een lat van 45 mm dik: genoeg, omdat ze alleen trek of druk krijgt.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen

Oefenen

één stap, direct toepassen
13.1

Tellen

Oefenen6Begrijpen15 min
Beoordeel elk vakwerk met m + r = 2k en met je gezond verstand.
  1. a
    (a) Een driehoek op twee scharnieren. (b) Een vierkant met één diagonaal, op een scharnier en een rol. (c) Hetzelfde, maar de rol staat op een helling, zodat de lijn van haar reactie precies door het scharnier gaat.
    (a) m + r = 3 + 4 = 7 > 6: één keer statisch onbepaald (uitwendig); de horizontale reacties hangen af van de stijfheid. (b) 5 + 3 = 8 = 2 · 4: statisch bepaald. (c) Telt ook 8, maar alle drie de reacties gaan door één punt (het scharnier): het vakwerk kan een klein beetje om het scharnier draaien. Een kritische vorm.
  2. b
    (d) De Pratt-brug van het handboek zonder de verticaal U3L3. (e) Het Fink-spant met een extra knoop H midden in de onderrand en een verticaal van de nok naar H. (f) Het Fink-spant op twee scharnieren.
    (d) m = 20, r = 3, k = 12: 23 < 24, een mechanisme. De bovenknoop U3 heeft dan alleen U2U3 en U3U4, die op één lijn liggen: hij kan op en neer bewegen. Een nulstaaf is dus niet overbodig. (e) Een knoop meer en twee staven meer (de verticaal, en de onderrand FG wordt FH + HG): m = 13, k = 8, r = 3, dus 16 = 16: bepaald. Zonder last in H is de verticaal een nulstaaf (twee staven op één lijn en een derde). (f) 11 + 4 = 15 > 14: één keer onbepaald. In de praktijk is dat bijna het model met een rol, omdat de onderrand de horizontale kracht zelf opneemt.
13.2

Een muurkraan

Oefenen6Rekenen15 min
In de technische ruimte hangt een kleine muurkraan om de filters van de waterzuivering te wisselen: een horizontale arm van 1,20 m, scharnierend aan de muur, en een schuine schoor van het uiteinde naar een punt 0,90 m lager aan de muur. Aan het uiteinde hangt 2,0 kN.
  1. a
    Teken de knoop aan het uiteinde vrij en bereken de krachten in arm en schoor. Welke is trek, welke druk?
    Schoor van het uiteinde naar de muur: . Verticaal: (de schoor duwt omhoog), dus (druk). Horizontaal: de arm trekt het uiteinde naar de muur met (trek).
  2. b
    Wat gebeurt er met de krachten als de schoor lager aan de muur komt (1,50 m)? En hoger (0,30 m)?
    Lager bevestigd (1,50 m onder de arm) wordt de schoor steiler: , schoor . Op 0,30 m onder de arm wordt ze bijna horizontaal: arm , schoor . Hoe platter de driehoek, hoe groter de krachten.
13.3

Nulstaven zoeken

Oefenen6Begrijpen15 min
Gebruik de twee regels van het handboek.
  1. a
    Welke staven van de Pratt-brug van het handboek zijn nulstaven als er alleen een last in L2 hangt? Werk van de rechterkant naar het midden.
    De regels geven meteen twee nulstaven: in de onbelaste knoop L5 liggen L4L5 en L5L6 op één lijn, dus U5L5 = 0; in de onbelaste knoop U3 liggen U2U3 en U3U4 op één lijn, dus U3L3 = 0. Knoop na knoop verder (of met vakwerk.py) vind je voor een last in L2 als nulstaven: U1L1, U3L3, U5L5. In L1 hangt dan niets meer aan U1L1, en die is ook nul.
  2. b
    Waarom mag je die staven toch niet weglaten? Geef twee redenen.
    (1) Bij een andere belasting (een last in L1, L3 of L5) dragen ze wel. (2) Ze houden andere staven vast: zonder U3L3 kan U3 op en neer bewegen (een mechanisme), en de bovenrand U2U4 zou een twee keer zo grote kniklengte krijgen.
13.4

Eén staaf met een snede

Oefenen6Rekenen20 min
De Howe-brug van het handboek (zelfde maten en lasten als de Pratt, maar de diagonalen stijgen naar het midden).
  1. a
    Snij door het tweede vak (tussen x = 2 en 4 m). Welke drie staven snij je?
    Bovenrand U1U2, diagonaal L1U2 en onderrand L1L2.
  2. b
    Bereken de kracht in de diagonaal en in de bovenrand van dat vak. Vergelijk met de Pratt.
    Dwarskracht in vak 2: . De diagonaal L1U2 stijgt naar het midden; om de dwarskracht naar de linkersteun te brengen, duwt ze: (druk; Pratt: +25 kN trek). Bovenrand: momenten om L1 (waar diagonaal en onderrand samenkomen): , dus . In de Pratt nam je momenten om L2: −53,3 kN. De randen van beide bruggen dragen hetzelfde moment, alleen op een iets andere plaats.
13.5

Trek of druk?

Oefenen6Begrijpen15 min
Voorspel zonder te rekenen, en verklaar met een van de redeneringen van het handboek.
  1. a
    (a) de bovenrand van een balkon dat als vakwerk uit een gevel steekt; (b) de onderrand van het Fink-spant als er een zware windzuiging op het dak werkt; (c) de kabel van een tuibrug.
    (a) Trek: een uitkraging buigt omgekeerd, boven trek en onder druk. (b) Druk: zuiging tilt het dak op, alsof de zwaartekracht omkeert; dan wisselen alle tekens (opdracht 13.9). (c) Trek: een kabel kan niets anders.
  2. b
    (d) Een ontwerper wil de onderrand van het spant vervangen door een staalkabel. Is dat verstandig? (e) En de bovenrand?
    (d) Niet zonder meer: bij windzuiging komt de onderrand op druk, en een kabel kan dat niet; hij zou slap hangen en het spant zou kunnen openklappen. Alleen met een eigengewicht dat altijd groter is dan de zuiging, of met extra verbanden. (e) Nee: de bovenrand is bijna altijd op druk en moet buigstijf zijn.
13.6

Van staafkracht naar profiel

Oefenen6Rekenen20 min
De onderrand van de Pratt-brug draagt in het midden 53,3 kN trek; de bovenrand 60 kN druk over een vaklengte van 2,0 m (rekenwaarden). Staal S235.
  1. a
    Welke doorsnede heeft de onderrand minstens nodig?
    : bijvoorbeeld een strip van 60 × 5 mm (300 mm²) of twee kleine hoekprofielen.
  2. b
    Een koker 60 × 60 × 4 mm (met scherpe hoeken gerekend) als bovenrand: is hij veilig tegen knik (Lk = 2,0 m, knikkromme c)? En een volle vierkante staaf met dezelfde oppervlakte?
    Koker: , . Euler: ; ; , knikkromme c: draagvermogen , ruim boven 60 kN. Volle staaf van : , : minder dan 60 kN, ze knikt al volgens Euler. Dezelfde hoeveelheid staal, als koker 7,0 keer stijver.
Toepassen

Toepassen

meerdere stappen, in een context
13.7

De paneelsteun met de hand

Toepassen7Rekenen30 min
De steun van het zonnepaneel uit hoofdstuk 5: knopen A (0; 0), B (−0,50; 0), C (0; 0,20), D (−0,50; 1,066) m; staven AC, CD, BD, AB, BC; scharnier in A, rol in B. Bij storm werkt in C en in D elk (214,3; 1,1) N (wind en gewicht samen).
  1. a
    Met welke knoop begin je? Waarom?
    Knoop D: er komen maar twee staven samen (CD en BD), en de last is bekend. Zonder reacties te kennen, kan je daar beginnen.
  2. b
    Bereken knoop na knoop alle staafkrachten (zonder eerst de reacties).
    D: BD is verticaal, CD heeft richting van C naar D . in D: de kracht van CD op D is ; geeft . : geeft . Dan C (drie staven, twee onbekend: AC en BC): , . Tot slot B of A: .
  3. c
    Bereken de reacties en vergelijk alles met de uitvoer van hoofdstuk 5.
    Reacties: , , , zoals in hoofdstuk 5 (daar: −429, 542 en −544 N): de achterste voet moet omlaag gehouden worden.
13.8

Een invloedslijn

Toepassen7Programmeren30 min
Gebruik de functie vakwerk() uit vakwerk.py met de Pratt-brug van het handboek (knopen, staven en steunen zoals in de figuur).
024681012−10−8−6−4−20246810plaats van de last (m)staafkracht (kN)diagonaal U2L3bovenrand U2U3
Invloedslijnen voor een last die over de onderknopen rijdt (de uitkomst van het programma).
  1. a
    Laat één last van 10 kN van L1 naar L5 rijden en druk telkens de kracht in diagonaal U2L3 en in bovenrand U2U3 af.
    Bijvoorbeeld:
    for x_last in range(1, 6):                    # een last van 10 kN rijdt over de knopen L1 ... L5
        krachten, reacties = vakwerk(knopen, staven, steunen, {f"L{x_last}": (0, -10.0)})
        print(f"last in L{x_last}: diagonaal U2L3 {krachten[staven.index(('U2', 'L3'))]:6.2f} kN, "
              f"bovenrand U2U3 {krachten[staven.index(('U2', 'U3'))]:6.2f} kN")
    Echte uitvoer:
    last in L1: diagonaal U2L3  -2.78 kN, bovenrand U2U3  -6.67 kN
    last in L2: diagonaal U2L3  -5.56 kN, bovenrand U2U3 -13.33 kN
    last in L3: diagonaal U2L3   8.33 kN, bovenrand U2U3 -20.00 kN
    last in L4: diagonaal U2L3   5.56 kN, bovenrand U2U3 -13.33 kN
    last in L5: diagonaal U2L3   2.78 kN, bovenrand U2U3  -6.67 kN
  2. b
    Teken de invloedslijnen. Wanneer is de diagonaal op trek, wanneer op druk? Waar moet een vrachtwagen staan voor de grootste kracht in U2U3?
    De diagonaal U2L3 is op trek als de last rechts van het derde vak staat (L3 tot L5) en op druk als hij links staat (L1, L2): de dwarskracht in dat vak wisselt van teken. De bovenrand is altijd op druk, het meest met de last in het midden (L3): daar is het moment het grootst.
  3. c
    Waarom is dat belangrijk voor een diagonaal die als slanke trekstaaf ontworpen is?
    Een slanke trekstaaf (een strip, een stang) kan geen druk dragen: ze zou knikken zodra een zware last aan de verkeerde kant staat. Daarom krijgen de middelste vakken van spoorbruggen vaak gekruiste diagonalen of diagonalen die ook druk aankunnen.
13.9

Wind en asymmetrische sneeuw op het spant

Toepassen7Analyseren30 min
Een storm geeft zuiging op beide dakvlakken. Rekenwaarde (vereenvoudigd, als verticale last): dakvlak omhoog. In deze combinatie telt het eigengewicht met factor 1,0 (het is gunstig) en de wind met 1,5; zonder sneeuw.
  1. a
    Bereken de netto lijnlast op de bovenrand (kN per m horizontaal) en de knooplasten.
    Zuiging: omhoog; eigengewicht omlaag: netto (min: omhoog). Knopen D, C, E: ; F en G blijven omlaag.
  2. b
    Bereken de staafkrachten met vakwerk.py. Welke staven wisselen van teken tegenover het sneeuwgeval?
    Krachten (kN): AD +1,15; DC +0,84; CE +0,84; EB +1,15; AF −1,00; FG −0,66; GB −1,00; DF +0,54; FC −0,12; CG −0,12; GE +0,54. Bovenrand wordt trek, onderrand druk, de korte diagonalen trek en de lange licht druk: alle tekens wisselen, want de netto last is omhoog gericht (de zuiging wint het van het eigengewicht).
  3. c
    Wat betekent dat voor de onderrand (knik!) en voor de opleggingen?
    De onderrand is maar 45 mm breed en wordt nu gedrukt over vakken van 2,0 m: zonder zijdelingse steun zou ze uit het vlak knikken. Het plafond (vastgeschroefd) of een langsregel houdt ze vast. De opleggingen moeten het spant naar beneden houden (0,71 kN omhoog per oplegging): verankeren met stalen hoeken of stormankers. Daarom is 'het dak blijft liggen door zijn gewicht' een gevaarlijke aanname.
13.10

Labo: een brug uit ijsstokjes

Toepassen7Labo100 min
Bouw in groep een vakwerkbrug van 50 cm overspanning uit hoogstens 60 ijsstokjes en houtlijm. Ze wordt in het midden belast met een emmer die je langzaam met zand vult, tot ze bezwijkt.
  1. a
    Ontwerp de brug (Pratt, Howe of Warren) en bereken met vakwerk.py de staafkracht per newton last in elke staaf.
    Voor een Warren met 4 vakken van 12,5 cm en 10 cm hoog: de randkracht in het midden is ongeveer M/h = (F/2 · 25 cm)/10 cm = 1,25 F; de schuine staven (F/2)/sin θ ≈ 0,6 F (per newton last).
  2. b
    Meet vooraf: hoeveel trekkracht houdt één stokje (lijmnaad) en hoeveel drukkracht voor het knikt? Voorspel welke staaf eerst bezwijkt en bij welke last.
    Typisch houdt een lijmnaad met een kleine overlapping enkele tientallen newton op trek, een stokje van 12 cm knikt bij enkele tientallen newton (π²EI/L² met E ±10 GPa, 2 × 10 mm doorsnede). De druk in de bovenrand beslist meestal: dubbele stokjes (een grotere I) of een kortere vaklengte helpen het meest.
  3. c
    Test, noteer de bezwijklast en welke staaf of verbinding bezweek. Vergelijk met de voorspelling en verklaar de verschillen.
    Meestal bezwijkt een verbinding of knikt de bovenrand. Bruggen die hoger zijn, bezwijken later (M/h kleiner). Verschillen: knopen zijn stijf en excentrisch (momenten), stokjes zijn niet recht, de last grijpt niet precies in een knoop aan.
Zo wordt dit beoordeeld
OntwerpStatisch bepaald vakwerk, schets met maten, krachten per N last berekend.
VoorspellingSterkte van trek, druk (knik) en verbinding apart gemeten; zwakste schakel voorspeld.
UitvoeringNette knopen, rechte staven, gelijkmatige belasting, veilig testen (bril, geen voeten onder de emmer).
ReflectieVerschil met de voorspelling verklaard (lijmnaden, knopen die geen scharnier zijn, scheve staven, lasten buiten de knopen).
13.11

Habitat: zonnepanelen op het zuidvlak

Toepassen7Habitat50 min
Het zuidvlak van het dak (in het model het rechtervlak, knopen C, E, B) kan zonnepanelen dragen. Met montagerails wegen ze 0,15 kN/m² dakvlak (rekenwaarde). Het team wil weten of de spanten dat zonder aanpassing kunnen.
  1. a
    Bereken de extra lijnlast op het rechtervlak (rekenwaarde met 1,35) en de nieuwe knooplasten.
    , rekenwaarde . Rechtervlak nu : E krijgt , C , B een extra deel direct in de oplegging.
  2. b
    Bereken de staafkrachten met vakwerk.py (sneeuw symmetrisch) en de nieuwe benutting van de bovenrand EB (druk en buiging).
    Krachten (kN): AD −5,33; DC −4,64; CE −4,74; EB −5,54; AF +4,61; FG +3,14; GB +4,80; DF −1,20; FC +1,76; CG +1,94; GE −1,38. De bovenrand EB draagt nu −5,54 kN (was −5,12). Buiging: ; benutting : nog ruim onder 1.
  3. c
    Welke andere vragen moet het team nog stellen voor de panelen op het dak mogen? Denk aan wind, sneeuw en bevestiging.
    Wind: zuiging tilt de panelen op en trekt aan de bevestigingen (de haken moeten in de spanten, niet in de panlatten). Sneeuw kan van de gladde panelen afglijden en zich onderaan ophopen; de dakgoot en de rand krijgen meer. Gaten door het onderdak moeten waterdicht. En de panlatten tussen de spanten moeten de haken kunnen dragen.
  4. d
    Schrijf een advies van 4 à 6 regels voor het dossier.
    Bijvoorbeeld: 'De spanten dragen zonnepanelen van 0,15 kN/m² op het zuidvlak zonder aanpassing: de bovenrand EB gaat van 5,12 naar 5,54 kN druk en blijft ruim onder zijn draagvermogen. Voorwaarden: de dakhaken worden in de spanten geschroefd, de bevestiging wordt op windzuiging nagerekend (hoofdstuk 24 kiest de panelen) en de sneeuwophoping aan de goot wordt nagekeken.'
Zo wordt dit beoordeeld
LastenExtra last per m horizontaal met 1/cos 30° en 1,35; knooplasten correct verdeeld.
BerekeningStaafkrachten en de benutting van de bovenrand met druk en buiging.
Kritische vragenWindzuiging op de panelen (optillen), sneeuw die van de panelen glijdt of zich ophoopt, bevestiging in de spanten, niet in de panlatten.
AdviesDuidelijk besluit met getallen en de voorwaarden.
13.12

Een staaf tussen twee muren

Toepassen7Rekenen25 min
Een staaf bestaat uit een stuk staal (100 mm², 600 mm, E = 210 GPa) en een stuk aluminium (100 mm², 400 mm, E = 70 GPa), na elkaar tussen twee vaste muren. Op de verbinding werkt een kracht van 5,0 kN langs de staaf.
  1. a
    Waarom kan je de reacties niet met evenwicht alleen vinden?
    Eén evenwichtsvergelijking (langs de staaf) en twee onbekende reacties: statisch onbepaald. Hoe de kracht zich verdeelt, hangt af van hoe stijf elk stuk is.
  2. b
    Stel het model op met twee elementen en drie knopen (twee vast). Bereken de verplaatsing van de verbinding en de twee reacties.
    , . Assembleren: in de middelste knoop ; de buitenknopen zitten vast. . Reacties: (het staal wordt uitgerekt) en (het aluminium samengedrukt).
  3. c
    Welke muur krijgt het meest? Leg uit met de stijfheden.
    De muur aan de kant van het staal: het stuk staal is 2,0 keer stijver (hoger E, al is het langer). De stijfste weg trekt de meeste kracht: dat is de kern van elke statisch onbepaalde constructie.
Uitdagen

Uitdagen

transfer, open problemen, leerlijnen combineren
13.13

Een tussenwand met speling

Uitdagen9Programmeren45 min
Onder knoop F staat een tussenwand. De bovenkant van de wand komt tot een speling onder de onderrand. Zolang F minder zakt dan , draagt de wand niets; daarna wel. Gebruik de functie los() uit fem_vakwerk.py.
  1. a
    Hoeveel zakt F bij de volle rekenlast zonder wand? Waarom is dat de maatstaf voor de speling?
    Bij de rekenlast zakt F 1,22 mm (karakteristiek 0,88 mm). Is de speling groter dan de zakking bij de ongunstigste last, dan raakt het spant de wand nooit en blijft het een statisch bepaald vakwerk.
  2. b
    Schrijf een programma dat in twee stappen rekent: eerst de last opvoeren tot F de wand raakt, daarna de rest van de last met de wand als steun. Bereken de kracht op de wand en in FC voor een speling van 0; 0,5; 1,0 en 1,5 mm.
    Bijvoorbeeld:
    # de tussenwand staat met speling onder F: pas als F meer zakt dan de speling, draagt de wand mee
    for speling_mm in (0.0, 0.5, 1.0, 1.5):
        # stap 1: zonder wand, de last opvoeren tot F de wand raakt (lineair: fractie t van de volle last)
        u1, s1, R1 = los(steunen, lasten_vol)
        zak_F = -1000 * u1[2 * idx["F"] + 1]
        t = min(1.0, speling_mm / zak_F)
        # stap 2: de rest van de last met de wand als steun
        u2, s2, R2 = los(steunen + [2 * idx["F"] + 1], {k: (fx * (1 - t), fy * (1 - t)) for k, (fx, fy) in lasten_vol.items()})
        s = t * s1 + s2
        print(f"speling {speling_mm:.1f} mm: wand draagt {R2[2 * idx['F'] + 1]:5.2f} kN, "
              f"FC {s[staven.index(('F', 'C'))]:5.2f} kN, DC {s[staven.index(('D', 'C'))]:5.2f} kN")
    Echte uitvoer:
    speling 0.0 mm: wand draagt  3.74 kN, FC -2.56 kN, DC  0.56 kN
    speling 0.5 mm: wand draagt  2.21 kN, FC -0.79 kN, DC -1.48 kN
    speling 1.0 mm: wand draagt  0.67 kN, FC  0.98 kN, DC -3.53 kN
    speling 1.5 mm: wand draagt  0.00 kN, FC  1.76 kN, DC -4.43 kN
  3. c
    Welke speling adviseer je, rekening houdend met kruip van het hout, slip in de nagelplaten en het zetten van de wand?
    Het model rekent zonder slip en kruip; in werkelijkheid zakt een spant na jaren makkelijk enkele millimeters (kruip ×1,6, slip van de nagelplaten, krimp). Een speling van ongeveer 10 mm, met een beweeglijke hoek die de wand zijdelings vasthoudt maar verticaal laat schuiven, is een veilige keuze. Een speling van 1 mm werkt op papier en faalt in de praktijk.
Zo wordt dit beoordeeld
ModelTwee lineaire stappen correct gekoppeld (contact op het ogenblik dat F de speling heeft doorlopen).
ProgrammaResultaten voor vier spelingen; teken van FC gevolgd.
InterpretatieSpeling groter dan de totale doorbuiging op lange termijn (kruip ×1,6, slip, zetting).
AdviesConcreet getal (bv. 10 à 15 mm) met een beweeglijke bevestiging van de wand aan het spant.
13.14

Ontwerp: de beste hoogte voor een vakwerkbrug

Uitdagen8Ontwerpen45 min
Hoe hoger een Pratt-brug, hoe kleiner de randkrachten (M/h), maar hoe langer de verticalen en diagonalen. Als maat voor het staal neem je Σ |S| · L over alle staven (evenredig met het volume als elke staaf dezelfde toelaatbare spanning heeft). Brug: 12 m, 6 vakken, 10 kN in elke onderknoop.
1,01,52,02,53,03,54,0800100012001400160018002000hoogte van het vakwerk h (m)Σ |S| · L (kN·m)Pratt-brug, 12 m, 5 × 10 kN
Σ |S| · L tegenover de hoogte, berekend met vakwerk.py voor 61 hoogtes.
  1. a
    Leg uit waarom de kromme een minimum heeft.
    De randen dragen M/h: hun bijdrage daalt als 1/h. De verticalen en diagonalen worden langer en de diagonalen komen steiler (hun kracht daalt, hun lengte stijgt): hun bijdrage stijgt ongeveer lineair met h. Een dalende plus een stijgende term geeft een minimum (hoofdstuk 2).
  2. b
    Lees de beste hoogte af. Welke verhouding h/L is dat?
    Het minimum ligt bij , dus . Het is vlak: op 3,0 m kost de brug maar 3 % meer, op 1,5 m (L/8) wel 47 %.
  3. c
    Waarom bouwt men in werkelijkheid vaak lager (h/L ≈ 1/8 à 1/10)? Noem drie redenen.
    Lange drukstaven knikken en vragen dus meer materiaal dan |S| · L doet vermoeden; een hoge brug vangt meer wind; hoge diagonalen bij een laag vak geven lastige knopen; en bij een brug met de rijweg bovenop telt de bouwhoogte onder de weg. Doorbuiging en stijfheid pleiten dan weer voor hoog.
  4. d
    Hoe zou het optimum veranderen als drukstaven ook op knik gecontroleerd worden?
    Voor drukstaven is de benodigde doorsnede groter naarmate ze langer zijn (knik): dat straft de langere vullingsstaven en de bovenrand niet evenveel. Het optimum verschuift meestal naar een iets lagere brug met kortere drukstaven.
Zo wordt dit beoordeeld
UitlegRanden ∝ 1/h, vullingsstaven ∝ lengte; hun som heeft een minimum.
Aflezingh en h/L correct.
WerkelijkheidKnik van lange staven, hoogte onder de rijbaan, wind, esthetiek, doorbuiging, transport.
KnikLange drukstaven vragen meer materiaal: het optimum schuift naar lager.
13.15

Kritische vormen en een bijna platte driehoek

Uitdagen8Analyseren35 min
Twee staven van 1,0 m lang (horizontale projectie) hangen tussen twee scharnieren aan de muren en komen samen in een knoop in het midden, een hoogte h onder de lijn tussen de scharnieren (een 'hangmat'). In de knoop hangt 2,0 kN.
  1. a
    Bereken de staafkracht voor h = 0,5; 0,2; 0,1; 0,05 en 0,01 m.
    S = F/(2 sin θ) met tan θ = h/1,0: h = 0,50 m: 2,2 kN; h = 0,20 m: 5,1 kN; h = 0,10 m: 10,0 kN; h = 0,05 m: 20,0 kN; h = 0,01 m: 100,0 kN.
  2. b
    Wat gebeurt er bij h = 0? Hoe ziet de matrix A van dat vakwerk eruit, en wat is haar determinant?
    Bij liggen beide staven horizontaal: geen enkele staafkracht heeft een verticale component, en de verticale evenwichtsvergelijking van de knoop luidt . De rij van voor die richting bevat alleen nullen: , een kritische vorm.
  3. c
    Waarom geeft een programma bij een bijna kritische vorm wel een antwoord, maar een gevaarlijk antwoord? Denk aan de conditie van een matrix (hoofdstuk 5).
    Bij een bijna kritische vorm is de matrix slecht geconditioneerd: een kleine fout in de geometrie of de last (een millimeter doorzakken, een afgeronde hoek) geeft een grote fout in de krachten, en de krachten zelf zijn enorm. In werkelijkheid rekt de staaf dan, zakt de knoop en vindt het evenwicht een hoek met eindige krachten: dat is een kabel. Een programma dat alleen evenwicht rekent in de onvervormde vorm, mist dat.
13.16

Onderzoek: het menselijke model van de Forth Bridge

Uitdagen8Onderzoeken60 min
Bouw het model van Baker na (figuur van het verhaal): twee leerlingen op een stoel, armen gestrekt naar een bezemsteel die schuin van de stoelpoot naar hun hand loopt; aan elke steel hangt een touw naar een plank in het midden, waarop een zak van 30 kg ligt. Afmetingen van één kant: hand 0,80 m voor de schouder, 0,60 m boven het punt waar de steel de stoel raakt. Een bagageweger in het touw tussen hand en schouder meet de armkracht.
  1. a
    Teken de knoop 'hand' vrij en voorspel de kracht in de arm en in de steel.
    Halve last . In de hand: steel (druk) schuin omhoog met richting tegenover de voet, arm (trek) horizontaal naar de schouder. Verticaal: , dus druk; horizontaal: trek.
  2. b
    Meet de armkracht en vergelijk. Wat voel je in je armen, je rug en de stoel?
    De bagageweger geeft ongeveer die 196 N (20 kgf) als de arm horizontaal is. Je voelt de trek in je armen en schouders, en een druk van de steel in de stoel; je rug moet het moment van de arm opvangen, en de stoel wordt voorover geduwd.
  3. c
    Waarom zitten er in Bakers model gewichten aan de buitenkant? Wat gebeurt er zonder?
    De twee helften duwen elk een moment voorover om hun stoel (de last hangt voor de stoel). Een tegengewicht aan de buitenkant (het anker) geeft een tegengesteld moment, zodat de stoel niet kantelt en niet op zijn voorpoten alleen staat. Bij de echte brug zijn het de ankerarmen met ballast aan de landzijde.
Zo wordt dit beoordeeld
ModelKnoop 'hand' met drie krachten: last (halve zak), arm (trek, horizontaal), steel (druk, schuin).
MetingVeilig opgezet (lage hoogte, iemand die de plank opvangt), armkracht gemeten en vergeleken.
VerklaringAfwijkingen verklaard: de arm is niet precies horizontaal, de steel steunt niet in een scharnier, de mensen leunen.
AnkersMomentenevenwicht om de stoel: zonder tegengewicht kantelen de mensen voorover.