Wat een botsing doet, hangt af van hoe lang ze duurt: van karretjes tot raketten en pakketten aan een parachute
Uitgewerkte oplossingen bij de 17 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Een pakket van 2 kg valt van 40 m: zonder parachute met bijna 18 m/s, met parachute met minder dan 5 m/s.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
9.1
Een tennisservice
Oefenen6Rekenen15 min
Een tennisbal van 57 g wordt bij de opslag in 4,0 ms van (bijna) stilstand tot 50 m/s geslagen.
a
Bereken de impuls na de slag, de stoot en de gemiddelde kracht van het racket.
p=0,057⋅50=2,85kg⋅m/s = J; Fgem=2,85/0,0040=712N, ongeveer 1274 keer het gewicht van de bal.
b
De bal komt met 30 m/s loodrecht op een muur en kaatst terug met 20 m/s. Bereken de stoot van de muur (grootte en richting).
Weg van de muur positief: Δp=0,057(20−(−30))=2,85kg⋅m/s, van de muur weg gericht. Het teken van de snelheid telt: terugkaatsen kost meer stoot dan stoppen.
9.2
Stoot uit een grafiek
Oefenen6Rekenen15 min
Een karretje van 0,50 kg staat stil op een rail zonder wrijving en krijgt de getekende stoot.
De kracht op een karretje van 0,50 kg dat stilstond.
a
Bereken de stoot als oppervlakte onder de grafiek.
Driehoek: J=21⋅0,050s⋅120N=3,0Ns.
b
Hoe snel rijdt het karretje na 50 ms? En na 20 ms?
v=J/m=3,0/0,50=6,0m/s. Na 20 ms is alleen de eerste driehoek voorbij: 21⋅0,020⋅120=1,2Ns, dus 2,4m/s.
c
Hoe groot is de gemiddelde kracht over de 50 ms?
Fgem=3,0/0,050=60N, de helft van de top (dat geldt voor elke driehoek).
9.3
Een zandzak op het ijs
Oefenen6Rekenen15 min
Een schaatser van 60 kg staat stil op glad ijs en gooit een zandzak van 5,0 kg horizontaal weg met 4,0 m/s.
a
Met welke snelheid glijdt de schaatser weg?
0=60V+5,0⋅4,0: V=−0,333m/s (tegengesteld).
b
Hoeveel arbeid leverde hij? Welk deel van de energie kreeg de zak?
W=21⋅5,0⋅16+21⋅60⋅0,3332=40+3,33=43,3J; de zak kreeg 40/43,3=92%.
c
Waar is het zwaartepunt van schaatser en zak 2,0 s na de worp?
Nog op dezelfde plaats: zonder uitwendige (horizontale) kracht blijft het zwaartepunt in rust. (Zak 8,0 m ver, schaatser 0,67 m de andere kant op: (5 · 8,0 − 60 · 0,667)/65 = 0.)
9.4
Twee karretjes haken in
Oefenen6Rekenen15 min
Karretje A (1,2 kg) rijdt met 0,80 m/s naar rechts, karretje B (0,80 kg) met 0,30 m/s naar links. Ze haken met klittenband aan elkaar.
a
Bereken de gemeenschappelijke snelheid na de botsing (grootte en richting).
Rechts positief: 1,2⋅0,80+0,80⋅(−0,30)=0,72kg⋅m/s; v′=0,72/2,0=0,36m/s naar rechts.
b
Hoeveel kinetische energie ging verloren? Waar is ze naartoe?
Voor: 0,420J; na: 21⋅2,0⋅0,362=0,130J; verlies 0,290J (69 %), naar vervorming van het klittenband, geluid en warmte.
9.5
Waar of niet waar?
Oefenen6Begrijpen15 min
Beoordeel elke uitspraak en verklaar in één of twee zinnen.
a
(a) Bij een volledig inelastische botsing gaat alle kinetische energie verloren. (b) Een raket in de ruimte versnelt omdat haar gassen zich afzetten tegen de lucht. (c) Een airbag verkleint de stoot op je hoofd.
(a) Niet waar: alleen de energie van de beweging tegenover het zwaartepunt; het zwaartepunt beweegt verder met dezelfde snelheid (dus die energie blijft). Alleen als de totale impuls nul is, gaat alles verloren. (b) Niet waar: ze duwt de gassen weg en de gassen duwen terug; in het luchtledige werkt het zelfs beter. (c) Niet waar: de stoot (m Δv) blijft gelijk; de airbag verlengt de tijd en spreidt de kracht, zodat de kracht kleiner wordt.
b
(d) Als een bal tegen een muur kaatst, blijft de impuls van de bal behouden. (e) Twee voorwerpen met dezelfde impuls hebben dezelfde kinetische energie. (f) Een drone die een pakket loslaat, stijgt even op.
(d) Niet waar: de muur (en de aarde) oefent een uitwendige kracht uit; de impuls van bal + aarde blijft behouden, die van de bal alleen niet. (e) Niet waar: E = p²/(2m); het lichtere voorwerp heeft meer energie. (f) Waar: de stuwkracht was ingesteld op het gewicht met pakket; zonder pakket is ze groter dan het gewicht, tot de regelaar ingrijpt.
9.6
De raketvergelijking toepassen
Oefenen6Rekenen15 min
Een bovenste trap met waterstof en zuurstof heeft een uitstroomsnelheid van 4,4 km/s.
a
Welke Δv haalt ze als 80 % van haar massa stuwstof is?
m0/m1=1/0,2=5: Δv=4,4ln5=7,08km/s.
b
Welke massaverhouding is nodig voor Δv = 3,0 km/s? Welk deel is dan stuwstof?
m0/m1=e3,0/4,4=1,977; stuwstof 1−1/1,977=49%.
c
Hoeveel stuwkracht levert ze als ze 250 kg stuwstof per seconde verbruikt?
F=m˙ve=250⋅4400=1,1⋅106N=1,1MN.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
9.7
Een botsingsproef verwerken
Toepassen7Labo30 min
Drie botsingen op een rail, B staat telkens stil, snelheden naar rechts positief (voorbeeldmeting):
poging
mA (kg)
mB (kg)
vA (m/s)
vA′ (m/s)
vB′ (m/s)
1
0,750
0,250
0,499
0,257
0,710
2
0,250
0,750
0,502
−0,210
0,242
3
0,750
0,250
0,491
0,372
0,372
a
Bereken voor elke poging de impuls en de kinetische energie voor en na, en de restitutiecoëfficiënt.
Resultaat:
poging
p voor
p na
Ek voor (mJ)
Ek na (mJ)
e
1
0,374
0,370
93,4
87,8
0,91
2
0,126
0,129
31,5
27,5
0,90
3
0,368
0,372
90,4
69,2
0,00
b
Welke poging was met klittenband? Met welke koppeling werden de andere gedaan? Leg uit waarom A bij poging 2 terugrijdt.
Poging 3 (A en B rijden samen verder, e=0). Pogingen 1 en 2 met magneten (e≈0,9). Bij poging 2 is A lichter dan B: (mA−emB)/(mA+mB) is negatief, dus A kaatst terug.
c
De bewegingssensor meet op ±0,004 m/s. Is het verschil tussen p voor en p na significant?
De onzekerheid op p na is ongeveer (mA⋅0,004)2+(mB⋅0,004)2≈3g⋅m/s; de verschillen zijn van dezelfde orde of kleiner: niet significant. Impuls blijft behouden binnen de meetfout.
Zo wordt dit beoordeeld
Berekening
Impuls en energie correct met teken; e als relatieve snelheden.
Interpretatie
Klittenband herkend (e = 0, zelfde snelheid); terugkaatsen verklaard doordat A lichter is dan B.
Onzekerheid
Onzekerheid op p geschat (m · 0,004 per snelheid) en vergeleken.
9.8
De ballistische slinger
Toepassen7Rekenen20 min
Om de snelheid van een pijltje te meten, schiet je het in een blok hout van 2,0 kg dat als slinger aan twee touwen hangt. Het pijltje (10 g) blijft steken; het blok zwaait 5,0 cm omhoog.
a
Welke twee fasen onderscheid je, en welke behoudswet gebruik je in elke fase? Waarom niet omgekeerd?
Fase 1, de botsing (kort): impulsbehoud; energie niet, want de botsing is volledig inelastisch. Fase 2, het zwaaien: energiebehoud (kinetisch → zwaarte-energie); impuls niet, want de touwen en het gewicht werken als uitwendige krachten.
b
Bereken de snelheid van blok met pijltje net na de botsing en de snelheid van het pijltje.
Fase 2: V=2gh=2⋅9,81⋅0,050=0,990m/s. Fase 1: v=mm+MV=0,0102,010⋅0,990=199m/s.
c
Welk deel van de kinetische energie van het pijltje wordt warmte?
Na/voor =21mv221(m+M)V2=m+Mm=0,0050: 99,5 % wordt warmte en vervorming.
9.9
Biljart in het vlak
Toepassen7Rekenen20 min
Een biljartbal met 3,0 m/s botst elastisch en schuin op een even zware bal in rust. Na de botsing gaat bal 1 onder 40° met zijn oorspronkelijke richting verder.
a
Onder welke hoek gaat bal 2 weg? Bereken beide snelheden.
Gelijke massa's, elastisch: 90° tussen de twee, dus bal 2 onder 50° aan de andere kant. v1′=3,0cos40∘=2,30m/s, v2′=3,0sin40∘=1,93m/s.
Hoeveel energie moet de kreukelzone opnemen? Hoe groot is de gemiddelde kracht bij 0,40 m?
E=21⋅1500⋅8,332=52,1kJ; F=E/s=130kN bij 0,40 m.
c
Waarom kan een ontwerper de kreukelzone niet gewoon zo zacht mogelijk maken?
De energie ½ m v² moet binnen de beschikbare lengte opgenomen worden: een te zachte zone is bij hogere snelheden al helemaal plat voor de auto stilstaat, en dan botst de stijve kooi alsnog. De zone moet ook bij 64 km/h (energie × 1,6) werken, en bij een lichte aanrijding weinig schade geven. Het is een afweging, meestal met trappen van toenemende stijfheid.
9.11
De waterraket optimaliseren
Toepassen7Programmeren30 min
Gebruik waterraket.py uit het handboek.
a
Zoek voor 3, 4, 5 en 6 bar de beste vulling en de bijhorende hoogte. Schrijf de code.
Bijvoorbeeld:
import numpy as np
# lancering() uit waterraket.py
for p in (3e5, 4e5, 5e5, 6e5):
vullingen = np.arange(0.2, 1.01, 0.05)
h = [lancering(V * 1e-3, p_over=p)[2] for V in vullingen]
i = int(np.argmax(h))
print(f"{p / 1e5:.0f} bar: beste vulling {vullingen[i]:.2f} L, {h[i]:.1f} m
Echte uitvoer:
3 bar: beste vulling 0.55 L, 28.6 m
4 bar: beste vulling 0.60 L, 37.0 m
5 bar: beste vulling 0.60 L, 44.4 m
6 bar: beste vulling 0.65 L, 50.8 m
b
Verschuift de beste vulling met de druk? Hoeveel hoogte levert elke extra bar op?
De beste vulling verschuift weinig (van 0,55 naar 0,65 L); de hoogte stijgt met de druk, maar minder dan evenredig (per extra bar 8, 7 en 6 m): de luchtweerstand groeit met v².
c
Wat verandert er als je het mondstuk halveert (Ø 10,75 mm)? Voorspel eerst, simuleer dan.
Voorspelling: dezelfde uitstroomsnelheid (die hangt alleen van de druk af), maar vier keer minder debiet: de stuwing duurt vier keer langer en de stuwkracht is vier keer kleiner. Zolang die ruim boven het gewicht blijft, verandert Δv weinig, maar de zwaartekracht knabbelt langer mee (zwaartekrachtverlies, opdracht 9.16): de raket komt iets lager. De simulatie met 0,6 L en 4 bar: stuwing 0,31 s in plaats van 0,08 s, 29,6 m/s in plaats van 32,2 m/s, en 35,9 m hoog in plaats van 37,0 m.
9.12
Habitat: de drop voorbereiden
Toepassen7Habitat60 min
Een pakket van 2,0 kg (doos 30 cm) moet op het afzetpunt naast de moestuin landen. De drone hangt op 40 m. Ontwerpeisen: landingssnelheid hoogstens 5,0 m/s, inhoud hoogstens 30 g, het pakket landt binnen 5 m van het kruis. Rekenwaarden: parachute cd 0,8 op de nominale oppervlakte, lucht 1,2 kg/m³, schuim hoogstens 70 % indrukbaar. De windmeter meldt 4 m/s uit het westen.
a
Bereken de kleinste parachutediameter (verwaarloos eerst de doos, controleer dan met de doos erbij).
mg=21ρcdAv2: A=1,2⋅0,8⋅252⋅2,0⋅9,81=1,64m2, D=4A/π=1,44m. Met de doos erbij (k=0,057) mag het iets kleiner, maar kies een standaardmaat: 1,5 m geeft 4,66 m/s.
b
Dimensioneer het schuim: dikte en plateauspanning over de bodem.
Met v=4,66m/s: remweg 3,8cm, dikte ≥5,4cm (6 cm); plateauspanning 589N/0,09m2=6,5kPa.
c
Waar laat de drone het pakket los? Schat de valtijd met de eindsnelheid (40 m / 4,7 m/s) en de drift; vergelijk met de simulatie (3 m/s: 22 m, 5 m/s: 37 m).
Valtijd ≈40/4,7≈8,5s (simulatie: 8,5 s); drift ≈4⋅8,5=34m. De simulatie geeft tussen 22 en 37 m voor 3 en 5 m/s, dus ongeveer 30 m bij 4 m/s. Loslaten ongeveer 30 m ten westen van het kruis. Een windvlaag van 1 m/s verschuift de landing al 8 m: de eis van 5 m haal je alleen bij stabiele, zwakke wind.
d
Noem drie risico's van de drop en een maatregel voor elk. Welke regel geldt voor afwerpen in de EU?
Bijvoorbeeld: (1) de parachute gaat niet open: pakket van 18 m/s → afzetgebied van 20 m afgezet, niemand onder de vliegroute, schuim beschermt de inhoud niet: breekbare inhoud nooit droppen; (2) windvlaag: niet droppen boven 5 m/s gemiddeld, wachten; (3) de drone springt omhoog bij het loslaten: loslaten ver genoeg boven obstakels. In de EU mag in de open categorie niets afgeworpen worden; dit kan alleen in de specifieke categorie met een vergunning.
Zo wordt dit beoordeeld
Parachute
Eindsnelheid ≤ 5 m/s correct omgerekend naar A en D; de doos meegerekend.
Verpakking
Remweg voor 29 g netto; dikte met 70 %; plateauspanning uit F = m · 30 g.
Drift
Loslaatpunt boven de wind op ±w · t; onzekerheid besproken.
Risico's
Concreet (parachute gaat niet open, windvlaag, mensen op het terrein) met maatregel; open categorie verbiedt afwerpen.
9.13
De drone met een zwaarder pakket
Toepassen7Rekenen20 min
Iemand wil met dezelfde drone (8,0 kg, 4 rotoren van 0,56 m) een pakket van 3,0 kg meegeven.
a
Bereken de geïnduceerde snelheid en het vermogen om te hangen (figure of merit 0,65, motoren 85 %).
T=11⋅9,81=107,9N, vi=6,76m/s, Pideaal=729W, uit de batterij 1319W.
b
Met hoeveel procent stijgt het vermogen tegenover 2,0 kg? Waarom meer dan de massa?
+15,4% voor +10% massa: P∼T3/2, want een zwaardere drone moet meer lucht én sneller versnellen (1,11,5=1,154).
c
Welke rotordiameter zou nodig zijn om met 11 kg hetzelfde vermogen te vragen als nu met 10 kg?
P∼T3/2/A: gelijk vermogen vraagt A∼T3, dus A maal 1,13=1,331 en D maal 1,331=1,154: 0,65m.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
9.14
Energieverlies bij een botsing afgeleid
Uitdagen8Analyseren35 min
Twee voorwerpen botsen frontaal: m1, v1 en m2, v2, met restitutiecoëfficiënt e.
a
Leid uit impulsbehoud en v2′−v1′=−e(v2−v1) de snelheden v1′ en v2′ af. Controleer met e=1 en e=0.
m1v1′+m2v2′=m1v1+m2v2 en v2′=v1′−e(v2−v1): v1′=m1+m2m1v1+m2v2+em2(v2−v1), v2′=m1+m2m1v1+m2v2+em1(v1−v2). Met e=1 de elastische formules, met e=0 beide gelijk aan vzw.
b
Schrijf de snelheden als vzw+ een deel dat alleen van de relatieve snelheid afhangt, en toon dat Ek=21Mvzw2+21μvrel2 met μ=m1+m2m1m2.
v1=vzw+Mm2vrel en v2=vzw−Mm1vrel met vrel=v1−v2 en M=m1+m2. Invullen in 21m1v12+21m2v22: de kruistermen m1vzwMm2vrel−m2vzwMm1vrel vallen weg, en 21(M2m1m22+M2m2m12)vrel2=21μvrel2.
c
Leid af: ΔEk=21μ(v1−v2)2(1−e2). Controleer met poging 3 van de proef in het handboek.
Het zwaartepunt verandert niet; de relatieve snelheid wordt met e vermenigvuldigd: ΔEk=21μvrel2(1−e2). Poging 3: μ=0,25kg, vrel=0,597, e=0: ΔE=44,6mJ; gemeten 89,1−43,2=45,9mJ.
9.15
Onderzoek: hoeveel botsingen remmen een neutron af?
Uitdagen9Onderzoeken50 min
Bij een elastische botsing van een neutron met een kern (massagetal A) in rust, isotroop verstrooid in het zwaartepuntstelsel, is de energie na de botsing E′=E2(1+α)+(1−α)cosθ met α=(A+1A−1)2 en cosθ gelijkmatig verdeeld tussen −1 en 1.
a
Toon dat αE de kleinste energie na een botsing is. Welke botsing is dat? Vergelijk met het handboek.
E′ is lineair in cosθ: kleinste bij cosθ=−1: E′=E21+α−1+α=αE. Dat is de frontale botsing (het neutron keert om). Controle: 1−α=1−(A+1)2(A−1)2=(A+1)24A, het deel uit het handboek.
b
Schrijf een Monte-Carlosimulatie: laat 20 000 neutronen van 2 MeV botsen tot ze onder 0,025 eV zitten, voor waterstof, deuterium en koolstof. Rapporteer gemiddelde, kleinste en grootste aantal botsingen.
Bijvoorbeeld:
import math
import numpy as np
rng = np.random.default_rng(1942)
def botsingen(A, n=20000, E0=2.0e6, E1=0.025):
"""Aantal elastische botsingen tot een neutron onder E1 (eV) komt; verstrooiing isotroop in het zwaartepuntstelsel."""
alfa = ((A - 1) / (A + 1))**2
E = np.full(n, E0)
teller = np.zeros(n, dtype=int)
actief = E > E1
while actief.any():
mu = rng.uniform(-1.0, 1.0, actief.sum()) # cos van de verstrooiingshoek (zwaartepuntstelsel)
E[actief] *= ((1 + alfa) + (1 - alfa) * mu) / 2
teller[actief] += 1
actief = E > E1
return teller
for naam, A in (("waterstof", 1), ("deuterium", 2), ("koolstof", 12)):
t = botsingen(A)
print(f"{naam:10s} A = {A:2d}: gemiddeld {t.mean():6.1f} botsingen (van {t.min()} tot {t.max()})")
Echte uitvoer:
waterstof A = 1: gemiddeld 19.2 botsingen (van 6 tot 38)
deuterium A = 2: gemiddeld 25.9 botsingen (van 13 tot 44)
koolstof A = 12: gemiddeld 116.0 botsingen (van 93 tot 146)
c
Vergelijk met de tabel van het handboek. Waarom is het aantal botsingen geen vast getal? Welke moderator kies je als je ook weet dat waterstof neutronen invangt en deuterium bijna niet?
De gemiddelden liggen dicht bij 18, 25 en 115 (de standaardformule ln(E₀/E₁)/ξ), telkens iets hoger: je telt tot een neutron ónder 0,025 eV zit, en de laatste botsing schiet er gemiddeld een stuk voorbij. Elke botsing heeft een toevallige hoek; sommige neutronen zijn met een paar frontale botsingen klaar, andere hebben er veel meer nodig. Waterstof remt het snelst af, maar vangt neutronen in: in een reactor met natuurlijk uranium kiest men zwaar water (bijna even snel, weinig invangst) of grafiet (traag, maar goedkoop en weinig invangst).
Zo wordt dit beoordeeld
Afleiding
cos θ = −1 geeft αE: frontale botsing, zoals 1 − 4A/(1 + A)² = α.
Simulatie
Correct, reproduceerbaar (vaste seed), gevectoriseerd of met een lus.
Resultaten
Gemiddelden dicht bij 18, 25, 115; spreiding gerapporteerd.
Interpretatie
Toeval van de hoek; afweging vertraging tegenover invangst (zwaar water, grafiet).
9.16
Zwaartekrachtverlies en trappen
Uitdagen8Analyseren35 min
Een raket stijgt verticaal op met een constante massadebiet en uitstroomsnelheid vₑ; verwaarloos de lucht.
a
Toon dat mdv/dt=m˙ve−mg leidt tot v(tb)=velnm1m0−gtb.
dv/dt=mm˙ve−g met m=m0−m˙t: mm˙=−dtdlnm. Integreren van 0 tot tb: v=velnm1m0−gtb.
b
Een trap met ve=3,0km/s en m0/m1=4,0 brandt 150 s. Hoeveel snelheid gaat verloren aan de zwaartekracht? Wat als ze dezelfde stuwstof in 75 s verbrandt?
Zonder zwaartekracht 3,0ln4=4,16km/s; verlies 9,81⋅150=1,47km/s, dus 2,69km/s. In 75 s: verlies 0,74 km/s, 3,42km/s.
c
Waarom branden echte raketten dan niet in een paar seconden op? Noem twee redenen.
(1) Een snelle verbranding vraagt een enorme stuwkracht en dus zware motoren en een sterke structuur; en de versnelling (tientallen g) moet de last en eventueel mensen verdragen. (2) In de dichte lucht onderaan zou een heel snelle raket veel verliezen aan luchtweerstand en verhitting. Het optimum is een compromis: stuwkracht ongeveer 1,2 à 1,5 keer het gewicht bij de start.
9.17
Ontwerp: de eivalproef
Uitdagen8Ontwerpen90 min
Ontwerp een verpakking die een rauw ei (60 g) heel houdt als ze van 3,0 m hoog op een betonvloer valt. Materiaal: 10 rietjes, 1 m plakband, een A4-blad, een plastic zakje, 2 elastiekjes, katoen. Rekenwaarde: een ei breekt bij ongeveer 25 N als de kracht over een klein stukje schaal komt (met marge). De verpakking mag samen met het ei hoogstens 150 g wegen.
a
Bereken de snelheid bij de grond, de stoot op het ei en de kleinste remweg van het ei zodat de kracht onder 25 N blijft.
v=2⋅9,81⋅3,0=7,67m/s, J=0,060⋅7,67=0,46Ns. Met F≤25N is de vertraging hoogstens 25/0,060−9,81=407m/s2 (41g), dus de remweg minstens v2/(2a)=7,2cm, in ongeveer 19 ms.
b
Vergelijk twee strategieën met getallen: (a) langer remmen (kreukelzone van rietjes, katoen), (b) trager vallen (parachute uit het zakje). Hoe groot moet de parachute zijn voor 3 m/s?
(a) Een kreukelzone van ongeveer 7 cm plus marge: rietjes die knikken of platgaan, of katoen dat samengedrukt wordt; alleen als de kracht ongeveer constant blijft tijdens het indrukken (een stijve kreukelzone die op het eind 'hard' wordt, geeft een piek). (b) Een parachute voor 3 m/s: A=ρcdv22mg; met de hele verpakking van 150 g is dat 0,34m2 (Ø 0,66 m), meer dan een plastic zakje; voor een ei van 60 g alleen zou 0,14 m² (Ø 0,42 m) volstaan. Bovendien moet de parachute binnen een halve meter opengaan. Landt het ei met 3 m/s, dan volstaat 1,1 cm remweg. Het beste is een combinatie: een kleine parachute die de snelheid wat verlaagt, en een kreukelzone.
c
Schets je ontwerp met maten en leg uit hoe het de kracht verdeelt en de remweg haalt.
Bijvoorbeeld: het ei in katoen in een piramide van rietjes (hoogte 12 cm), met de punt naar boven; bij de landing knikken de onderste rietjes en zakt het ei 7 à 9 cm. De rietjes verdelen de kracht over vier steunpunten op de schaal, via katoen, zodat de kracht niet op één punt komt. Massa: rietjes ±8 g, papier ±5 g, katoen ±10 g, samen met het ei ±85 g.
d
Test, noteer het resultaat en verbeter één keer. Wat leerde de test dat de berekening niet zei?
Een typisch resultaat: de eerste versie kantelt en landt op een zijkant, waar geen kreukelzone zit. Verbetering: het zwaartepunt laag leggen (het ei onderaan) of rondom rietjes. De berekening zegt hoeveel remweg nodig is, maar niet in welke richting het pakket landt: net als bij het echte pakket van de drone moet het schuim rondom zitten.
Zo wordt dit beoordeeld
Berekening
v, J, remweg en duur correct; eis vertaald naar een remweg.
Strategieën
Kreukelzone en parachute vergeleken met getallen; beperkingen (opengaan op 3 m) besproken.
Ontwerp
Schets met maten; remweg en spreiding van de kracht zichtbaar; massa onder 150 g.
Test en verbetering
Resultaat eerlijk gerapporteerd; één gerichte verbetering met reden.