Expert · Oplossingen · 8. Beweging in twee dimensies StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
SE
StemExpert
E8. Beweging in twee dimensies — oplossingen
EExpert · deel E2 · Mechanica en constructies
Oplossingen · hoofdstuk 8Beweging in twee dimensies
Van een druppel uit de sproeier tot een drone in de wind: beweging als vector
Uitgewerkte oplossingen bij de 18 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Onder welke andere hoek landt de bal op dezelfde plaats? Welke baan duurt het langst?
90∘−35∘=55∘ (want sin110∘=sin70∘). De baan onder 55° is hoger en duurt langer: T=2⋅15sin55∘/9,81=2,51s.
c
Wat is de snelheid in de top, en de versnelling?
In de top is vy=0, dus v=vx=15cos35∘=12,3m/s (niet nul!). De versnelling is overal g=9,81m/s2 naar beneden, ook in de top.
8.4
Waar of niet waar?
Oefenen6Begrijpen15 min
Beoordeel elke uitspraak en verklaar in één of twee zinnen.
a
(a) In de top van een schuine worp is de snelheid nul. (b) Een druppel die in de wind valt, heeft tegenover de grond een schuine eindsnelheid. (c) Een voorwerp dat met constante snelheid een cirkel beschrijft, versnelt niet.
(a) Niet waar: alleen de verticale snelheid is nul, de horizontale blijft. (b) Waar: tegenover de lucht valt hij verticaal met zijn eindsnelheid, en de lucht beweegt met de wind mee; tegenover de grond is dat de som van beide. (c) Niet waar: de richting van de snelheid verandert, dus er is een versnelling v²/R naar het middelpunt.
b
(d) Met luchtweerstand draagt 45° het verst. (e) Een pakket dat een drone loslaat, valt tegenover de grond recht naar beneden. (f) De middelpuntzoekende kracht moet je in een vrijlichaamsdiagram apart tekenen, naast de andere krachten.
(d) Niet waar: met lucht ligt het optimum lager (voor druppels 27 tot 35°), want een steile baan duurt langer en remt meer af. (e) Niet waar: het pakket krijgt de snelheid van de drone mee; tegenover de drone valt het (zonder lucht) recht naar beneden, tegenover de grond is het een worp. (f) Niet waar: het is geen extra kracht, maar de resultante van de getekende krachten (wrijving, spanning, normaalkracht, gewicht). Je tekent ze niet dubbel.
8.5
De rivier oversteken
Oefenen6Rekenen20 min
Een bootje vaart met 3,0 m/s tegenover het water over een rivier van 60 m breed; het water stroomt met 1,5 m/s.
a
De stuurman richt recht naar de overkant. Hoe lang duurt de oversteek, hoe ver drijft het bootje af, en hoe snel beweegt het tegenover de oever?
De stroming verandert de component naar de overkant niet: t=60/3,0=20s. Afdrijven: 1,5⋅20=30m. Snelheid tegenover de oever 3,02+1,52=3,35m/s.
b
Onder welke hoek moet hij stroomopwaarts richten om recht over te steken? Hoe lang duurt het dan?
De component stroomopwaarts moet de stroming opheffen: 3,0sinβ=1,5, β=30∘. Naar de overkant blijft 3,0cos30∘=2,60m/s: t=60/2,60=23,1s.
c
Teken voor beide gevallen de snelheidsdriehoek.
(a) Pijl 3,0 recht naar de overkant, kop aan staart 1,5 stroomafwaarts, resultante schuin. (b) Pijl 3,0 schuin stroomopwaarts (30° met de loodlijn), plus 1,5 stroomafwaarts: resultante 2,60 recht naar de overkant. De rechte oversteek duurt langer.
8.6
Het wiel van het robotje
Oefenen6Rekenen15 min
Het inspectierobotje (hoofdstuk 33 van I) rijdt 0,20 m/s op wielen van Ø 65 mm; de motor draait via een tandwielkast 1:48.
a
Bereken de hoeksnelheid van het wiel (rad/s en toeren per minuut) en de omlooptijd.
In de bocht van zijn lus (R = 0,15 m) houdt het robotje 0,20 m/s aan. Bereken zijn centripetale versnelling en de kracht op het robotje van 0,8 kg. Welke kracht levert die?
a=0,202/0,15=0,267m/s2, F=0,8⋅0,267=0,21N, geleverd door de zijdelingse wrijving van de banden op de vloer (ruim onder μmg≈4N).
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
8.7
Naar het depot, met zuidwestenwind
Toepassen7Rekenen25 min
De drone vliegt 12 m/s tegenover de lucht naar het depot, 6,0 km recht ten noorden. De wind komt nu uit het zuidwesten met 5,0 m/s (de lucht beweegt naar het noordoosten).
a
Schrijf w in componenten (x oost, y noord).
w=5,0(sin45∘;cos45∘)=(3,54;3,54)m/s.
b
Welke koers houdt de drone aan op de heenweg? Hoe snel gaat hij over de grond, en hoe lang duurt de heenvlucht?
x: vlucht,x=−3,54; dan vlucht,y=144−3,542=11,47m/s. Koers sin−1(3,54/12)=17,1∘ ten westen van het noorden. Over de grond: 11,47+3,54=15,00m/s; 6000/15,00=400s=6,7min.
c
Idem voor de terugweg. Vergelijk de totale tijd met windstil weer (16,7 min).
Terug naar het zuiden: opnieuw vlucht,x=−3,54 (koers 17,1° ten westen van het zuiden), vlucht,y=−11,47; over de grond 11,47−3,54=7,93m/s: 12,6min. Samen 19,3min, meer dan de 16,7 min zonder wind.
8.8
Een pakket op een platform
Toepassen7Rekenen20 min
Je gooit een zakje zaden van 1,0 m hoog naar een plat dak dat 6,0 m verder en 2,0 m hoger ligt dan je hand, met 10 m/s. Geen lucht.
a
Bereken beide hoeken waaronder het zakje de rand van het dak (6,0 m; 2,0 m) raakt.
2v02gx2=2009,81⋅36=1,7658: 1,7658u2−6u+3,7658=0, u=0,831 of 2,567: α=39,7∘ of 68,7∘.
b
Bereken voor beide de tijd tot de dakrand. Bij welke hoek komt het zakje van boven op het dak, bij welke nog stijgend?
t=x/(v0cosα): 0,78 s en 1,65 s. Onder 69° is de top op t=v0sinα/g=0,95s, vóór de dakrand: het zakje valt van boven op het dak. Onder 40° is de top op 0,65 s, ná 0,78 s: het zakje stijgt nog als het de rand passeert.
c
Wat is de kleinste snelheid waarmee je de dakrand nog haalt, en onder welke hoek?
vmin=g(y+x2+y2)=9,81(2+6,325)=9,04m/s; de hoek is 21(90∘+tan−162)=54,2∘.
8.9
Loslaten uit een stijgende drone
Toepassen7Rekenen20 min
Een drone laat op 30 m hoogte een pakket los terwijl hij met (10; 2,0) m/s vliegt (x vooruit, y omhoog). Geen lucht.
a
Wat is de beginsnelheid van het pakket tegenover de grond en tegenover de drone?
Tegenover de grond (10; 2,0) m/s: de snelheid van de drone. Tegenover de drone nul.
b
Wanneer en waar landt het pakket? Met welke snelheid?
Waar is de drone dan (hij vliegt eenparig verder)? Beschrijf de beweging van het pakket gezien vanuit de drone.
Drone: (26,9;30+2,0⋅2,69)=(26,9;35,4) m: recht boven het pakket, 35,4 m hoger. Vanuit de drone valt het pakket recht naar beneden met versnelling g, vanuit stilstand: Δy=−21gt2.
8.10
De beste hoek voor een druppel van 2 mm
Toepassen7Programmeren25 min
Gebruik de functie baan() uit baan.py (handboek). De sproeier: 19,0 m/s, mondje 0,30 m hoog, druppel van 2 mm (vt = 6,49 m/s).
a
Schrijf een programma dat het bereik berekent voor hoeken van 10° tot 55° en de beste hoek zoekt.
Bijvoorbeeld:
import numpy as np
# baan() uit baan.py (handboek)
hoeken = np.arange(10, 56, 1)
bereik = [baan(19.0, a, 0.30, vt=6.49, dt=0.002)[-1, 1] for a in hoeken]
i = int(np.argmax(bereik))
print(f"beste hoek {hoeken[i]}°: {bereik[i]:.2f} m")
for a in (20, 25, 30, 35, 40, 45):
print(f"{a}°: {bereik[a - 10]:.2f} m")
Echte uitvoer:
beste hoek 32°: 7.04 m
20°: 6.65 m
25°: 6.91 m
30°: 7.03 m
35°: 7.01 m
40°: 6.88 m
45°: 6.64 m
b
Hoeveel bereik verlies je met 25° in plaats van de beste hoek? Is dat de moeite?
Het verschil is een paar procent (enkele decimeter): de kromme is vlak rond haar top. De lagere hoek maakt de sproeier minder windgevoelig, en dat weegt zwaarder.
8.11
Videoanalyse van een tennisbal
Toepassen7Analyseren30 min
Een tennisbal wordt schuin weggegooid en gefilmd; uit de video (bv. met Tracker) haal je om de 0,1 s de plaats. Voorbeeldmeting:
t (s)
0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
x (m)
0,000
0,910
1,798
2,664
3,515
4,356
5,178
5,988
y (m)
1,798
2,511
3,114
3,604
3,991
4,270
4,444
4,524
t (s)
0,8
0,9
1,0
1,1
1,2
1,3
1,4
x (m)
6,781
7,564
8,334
9,092
9,834
10,565
11,280
y (m)
4,500
4,384
4,169
3,865
3,466
2,976
2,396
a
Bereken met centrale differenties vx en vy op t=0,1 s tot 1,3 s.
Resultaat (ook de versnellingen):
t (s)
vx (m/s)
vy (m/s)
ax (m/s²)
ay (m/s²)
0,1
8,99
6,58
−2,2
−11,0
0,2
8,77
5,46
−2,2
−11,3
0,3
8,58
4,39
−1,5
−10,3
0,4
8,46
3,33
−1,0
−10,8
0,5
8,31
2,26
−1,9
−10,5
0,6
8,16
1,27
−1,2
−9,4
0,7
8,01
0,28
−1,7
−10,4
0,8
7,88
−0,70
−1,0
−9,2
0,9
7,76
−1,66
−1,3
−9,9
1,0
7,64
−2,60
−1,2
−8,9
1,1
7,50
−3,51
−1,6
−9,5
1,2
7,36
−4,45
−1,1
−9,1
1,3
7,23
−5,35
−1,6
−9,0
b
Bereken met de tweede differentie (xi+1−2xi+xi−1)/Δt2 ook ax en ay. Wat is hun gemiddelde?
Gemiddeld ax=−1,5m/s2 en ay=−9,9m/s2.
c
Wijst de meting op luchtweerstand? Waaraan zie je dat? Waarom is ay zo onrustig?
Ja: vx daalt van 8,99 naar 7,23 m/s, dus ax is negatief, en ∣ay∣ is in het begin, als de bal stijgt, groter dan g (weerstand en zwaartekracht wijzen allebei naar beneden) en aan het eind kleiner. Een tweede differentie deelt door Δt2=0,01s2: een fout van 2 mm in één plaats wordt al 0,4 m/s² (hoofdstuk 1: differentiëren versterkt ruis).
8.12
De hellende bocht van een wielerbaan
Toepassen7Analyseren25 min
Een wielrenner neemt een bocht met straal R die onder een hoek θ helt. Neem aan dat er geen wrijving nodig is.
a
Teken het vrijlichaamsdiagram (renner met fiets als één punt) en toon aan dat tanθ=gRv2.
Alleen G (verticaal) en FN (loodrecht op de baan, dus onder θ met de verticaal). Verticaal: FNcosθ=mg. Horizontaal, naar het middelpunt: FNsinθ=mv2/R. Delen: tanθ=v2/(gR).
b
Bereken θ voor R = 25 m en 15 m/s (54 km/h).
tanθ=225/(9,81⋅25)=0,917, θ=42,5∘.
c
Waarom hellen de bochten van een autosnelweg maar een paar procent?
Een autosnelweg heeft een grote straal (honderden meter), dus v²/(gR) is klein; en een sterke helling zou een trage of stilstaande auto (file, ijzel) naar binnen laten glijden. De wrijving doet de rest.
8.13
Habitat: het beregeningsplan van de moestuin
Toepassen7Habitat60 min
De moestuin van 9,0 × 9,0 m krijgt vier kwartcirkelsproeiers (handboek). Rekenwaarden: overdruk aan het mondje Δp, snelheidscoëfficiënt 0,95, pomp met een rendement van 30 %. Uit de simulatie (druppels tot 3 mm, 25°, 0,30 m hoog): bereik 8,0 m bij 1,5 bar, 9,0 m bij 2,0 bar, 9,8 m bij 2,5 bar (model). Een droge zomerdag vraagt 5 mm water; in een droge week zonder regen 30 mm.
a
Kies een spuitmond (1,5 / 2,0 / 2,5 mm) en een druk zodat de straal 9 m haalt. Bereken v₀ en Q per sproeier.
Met 2,0 mm en 2,0 bar (handboek): v0=0,952⋅2,0⋅105/1000=19,0m/s, Q=3,58L/min, straal 9,0 m. (Met 1,5 mm op 2,0 bar blijft de snelheid gelijk en dus ook het bereik van een druppel van 3 mm, maar het debiet daalt tot 2,01 L/min en een dunnere straal geeft kleinere druppels: kortere straal. 2,5 mm geeft 5,60 L/min.)
b
Bereken de neerslag in mm/h en de sproeitijd per dag voor 5 mm. Hoeveel regenwater gaat er in een droge week door?
Neerslag 4⋅3,58L/min⋅60/81m2=10,6mm/h. 5 mm = 405 L: 28 min. Droge week (30 mm): 30⋅81=2430L, bijna 2,5 m³ regenwater.
c
Bereken het hydraulisch en het elektrisch vermogen van de pomp en de energie per dag.
Hydraulisch 4⋅ΔpQ=4⋅11,9=48W (aan de mondjes; de leidingen vragen nog wat extra, hoofdstuk 18). Elektrisch 48/0,30=159W, gedurende 28 min: 75 Wh per dag.
d
Schrijf voor het brein van het station een regel van 3 à 5 zinnen: wanneer mag er gesproeid worden (tijdstip, wind, regen)?
Bijvoorbeeld: 'Sproei tussen 5 en 8 uur 's ochtends, als de gemiddelde wind over de laatste 10 minuten onder 3 m/s ligt. Sla over als er de voorbije 24 uur meer dan 5 mm regen viel of als de bodemvochtsensor boven de drempel zit. Stijgt de wind tijdens het sproeien boven 4 m/s, stop dan en probeer 's avonds opnieuw.'
Zo wordt dit beoordeeld
Keuze
Druk en mondje samen kloppen met 9 m straal; v₀ uit ½ρv² = Δp met 0,95; Q = A v₀.
Water
Neerslag = 4Q / 81 m²; tijd voor 5 mm; weekvolume in liter.
Energie
Δp · Q per sproeier, gedeeld door het pomprendement; Wh per dag.
Regel
Windgrens met getal (bv. 3 m/s: 2 à 3 m verschuiving), vroeg in de ochtend, niet na regen; meetbaar voor de sensoren.
8.14
Regen op het treinraam
Toepassen7Analyseren15 min
Een trein rijdt 120 km/h door windstille regen. De regendruppels maken op het zijraam strepen die 76° met de verticaal maken.
a
Teken de snelheidsdriehoek: druppel tegenover de grond, trein tegenover de grond, druppel tegenover de trein.
vdruppel,trein=vdruppel,grond−vtrein,grond: verticaal naar beneden ve, plus 33,3 m/s naar achteren. De streep maakt een hoek tanβ=33,3/ve met de verticaal.
b
Bereken de valsnelheid van de druppels. Hoe groot zijn ze ongeveer (gebruik de tabel van het handboek)?
ve=33,3/tan76∘=8,31m/s: tussen 8,06 (3 mm) en 8,83 m/s (4 mm), dus druppels van ongeveer 3 mm: een stevige bui.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
8.15
Twee afleidingen: omhullende en bereik vanaf een hoogte
Uitdagen8Analyseren35 min
Zonder lucht, beginsnelheid v₀, vertrek in de oorsprong (of op hoogte h).
a
Schrijf de baan als y=xu−2v02gx2(1+u2) met u=tanα. Voor een vaste x: welke u geeft de grootste y? Toon dat die grootste y de omhullende y=2gv02−2v02gx2 is.
∂y/∂u=x−v02gx2u=0 geeft u=gxv02. Invullen: y=gv02−2v02gx2−2gv02=2gv02−2v02gx2. Geen enkele baan komt boven deze kromme, en elke kromme raakt haar in één punt: de omhullende.
b
Een worp vanaf hoogte h landt op y=−h. Gebruik de omhullende om het grootste bereik te vinden en toon dat Rmax=gv0v02+2gh.
Het verste punt op hoogte −h ligt op de omhullende: −h=2gv02−2v02gR2, dus R2=g2v02(v02+2gh) en Rmax=gv0v02+2gh.
c
Toon dat de beste hoek dan voldoet aan tanα=v02+2ghv0, kleiner dan 45°. Bereken hoek en bereik voor de sproeier zonder lucht (19,0 m/s, 0,30 m).
tanα=u=gRmaxv02=v02+2ghv0<1. Sproeier: tanα=19,0/361+5,89=0,9919, α=44,77∘; Rmax=37,10m (met lucht: rond 9,3 m bij 34°).
8.16
Onderzoek: één kromme voor alle druppels
Uitdagen9Onderzoeken50 min
De vergelijking v˙=g−ve2g∣v∣v bevat alleen g en ve. Hypothese: het bereik hangt alleen af van de hoek en van v0/ve, als je het uitdrukt in L=ve2/g.
a
Toon met dimensieanalyse dat Rg/ve2=F(v0/ve,α). Schrijf de vergelijking in de dimensieloze tijd τ=gt/ve en snelheid u=v/ve.
Met τ=gt/ve en u=v/ve: dτdu=gve⋅ve1dtdv=−e^y−∣u∣u: geen parameter meer. De beginwaarde is u0=(v0/ve)(cosα;sinα). Plaatsen in eenheden L=ve2/g: d(r/L)/dτ=u. Dus R/L hangt alleen af van v0/ve en α (Buckingham: vier grootheden R,v0,ve,g met twee dimensies geven twee dimensieloze groepen).
b
Toets de hypothese met een simulatie: bereken Rg/ve2 bij 30° voor v0/ve = 0,5 tot 4 en drie verschillende ve.
Bijvoorbeeld:
import math
import numpy as np
g = 9.81
def bereik(v0, hoek, vt, dt=0.0005):
"""Horizontale afstand tot de grond, vanaf de grond, met kwadratische weerstand (Heun)."""
a = math.radians(hoek)
s = np.array([0.0, 0.0, v0 * math.cos(a), v0 * math.sin(a)])
def f(s):
k = g / vt**2 * math.hypot(s[2], s[3])
return np.array([s[2], s[3], -k * s[2], -g - k * s[3]])
while True:
k1 = f(s)
s2 = s + dt / 2 * (k1 + f(s + dt * k1))
if s2[1] < 0:
return s[0] + s[1] / (s[1] - s2[1]) * (s2[0] - s[0])
s = s2
print("v0/vt R g / vt^2 voor vt = 4,03 6,49 8,06 m/s zonder lucht")
for q in (0.5, 1.0, 2.0, 3.0, 4.0):
rij = [bereik(q * vt, 30.0, vt) * g / vt**2 for vt in (4.03, 6.49, 8.06)]
print(f"{q:5.1f} " + " ".join(f"{r:7.3f}" for r in rij) + f" {q * q * math.sin(math.radians(60)):9.3f}")
Echte uitvoer:
v0/vt R g / vt^2 voor vt = 4,03 6,49 8,06 m/s zonder lucht
0.5 0.189 0.189 0.189 0.217
1.0 0.558 0.558 0.558 0.866
2.0 1.195 1.195 1.195 3.464
3.0 1.625 1.625 1.625 7.794
4.0 1.932 1.932 1.932 13.856
c
Interpreteer: vanaf welke v₀/vₑ wijkt het bereik sterk af van de parabool? Wat betekent dat voor een sproeier en voor een kogel uit een geweer (vₑ van een kogel ±100 m/s en meer)?
De drie kolommen zijn gelijk: de hypothese klopt, één kromme voor alle druppels. Bij v0/ve=0,5 zit het bereik nog dicht bij de parabool, bij 1 al merkbaar lager, bij 2 à 4 een fractie ervan. De sproeier (19/8≈2,4) zit diep in het gebied waar de lucht beslist. Een geweerkogel met 800 m/s en ve van een paar honderd m/s zit ook boven 1: ballistici rekenen altijd met lucht.
Zo wordt dit beoordeeld
Afleiding
Correct dimensieloos gemaakt; enkel v₀/vₑ en α blijven over.
Simulatie
Correct (Heun, landing geïnterpoleerd, kleine stap), reproduceerbaar.
Toets
Kolommen vergeleken; hypothese aanvaard of verworpen met getallen.
Interpretatie
Grens rond v₀/vₑ ≈ 1; toepassing op sproeier en kogel.
8.17
Een satelliet die stilhangt
Uitdagen8Rekenen25 min
Een geostationaire satelliet draait boven de evenaar mee met de aarde en staat voor ons stil aan de hemel (tv, weer). De aarde draait tegenover de sterren één keer in 86 164 s (een sterrendag). GM = 3,986 · 10¹⁴ m³/s², straal aan de evenaar 6378 km.
a
Leid uit GMm/r2=mω2r de derde wet van Kepler voor cirkelbanen af: T2=GM4π2r3.
GM/r2=ω2r met ω=2π/T: GM=4π2r3/T2, dus T2=4π2r3/(GM).
b
Bereken de straal, de hoogte en de snelheid van de geostationaire baan. Waarom een sterrendag en niet 24 h?
r=3GMT2/(4π2)=42164km, hoogte 35786km, v=2πr/T=3,07km/s. De satelliet moet meedraaien met de aarde tegenover de sterren; 24 h is de tijd tegenover de zon, die ook nog 1° per dag verschuift.
c
Brussel draait zelf ook mee: bereken de snelheid en de centripetale versnelling van een punt op 50,8° noorderbreedte (straal 6371 km). Welk deel van g is dat?
Straal van de breedtecirkel 6371cos50,8∘=4027km; v=ωr=294m/s, a=ω2r=0,0214m/s2: 0,22 % van g. De gemeten g in Brussel bevat die kleine correctie al.
8.18
Ontwerp: een bekertest voor de sproeier
Uitdagen8Ontwerpen45 min
Het model van het handboek zegt dat de sproeier ongeveer 9 m ver reikt. Voor je vier sproeiers koopt, wil je dat meten. Sproeifabrikanten doen dat met bekers op een rij op de grond: na een vaste tijd meet je hoeveel water er in elke beker zit. Je hebt 25 plastic bekers (Ø 10 cm), een maatcilinder van 25 mL, een manometer, een windmeter en een stopwatch.
a
Ontwerp de opstelling: stand van de sproeier (vol rond of kwartcirkel?), plaats en onderlinge afstand van de bekers, duur van de test, weersomstandigheden. Schat hoeveel water er gemiddeld in een beker komt.
Zet de sproeier op kwartcirkel: al het water valt dan in een sector van 90° en de bekers vullen vier keer sneller. Bekers om de 0,50 m op de middellijn van de sector, van 0,25 m tot 12,25 m (25 bekers, voorbij de verwachte 9 m). Duur 30 min, 's ochtends vroeg, wind onder 1 m/s, druk aan het mondje 2,0 bar (manometer). Schatting: in 30 min 107L op 4π92=63,6m2: gemiddeld 1,69 mm, of 13 mL in een beker van 10 cm. Dat meet je nauwkeurig genoeg met een maatcilinder van 25 mL.
b
Hoe haal je uit de metingen de straal van de sproeier en het neerslagprofiel (mm/h tegen de afstand)? Hoe controleer je met een massabalans dat je niets vergeten bent?
Waterhoogte per beker: h=Vbeker/(π⋅0,052), neerslag h/0,5h. De straal is de afstand van de laatste beker die nog water heeft (een fabrikant neemt de plaats waar het profiel onder 0,26 mm/h zakt). Massabalans: elke beker staat voor een boog van een kwartring met oppervlakte 2πrΔr (Δr=0,5m); ∑hi2πriΔr moet het volume Qt geven. Komt er veel minder uit, dan is er water verdampt of weggewaaid, of klopt Q niet (meet Q apart met een emmer en een stopwatch).
c
Hoe gebruik je het resultaat om het model uit het handboek te toetsen of bij te stellen?
Vergelijk de gemeten straal met de banen van het model: landt het laatste water op 9 m, dan passen druppels van ongeveer 3 mm; op 10 m ongeveer 4 mm. Stel zo de grootste druppel in het model bij (of de snelheidscoëfficiënt van het mondje, als je ook de uitstroomsnelheid meet met een foto met korte sluitertijd). Het profiel toont ook waar de kleine druppels vallen: dicht bij de sproeier.
d
Noem vier foutenbronnen en hoe je ze klein houdt.
(1) Wind: verschuift de druppels 2 à 3 m bij 3 m/s; alleen meten bij windstilte, windmeter erbij. (2) Verdamping uit de bekers: kort meten, meteen aflezen. (3) Spatten in of uit de bekers: bekers met hoge randen, niet te dicht bij de sproeier. (4) Druk en debiet: manometer aan het mondje, drukschommelingen van de pomp noteren; een beker die schuin staat of een mondje dat verstopt, geeft ook fouten.
Zo wordt dit beoordeeld
Opstelling
Kwartcirkel om het water te concentreren; bekers op de middellijn van de sector, om de 0,5 m tot voorbij de verwachte straal; 30 min; windstil.
Schatting
Volume in de testtijd verdeeld over de sector; mL per beker berekend en vergeleken met de maatcilinder.
Verwerking
Straal = laatste beker met water; profiel; massabalans Σ h · (π/2) r Δr = Q t.
Model
Waar de straal eindigt, welke druppels daar landen; bijsturen (druppelgrootte, snelheidscoëfficiënt).
Fouten
Wind, verdamping, spatten, druk; telkens een maatregel.