← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Fundamental · Oplossingen · 33. Integratieproject: de meetkas
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
F33. Integratieproject: de meetkas — oplossingen
FFundamental · deel F9 · Habitat F: de meetkas

Oplossingen · hoofdstuk 33Integratieproject: de meetkas

Van programma van eisen tot presentatie: je team bouwt, programmeert, test en presenteert de eerste module van Habitat

Uitgewerkte oplossingen bij de 28 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.

8× oefenen14× toepassen6× uitdagen± 1407 min
De meetkas af: ze meet, geeft water, verlucht en draait op de zon. De eerste module van Habitat werkt.
De meetkas af: ze meet, geeft water, verlucht en draait op de zon. De eerste module van Habitat werkt.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen

Oefenen

één stap, direct toepassen
33.1

Welk hoofdstuk, welk onderdeel?

Oefenen2Begrijpen15 min
Elk onderdeel van de meetkas kreeg in een ander hoofdstuk zijn maat of zijn werking. Gebruik het ontleedblad en het verbandblad van het handboek.
  1. a
    Vul de tabel aan.
    1,20 × 0,60 × 0,80 m (hoofdstuk 3); 0,40 A (hoofdstuk 19 en 20); 30 %, ruwe waarde 510 (hoofdstuk 25); 20 cm (hoofdstuk 12); 50 Wp (hoofdstuk 17); HAB-F31-02 (hoofdstuk 31); voor C A D B A C, achter B D A C D B (hoofdstuk 27); SH-1 (hoofdstuk 32).
  2. b
    Uit welk deel van Fundamental (F1 tot F8) komen de meeste onderdelen? Is dat logisch voor een meetkas?
    Bijvoorbeeld F5 en F6 (elektriciteit en programmeren): een kas die zichzelf verzorgt, heeft een kring, sensoren en een programma nodig. Maar elk deel is onmisbaar: zonder F3 staat de kas niet recht, zonder F4 is er geen energie, zonder F7 is er geen groeiproef en zonder F8 geen plan.
33.2

Habitat: rollen en afspraken

Oefenen2Habitat25 min
Een project van tien weken lukt alleen als iedereen weet wat hij doet en wat er afgesproken is. Gebruik de rollen uit het handboek (fase 1).
  1. a
    Verdeel de rollen.
    Bijvoorbeeld: projectleider Noor (tweede: Lina), bouwer Sem (Arne), elektronicus-programmeur Arne (Sem), onderzoeker Lina (Noor). Eerste taken: de planning maken; de stuklijst nakijken; het pinplan en de code van hoofdstuk 25 opzoeken; per eis een toets voorbereiden.
  2. b
    Schrijf drie teamafspraken: hoe beslissen jullie, wat gebeurt er als iemand afwezig is, en wanneer vullen jullie het logboek in?
    Bijvoorbeeld: (1) we beslissen samen; bij twijfel beslist wie voor die rol verantwoordelijk is, en die schrijft het met de reden in het logboek. (2) Wie afwezig is, leest het logboek; de tweede verantwoordelijke neemt over. (3) De laatste vijf minuten van elke les vullen we samen het logboek in: wie, wat, probleem, volgende stap.
  3. c
    Welke rol past het best bij jou, en in welke rol wil je iets bijleren? Waarom?
    Persoonlijk antwoord. Waar de leraar op let: een reden die verwijst naar eigen sterktes of eerdere hoofdstukken, en een concreet leerdoel (bv. 'ik wil leren solderen zonder koude lassen').
33.3

Van eis naar test

Oefenen2Begrijpen15 min
Een eis is pas nuttig als iemand anders kan nagaan of ze gehaald is (hoofdstuk 30). Kies voor elke eis een toets en een criterium.
  1. a
    Vul de tabel aan.
    K5: duwstang losmaken, veerunster aan de voorrand, langzaam optillen; hoogstens 10 N; fase 7 (of 3). W2: bruikbaar volume meten met een maatbeker, en het verbruik over 7 dagen; volume / verbruik ≥ 14 dagen; fase 3 en 7. C4: met een veerunster of een weegschaal met haak aan het anker trekken; 100 N zonder dat het beweegt; fase 3. G5: stekker X1 een minuut uittrekken en weer insteken; het raam gaat dicht, pomp en ledstrip zijn uit; fase 5. E2: berekening 200 Wh / verbruik per winterdag; minstens 3 dagen; fase 6.
  2. b
    Welke van deze eisen kan je niet in één lesuur testen? Wat doe je dan?
    W2 (twee weken) en E2 (winterdagen): je rekent ze uit met gemeten waarden (volume, verbruik per dag) en controleert de berekening met een kortere meting (7 dagen, of één dag zonder zon). Zo'n eis krijgt in het testrapport 'berekend en gecontroleerd', of 'voorlopig' tot de echte test.
33.4

Wat kost de kas?

Oefenen2Rekenen15 min
Gebruik de stuklijst met richtprijzen in het handboek (fase 2).
  1. a
    Tel de richtprijzen op van de elektriciteit (pos. 16 tot 20) en van de besturing (pos. 21 tot 24).
    Elektriciteit: euro. Besturing: euro.
  2. b
    Hoeveel procent van de totale waarde (€ 556) gaat naar de constructie (€ 282)?
    , dus ongeveer 51 %.
  3. c
    De school heeft pos. 6, 8, 15, 18, 20, 21, 22 en 24 al. Hoeveel moet het team nog kopen? Haalt het de wens G4 (hoogstens € 400)?
    De school heeft euro aan materiaal. Te kopen: euro. Dat is minder dan 400: de wens is gehaald, met 12 euro speling.
  4. d
    Het zonnepaneel, de laadregelaar, de batterij en de kast (€ 190) tellen niet mee voor G4. Waarom zou dat zo afgesproken zijn?
    De keuze tussen stroom van het net en zonnestroom staat los van de kas zelf: met alleen de adapter (€ 12) werkt de kas ook. De zonnekast is een aparte investering die de school later voor andere projecten kan gebruiken.
33.5

Stroom per tak

Oefenen2Rekenen15 min
De 12 V-kant van de kas heeft vier takken (aansluitschema in het handboek). De ledstrip bestaat uit twee helften van 60 Ω, parallel.
  1. a
    Bereken de stroom door één helft van de ledstrip en door de hele ledstrip.
    Eén helft: . Parallel tellen de stromen op: (hoofdstuk 20).
  2. b
    Vul de tabel aan.
    Ledstrip 0,40 A → 0,5 A. Pompje 0,65 A → 1 A (ruimte voor de aanloopstroom). Duwstang ±0,5 A → 1 A (een motor trekt meer bij het aanlopen en aan het einde van de slag). Omvormer 0,15 A → 0,25 A. Samen 1,70 A → hoofdzekering 2 A: boven de som, en niet meer dan de adapter kan leveren.
  3. c
    Het programma laat het pompje en de duwstang nooit samen draaien. Hoe groot is de grootste stroom dan echt?
    Met het pompje (het grootste van de twee): .
33.6

Habitat: het pinplan

Oefenen2Habitat15 min
Het pinplan is de afspraak tussen de schakeling en de code. Het staat in hoofdstuk 24 en 25, in het handboek (fase 5) en bovenaan het programma.
  1. a
    Vul het pinplan in.
    A0 bodemvochtsensor, ingang, geen 12 V. A1 TMP36, ingang, geen. A2 LDR met 10 kΩ, ingang, geen. D2 knop, ingang (INPUT_PULLUP), geen. D3 vlotter B2, ingang (INPUT_PULLUP), geen. D4 relais K3 (duwstang uit), uitgang: de spoel werkt op 5 V, het contact zit in de 12 V-kant. D6 relais K2 (pompje) en D7 relais K1 (ledstrip): idem. D10 rode led, uitgang, geen 12 V.
  2. b
    Waarom mag vlotter B1 van de pompkring niet ook op D3?
    B1 zit in de 12 V-kring van het pompje: aan één kant van het contact staat 12 V. Verbind je dat contact ook met D3, dan komt er 12 V op een pin die hoogstens 5 V verdraagt, en de Arduino is stuk. Daarom twee vlotters, of één vlotter met twee aparte contacten.
33.7

Wat doet het programma?

Oefenen2Programmeren20 min
Zes losse situaties. Bij elke situatie staat de toestand vóór de meting en wat de sensoren meten. Reken om zoals het programma: en vocht = map(ruw, 600, 300, 0, 100), waarbij map() alles na de komma weglaat.
  1. a
    Vul de tabel aan.
    1. T = 29,6 °C, vocht = 33 %: raam open (K3, 15 s). Daarna: raam open, wacht 0, mislukt 0.
    2. T = 25,7 °C, vocht = 26 %: pomp 30 s (K2). Daarna: raam open, wacht 15, mislukt 1.
    3. T = 23,8 °C, vocht = 23 %: raam dicht (K4, 15 s). Daarna: raam dicht, wacht 5, mislukt 1.
    4. T = 21,8 °C, vocht = 25 %: pomp 30 s (K2). Daarna: raam dicht, wacht 15, mislukt 3.
    5. T = 21,8 °C, vocht = −13 %: rood knippert. Daarna: raam dicht, wacht 0, mislukt 0.
    6. T = 21,8 °C, vocht = 26 %: rood knippert. Daarna: raam dicht, wacht 0, mislukt 0.
  2. b
    In welke situaties gaat het rode lampje knipperen, en waarom?
    In (4): na de derde beurt is mislukt 3; zodra wacht weer 0 is en het vocht nog altijd onder 30 % zit, knippert het (en tot dan brandt rood continu, want de grond is droog). In (5): ruw 640 is een onmogelijke waarde (vocht −13 %): sensor uit de grond. In (6): de vlotter meldt dat het reservoir leeg is. In (5) en (6) pompt het programma niet.
33.8

Habitat: symptoom en oorzaak

Oefenen2Habitat12 min
Koppel elk symptoom aan de meest waarschijnlijke oorzaak, zonder de foutzoektabel. Oorzaken: A de temperatuursensor hangt in de zon, zonder houder; B T_OPEN en T_DICHT zijn allebei 28; C de vochtsensor steekt in een ander bakje dan waar de druppelaar water geeft; D zekering F1 of F4 is doorgebrand; E het paneel is te klein voor het verbruik, of beschaduwd; F de vochtsensor is uit de grond getrokken.
  1. a
    Koppel symptoom en oorzaak.
    1-B, 2-C, 3-F, 4-E, 5-A, 6-D.
  2. b
    Kies één symptoom en beschrijf de test waarmee je de oorzaak bevestigt.
    Bijvoorbeeld symptoom 5: hang de referentiethermometer naast de TMP36, allebei in de schaduw. Klopt het dan binnen 1 °C, dan was de zon de oorzaak. Oplossing: de sensor in de SH-1 met haar dakje (hoofdstuk 32).
Toepassen

Toepassen

meerdere stappen, in een context
33.9

Fase 1: jullie programma van eisen, versie 2

Toepassen3Habitat50 min
Neem het programma van eisen van hoofdstuk 30 (versie 1) uit je portfolio. Herbekijk het met je team, eis per eis, met de drie vragen uit het handboek.
  1. a
    Werk de eisen uit die jullie aanpassen of die een toets nodig hebben (gebruik extra blad voor de rest).
    Zie het testrapport van het voorbeeldteam in het handboek. Voorbeeld van één rij: 'K2 · ja · sensor met de hand opwarmen en met een ijszakje afkoelen; raam open tussen 27,5 en 28,5 °C, dicht tussen 24,5 en 25,5 °C · fase 5 · Arne'.
  2. b
    Welke eisen passen jullie aan, en waarom?
    Bijvoorbeeld C1 (ontwerpwaarde: middensteun), C5 ('leeg' = zonder tafel) en E1-E3 (verbruik met de relaisspoelen).
  3. c
    Formuleer minstens één nieuwe eis die pas opduikt als je alles samenzet. Maak ze meetbaar: grootheid, grens met eenheid, toets.
    Bijvoorbeeld G5 (na een stroomuitval herstart de besturing met het raam dicht) of W7 (een onmogelijke waarde van de vochtsensor geeft geen beurt maar een alarm). Nog een goed voorbeeld: 'K9: bij een onmogelijke temperatuur (onder −20 of boven 60 °C) blijft het raam staan waar het staat; toets: TMP36 losmaken'.
  4. d
    Hoeveel eisen telt jullie versie 2, en hoeveel daarvan zijn moet-eisen?
    Bij het voorbeeldteam: 34 + 2 = 36 eisen, waarvan 26 + 2 = 28 moet-eisen.
Zo wordt dit beoordeeld
VolledigheidAlle 34 eisen van versie 1 overlopen; per eis een toets, een criterium en een moment.
AanpassingenOnderbouwd met wat later berekend of beslist werd (bv. C1 middensteun, C5 tafel apart, E1-E3 met relais).
Nieuwe eisMeetbaar, zonder oplossing in de eis, met toets; komt echt uit het samenzetten.
PlanningElke moet-eis heeft een fase en een verantwoordelijke.
33.10

Fase 1: de planning en het logboek

Toepassen3Habitat40 min
Tien weken van drie lestijden. Maak jullie eigen planning; de planning van het voorbeeldteam mag het vertrekpunt zijn, maar pas ze aan jullie school aan (vakanties, toetsen, uitstappen). Kleur per fase de weken in.
  1. a
    Het Gantt-diagram.
    Zie het Gantt-diagram van het voorbeeldteam in het handboek. Waar de leraar op let: de groeiproef start pas als de kas staat en water kan geven (of met water met de hand), en de testweek komt voor de oogst.
  2. b
    Duid vijf mijlpalen aan met een ruitje en schrijf erbij wat er dan af moet zijn.
    Bijvoorbeeld: PvE v2 (week 1), bestellijst (week 2), de kas staat (week 4), keuring van de kring (week 5), code werkt in de kas (week 6), een week alleen (week 7), oogst (week 9), presentatie (week 10).
  3. c
    Welke taken liggen op het kritieke pad? Waar plannen jullie een buffer?
    Frame → wanden → kring in de kas → keuring → besturing → testweek. De groeiproef hangt aan de kas en de bewatering. Buffer: week 8.
  4. d
    De eerste drie regels van jullie logboek.
    Bijvoorbeeld: 'week 1, ma · Noor · planning gemaakt · de stageweek van week 6 valt weg: fase 6 schuift naar week 7 · leraar laten goedkeuren'.
Zo wordt dit beoordeeld
PlanningAlle fasen in een logische volgorde; parallel waar het kan; de groeiproef krijgt vijf weken in een werkende kas.
MijlpalenMinstens vijf, elk met wat er dan af en getoetst moet zijn.
Kritiek padAfhankelijkheden benoemd (frame → wanden, keuring → besturing in de kas, pomp → testweek) en een buffer.
LogboekWie, wat, probleem of beslissing, volgende stap; concreet, niet 'we hebben gewerkt'.
33.11

Fase 2: de samenstellingstekening

Toepassen3Tekenen50 min
Teken de meetkas zoals HAB-F33-01 in het handboek, maar met de keuzes van jullie team (bijvoorbeeld de plaats van de elektronicakast).
  1. a
    Teken op schaal 1:20 het vooraanzicht, het bovenaanzicht en het linkerzijaanzicht, in Europese projectie.
    Vooraanzicht 62 × 42 mm, bovenaanzicht 62 × 32 mm, zijaanzicht 32 × 42 mm (1240, 640 en 840 mm gedeeld door 20). Zie HAB-F33-01 in het handboek.
  2. b
    Breng de hoofdmaten aan (buitenmaten, binnenlengte, tafelhoogte, dakraam) en teken het titelblok.
    Buitenmaten 1240, 640 en 840; binnenlengte 1200; tafelhoogte 300; dakraam 620 (van het midden tot de buitenkant van het frame). Titelblok: 'meetkas, samenstelling', HAB-F33-01, 1:20.
  3. c
    Maak de tekeningenlijst.
    HAB-F33-01 samenstelling; HAB-F31-01 hoeksteun; HAB-F31-02 plantenbak; HAB-F31-03 plantentafel; SH-1 en SH-2 (hoofdstuk 32); aansluitschema 12 V en 5 V (hoofdstuk 33).
  4. d
    Controleer drie interfaces met je tekening: past de tafel in de kas, past het reservoir onder de tafel, is het dakraam de helft van het dak?
    Tafel 1180 in 1200 mm: 10 mm speling per kant. Reservoir 420 × 320 × 260 mm in 543 × 562 × 282 mm tussen twee steunen (hoofdstuk 31). Dakraam 600 = .
Zo wordt dit beoordeeld
AanzichtenDrie aanzichten op de juiste plaats (bovenaanzicht onder, linkerzijaanzicht rechts), uitgelijnd.
LijnenFrame met dikke lijnen, wat je door de platen ziet dunner, het open dakraam gestreept.
Maten en titelblokAlleen hoofdmaten, juist op 1:20; titelblok met benaming, nummer, schaal en projectiesymbool.
ControleDe drie interfaces nagerekend met getallen.
33.12

Fase 3: bouwen en de stijfheidstest

Toepassen3Maken150 min
Bouw de kas in de volgorde van het handboek. Test daarna eis C2 zoals in de proef van fase 3.
  1. a
    Bereken de verwachte lengte van de diagonaal van de achterwand (1,20 × 0,80 m) en van een zijwand (0,60 × 0,80 m).
    Achterwand: . Zijwand: (hoofdstuk 13).
  2. b
    Meet na elke stap de twee diagonalen van het vlak dat je monteerde.
    De twee diagonalen van een vlak moeten even lang zijn (binnen ±2 mm); dan is het vlak haaks. Verschillen ze meer, dan span je de kabel langs de lange diagonaal wat meer aan, of je stelt de verbindingen bij.
  3. c
    Stijfheidstest C2: verschuiving van de bovenhoek.
    Voorbeeldmetingen: zonder diagonalen 6, 13 en 19 mm bij 10, 20 en 30 N (gestopt); met kabels 0,6 / 1,2 / 1,9 / 2,5 / 3,1 mm bij 10 tot 50 N.
  4. d
    Zet je metingen in een grafiek. Haalt je frame eis C2?
    Twee rechte lijnen door de oorsprong; met kabels ongeveer tien keer minder steil. 3,1 mm bij 50 N is minder dan 5 mm: C2 gehaald.
Zo wordt dit beoordeeld
Veilig en in volgordeChecklist gebruikt, elke snede ontbraamd, bouwvolgorde van het handboek.
MaatvastheidDiagonalen per vlak gemeten; bijgesteld tot het verschil hoogstens een paar millimeter is.
StijfheidstestKracht in stappen, verschuiving tegen een vaste referentie, zonder en met diagonalen.
BesluitGrafiek met grootheden en eenheden; C2 getoetst aan het criterium; verklaring met driehoeken.
33.13

Fase 3: massa en kantelen

Toepassen3Habitat30 min
Het rekenmodel van hoofdstuk 13 geeft de massa en de hoogte van het zwaartepunt van elk deel van de volle kas:
deelmassa (kg)hoogte (m)
water (20 cm)24,00,10
potgrond (vochtig)43,00,35
tafelblad8,40,291
bakjes (12)3,60,36
frame3,10,40
wanden en dak2,90,48
planten1,20,45
lucht0,690,40
  1. a
    Bereken de totale massa en de hoogte van het zwaartepunt: tel van elk deel massa × hoogte op, en deel door de totale massa.
    Massa: . Massa × hoogte: . Zwaartepunt: .
  2. b
    Teken het zijaanzicht (0,60 m breed) op schaal met het zwaartepunt in het midden, op de berekende hoogte. Meet met een gradenboog hoe ver je de kas kan kantelen tot het zwaartepunt recht boven de onderrand staat.
    Ongeveer 47°: kantel de tekening tot de verticale lijn door het zwaartepunt door de onderrand gaat. De halve breedte (0,30 m) is groter dan de hoogte van het zwaartepunt (0,28 m), dus de hoek is iets meer dan 45°.
  3. c
    Tel ook de drie steunen (5,8 kg op 0,14 m) en de achterregel (0,8 kg op 0,25 m) mee. Wordt de kas stabieler of minder stabiel? Leg uit zonder te rekenen.
    Stabieler: de extra massa zit onder het oude zwaartepunt en trekt het omlaag (naar 0,27 m). Hoe lager het zwaartepunt, hoe verder je kan kantelen (±48°).
  4. d
    Twee leerlingen willen de lege kas verplaatsen. Wat raad je aan, met eis C5 (hoogstens 25 kg)?
    Met de tafel erin weegt de lege kas 25,4 kg: net te zwaar. Haal de bakjes eruit en schuif de tafel eruit (15,1 kg): dan dragen twee personen de kas zelf (frame en platen ±6 kg, met de elektronica ±7 kg) en daarna de tafel. Nooit met water in het reservoir.
33.14

Fase 4: de kring bouwen en laten keuren

Toepassen3Habitat100 min
Bouw de 12 V-kant volgens het aansluitschema, eerst zonder de Arduino. Laat de kring keuren voor je de besturing aansluit.
  1. a
    Vul de risicotabel aan voor jullie werkplek.
    Zie de risicotabel van het voorbeeldteam in het handboek (fase 4). Eigen taak, bijvoorbeeld 'reservoir plaatsen': rug, uitglijden; 2 × 2 = 4; leeg plaatsen en ter plaatse vullen (O); 1 × 2 = 2.
  2. b
    Meet vóór de keuring, met de multimeter op V⎓ en de zwarte pen op de min.
    Na F1 en aan de ingang van de omvormer dezelfde spanning (12 à 13,5 V met de batterij, ±12 V met de adapter); uitgang omvormer 5,0 V; over de ledstrip dezelfde spanning als na F1; over het pompje 0 V, want K2 is open. Wijkt een meting af: eerst de oorzaak zoeken, dan pas verder.
  3. c
    Keuring: vink elk punt van de keuringslijst uit het handboek af en laat de leraar tekenen.
    Alle zes punten in orde, getekend door de leraar. Waar de leraar op let: geen enkele blanke draad, B1 en B2 gescheiden, F6 bij de pool.
  4. d
    Wat deed je team als een punt niet in orde was? Schrijf het ook in het logboek.
    Bijvoorbeeld: 'F2 ontbrak: geplaatst, opnieuw gekeurd, in orde.' Waar de leraar op let: een fout wordt hersteld én opnieuw gekeurd, en staat in het logboek.
Zo wordt dit beoordeeld
KringVolgens het schema: F1 na X1, een zekering per tak, B1 in serie met het pompje, K3/K4 als omkeerschakeling.
VeiligheidRisicotabel met STOP-maatregelen; F6 eerst uit; adapter buiten, droog, achter 30 mA.
MetingenMultimeter correct ingesteld; spanningen vóór de keuring gemeten en genoteerd.
KeuringLijst volledig; fouten hersteld en opnieuw gekeurd.
33.15

Fase 5: sensoren ijken in de kas

Toepassen3Labo60 min
De ijking van hoofdstuk 25 herhaal je met de echte sensoren, in de kas, aan de echte draden. Laat de Arduino de ruwe waarden naar de laptop sturen.
  1. a
    TMP36 in de SH-1 naast een referentiethermometer.
    Voorbeeld: referentie 14,2 °C, ruw 134, programma 14,0 °C, verschil −0,2 °C; referentie 21,8 °C, ruw 150, programma 21,8 °C, verschil 0,0 °C; referentie 30,5 °C, ruw 168, programma 30,6 °C, verschil +0,1 °C. De stapjes van ±0,5 °C (hoofdstuk 25) bepalen het verschil.
  2. b
    Bodemvochtsensor in jullie potgrond.
    Voorbeeld: droog 590, nat 310: 10 à 20 anders dan in hoofdstuk 25, want het is een andere zak potgrond. In de code: DROOG = 590, NAT = 310.
  3. c
    Bereken met jullie ijkpunten de ruwe waarde die bij 30 % hoort.
    Vocht . Bij 30 %: .
  4. d
    LDR: ruwe waarde bij daglicht, bij valavond, en 's avonds met de ledstrip aan.
    Voorbeeld: daglicht 700 à 900, valavond ±300, donker met de ledstrip aan ±150 als de LDR bovenop het frame zit (ze ziet de ledstrip niet). Meet je 600 of meer met de ledstrip aan, dan ziet de LDR de ledstrip: verplaats ze.
  5. e
    Haalt jullie kas eis K1? Wat passen jullie aan in de code?
    Verschillen van hoogstens 0,5 °C: K1 gehaald. In de code aangepast: DROOG en NAT (en DONKER en DAG als de LDR anders reageert dan 300 en 400).
Zo wordt dit beoordeeld
WerkwijzeSensor en referentie naast elkaar, wachten tot beide stabiel zijn, drie temperaturen.
OmrekeningT berekend met de formule uit het programma; verschil met het juiste teken.
IJkpuntenDroog en nat in dezelfde potgrond als in de bakjes; drempel juist herrekend.
BesluitK1 getoetst; de aanpassing van de constanten in de code genoteerd.
33.16

Fase 5: het programma uploaden en stap voor stap testen

Toepassen3Habitat90 min
Upload het volledige programma uit het handboek, met jullie eigen ijkpunten. Test eerst met de ledjes van de relaismodule: laat de stekker van de 12 V-kant eruit, zodat pomp en duwstang niet echt bewegen. Pas als alles klopt, test je met de 12 V-kant aan.
  1. a
    Het testplan. Vul 'verwacht' in vóór je test.
    Verwacht: droge grond → K2 30 s aan, daarna een kwartier niets, rood continu; natte grond → geen beurt, groen; warm → K3 15 s als T boven 28 °C komt; afkoelen → K4 15 s onder 25 °C; reservoir leeg → geen beurt, rood knippert; sensor los → vocht onder 0 % in het verslag, geen beurt, rood knippert; slang los → drie beurten met een kwartier ertussen, dan knippert rood en volgen er geen beurten meer; knop → mislukt = 0 en een nieuwe beurt; stroomuitval → na het terugkomen gaat eerst het raam dicht (K4 15 s), dan werkt alles gewoon verder.
  2. b
    Welke test was het moeilijkst na te bootsen? Hoe loste je dat op?
    Bijvoorbeeld 'slang los': dat duurt drie kwartier. Het voorbeeldteam hing de pomp in een emmer en liet een teamlid ondertussen het verslag bijhouden.
  3. c
    Vond je een fout? Beschrijf symptoom, oorzaak, oplossing en hertest.
    Bijvoorbeeld: 'pomp sloeg aan in natte grond (symptoom); DROOG en NAT waren omgewisseld (oorzaak); constanten verbeterd (oplossing); natte en droge grond opnieuw getest: in orde (hertest).'
Zo wordt dit beoordeeld
TestplanAlle negen situaties getest; 'verwacht' vooraf ingevuld.
Veilig testenEerst met de relaisledjes, dan pas met pomp en duwstang.
Eerlijk'Gezien' is wat er echt gebeurde, ook als het anders was dan verwacht.
FoutenElke fout met symptoom, oorzaak en oplossing in het logboek, en hertest na de verbetering.
33.17

Fase 6: het energiebudget van jullie kas

Toepassen3Habitat45 min
Meet de stromen van jullie kas met de multimeter in serie (hoofdstuk 19) en reken het budget na zoals in het voorbeeld van het handboek.
  1. a
    Het budget.
    Voorbeeld met de waarden van het handboek: 0,15 A → 1,8 W → 43,2 Wh; 0,40 A → 4,8 W → 19,2 Wh; 0,65 A → 7,8 W → 0,49 Wh; spoel 0,07 A bij 5 V → 0,35 W → 1,4 Wh aan de 5 V-kant, 1,7 Wh aan de 12 V-kant; duwstang ±0,5 A → 6 W → 0,19 Wh. Zomer ±43,9 Wh, winter ±64,6 Wh per dag.
  2. b
    Vergelijk met de opbrengst van het paneel in juni (177 Wh per dag) en in december (62,5 Wh per dag). Wat besluit je?
    In juni levert het paneel vier keer zoveel als nodig (177 tegenover 43,9 Wh). In december 62,5 tegenover 64,6 Wh: net te weinig. De adapter blijft reserve van november tot januari, of de kas moet zuiniger (opdracht 33.25).
  3. c
    Hoeveel winterdagen houdt jullie batterij het vol, als 80 % van de capaciteit bruikbaar is?
    Voorbeeld: ; winterdagen: eis E2 gehaald.
  4. d
    Meet in de testweek elke dag op hetzelfde uur de batterijspanning. Wat verwacht je te zien, en wanneer schrik je?
    Bij een lithiumbatterij van 12,8 V: overdag stijgt de spanning (laden), 's nachts zakt ze een beetje. Blijft ze dag na dag lager op hetzelfde uur, dan verbruikt de kas meer dan het paneel levert. Schrikken als de laadregelaar afschakelt: dan is de batterij leeg.
Zo wordt dit beoordeeld
MetingenAmpèremeter in serie in de juiste tak; stroom met eenheid; bereik van de meter juist.
BudgetP = U · I en E = P · t juist, tijden per dag realistisch, de 5 V-kant via het rendement van de omvormer.
BesluitVergeleken met juni en december; besluit over de adapter als reserve.
BatterijBruikbare energie gedeeld door het winterverbruik; E2 getoetst.
33.18

Fase 7: het testrapport

Toepassen3Habitat90 min
Voer jullie testplan uit, van de deeltests tot de testweek. De codes van de moet-eisen staan voorgedrukt; de wensen voeg je eronder toe.
  1. a
    Het testrapport van de moet-eisen.
    Zie het testrapport van het voorbeeldteam in het handboek (fase 7). Waar de leraar op let: een resultaat is een meting ('3,1 mm'), geen oordeel ('stevig').
  2. b
    Welke eisen zijn niet of voorlopig gehaald? Wat is de oorzaak en wat verbeteren jullie?
    Bij het voorbeeldteam: K3 en E1 voorlopig (geen zonnige aprildag, nog geen zomer); geen enkele moet-eis gefaald. Wel V3 pas na herstel (een braam weggevijld).
  3. c
    Welke wensen haalden jullie? Welke zouden jullie in versie 2 schrappen of veranderen, en waarom?
    Bij het voorbeeldteam: C5 (in delen), K8, E3, G3, G4 gehaald; K7 en P2 niet. P2 veranderen ze in 'minstens 1 kg sla per teelt zonder groeiproef', omdat de proef bewust bakjes in de schaduw zet.
Zo wordt dit beoordeeld
VolledigElke moet-eis getest of eerlijk als 'voorlopig' of 'berekend' gemarkeerd.
Criteria voorafHet criterium komt uit het PvE en werd niet achteraf aangepast aan het resultaat.
ResultatenGemeten waarden met eenheid, niet alleen 'ja'.
VerbeterenVoor elke niet-gehaalde eis een oorzaak, een verbetering en een hertest (of een plan).
33.19

Fase 8: de groeiproef uitvoeren

Toepassen3Onderzoeken120 min
Voer het proefplan uit zoals in het handboek (fase 8). De proef loopt vijf weken; meet elke week op dezelfde dag.
  1. a
    Weekmetingen.
    Voorbeeld: het licht onder de doeken ligt rond 70, 50 en 30 % van dat zonder doek; in week 5 hebben de bakjes van A de meeste bladeren. Bijzonderheden: bv. 'week 3: druppelaar van bakje 7 verstopt, gereinigd'.
  2. b
    Oogst.
    Voorbeeld (handboek): A 98, 106, 101 (gem. 101,7, bereik 8); B 74, 69, 78 (73,7; 9); C 51, 57, 49 (52,3; 8); D 29, 33, 26 (29,3; 7).
  3. c
    Teken de grafiek: versgewicht tegenover licht, met de gemiddelden en de losse bakjes.
    De punten stijgen van links onder (30 % licht, ±29 g) naar rechts boven (100 % licht, ±102 g) en liggen bijna op een rechte door de oorsprong.
  4. d
    Beantwoord de onderzoeksvraag met getallen.
    Bijvoorbeeld: 'Hoe minder licht, hoe minder sla: bijna recht evenredig, ongeveer 1 g per procent licht. Met 30 % licht is de oogst maar 29 % van die in vol licht.'
Zo wordt dit beoordeeld
UitvoeringProefplan gevolgd: loting, uitdunnen, zelfde water per bakje, ledstrip uit.
MetingenElke week volledig; oogst per bakje op dezelfde dag; eenheden in de kop van de tabel.
VerwerkingGemiddelde en bereik juist; grafiek met grootheden, eenheden en een passende schaal.
BesluitAntwoord op de vraag met getallen; het verschil tussen de groepen vergeleken met de spreiding binnen een groep.
33.20

Fase 8: het onderzoeksverslag

Toepassen3Habitat90 min
Schrijf het verslag van de groeiproef met de vaste onderdelen (handboek, fase 8). Gebruik je tabel en grafiek van de vorige opdracht.
  1. a
    Titel en onderzoeksvraag.
    'Minder licht, minder sla?' Vraag: hoe hangt het versgewicht van pluksla na vijf weken af van de hoeveelheid licht?
  2. b
    Hypothese: als ..., dan ..., omdat ....
    Als de sla minder licht krijgt, dan is de oogst kleiner, omdat licht in april de beperkende factor is voor de fotosynthese.
  3. c
    Materiaal en methode, kort, met een schets van de indeling van de bakjes.
    12 bakjes pluksla (30 zaadjes, uitgedund tot 10), vier groepen van drie (0, 30, 50, 70 % schaduwdoek), geloot over beide rijen; eigen druppelaar per bakje; na vijf weken geoogst op 2 cm en gewogen.
  4. d
    Resultaten: verwijs naar je tabel en grafiek, en beschrijf wat je ziet (nog zonder uitleg).
    Tabel 1 en figuur 1: het gemiddelde versgewicht daalt van 101,7 g (A) over 73,7 en 52,3 naar 29,3 g (D); het bereik binnen een groep is 7 à 9 g.
  5. e
    Besluit.
    De oogst is bijna recht evenredig met het licht, ongeveer 1 g per procent licht. De hypothese klopt.
  6. f
    Bespreking: wat kan het resultaat beïnvloed hebben, en wat zou je anders doen?
    Onder het doek is het ook koeler en windstiller; maar drie bakjes per groep; de randbakjes krijgen meer zijlicht. Beter: temperatuur onder elk doek meten, de proef herhalen in een tweede teelt.
Zo wordt dit beoordeeld
StructuurAlle onderdelen, in de juiste volgorde; waarneming en interpretatie gescheiden.
Hypothese en besluitHypothese toetsbaar; besluit beantwoordt de vraag met getallen en zegt of de hypothese klopt.
BesprekingMinstens twee echte storende factoren (temperatuur onder het doek, plaats, druppelaars, weinig bakjes) en een verbetering.
VormKort en zakelijk, eenheden overal, tabel en grafiek met nummer en titel.
33.21

Fase 9: poster, pitch en demo

Toepassen3Habitat90 min
Bereid de presentatie voor zoals in het handboek (fase 9). Oefen de pitch minstens twee keer met een stopwatch.
  1. a
    Schets de indeling van jullie poster, met de titel en de plaats van de grafiek.
    Zie de posterindeling in het handboek: titel bovenaan over de hele breedte, de resultaten op de grootste plaats rechts in het midden.
  2. b
    De pitch van twee minuten.
    Zie de pitch in het handboek. Waar de leraar op let: een haak in de eerste 20 seconden, getallen als bewijs, en een duidelijk einde.
  3. c
    Het draaiboek van de demo.
    Bijvoorbeeld: (1) sensor in droge potgrond → na hoogstens een minuut pompt de kas 30 s → plan B: filmpje; (2) hand op de TMP36 → het raam gaat open → plan B: föhn; (3) sensor uit de grond → het rode lampje knippert → plan B: het verslag op de laptop tonen.
Zo wordt dit beoordeeld
PosterLeesbaar van op een paar meter, één grote grafiek, weinig tekst, titel als vraag of boodschap.
PitchBinnen twee minuten; probleem, oplossing, bewijs met getallen, wat we leerden; iedereen spreekt.
DemoVoorbereid en getest, met een plan B; toont een regeling live.
VragenEerlijke antwoorden, ook over wat niet lukte.
33.22

Peer- en zelfevaluatie

Toepassen3Habitat25 min
Beoordeel jezelf en je teamgenoten met dezelfde criteria, van 1 (zelden) tot 4 (altijd). Wees eerlijk en geef iedereen één top en één tip.
  1. a
    Scores.
    Er is geen juist antwoord. Waar de leraar op let: elke score is onderbouwd met een voorbeeld (een regel in het logboek, een opdracht), en niemand krijgt overal een 4 of overal een 1 zonder reden.
  2. b
    Top en tip.
    Een top noemt iets concreets ('jij hield het logboek elke les bij'); een tip is concreet en vriendelijk ('controleer het pinplan voor je uploadt' in plaats van 'slordig').
  3. c
    Vergelijk je zelfevaluatie met wat de anderen over jou schreven. Wat valt je op?
    Bijvoorbeeld: 'Ik gaf mezelf een 2 voor meedenken, de anderen gaven een 3: ik zie mijn ideeën minder dan zij.' Grote verschillen bespreek je in een kort teamgesprek, met de leraar erbij als het nodig is.
Uitdagen

Uitdagen

transfer, open problemen, leerlijnen combineren
33.23

Foutzoeken in het verslag van een kas

Uitdagen4Analyseren35 min
Een team liet de kas een dag alleen en leest 's avonds het verslag op de laptop. Elke regel is één minuut: minuut;T;licht;vocht;raam;beurten;mislukt (de Arduino schrijft een punt in plaats van een komma). Drie stukjes:
Stuk A ('s nachts)
0;9.6;60;29;0;1;1
1;9.6;60;29;0;1;1
15;9.6;60;28;0;2;2
16;9.6;60;28;0;2;2
30;9.1;60;27;0;3;3
31;9.1;60;26;0;3;3
45;9.1;60;25;0;3;3
46;9.1;60;25;0;3;3
Stuk B (overdag; de referentiethermometer in de schaduw wees om 14 uur 24,4 °C aan)
658;23.8;800;33;0;3;0
659;33.1;800;33;1;3;0
660;32.6;800;32;1;3;0
838;33.5;800;34;1;4;0
839;33.5;800;34;1;4;0
1016;30.1;800;35;1;5;0
1017;20.8;800;35;0;5;0
1018;21.3;800;35;0;5;0
Stuk C ('s avonds)
1162;15.5;800;38;0;6;0
1163;15.5;800;38;0;6;0
1164;15.5;800;-13;0;6;0
1165;15.5;800;-13;0;6;0
1166;15.5;800;-13;0;6;0
  1. a
    Stuk A: wat is er aan de hand? Leg uit met de getallen, en zeg wat het rode lampje doet.
    Na elke beurt (beurten 1, 2, 3) blijft het vocht onder 30 % en zakt het zelfs verder, van 29 naar 25 %: het water komt niet bij de sensor. De slang is los, de druppelaar verstopt, of de sensor zit in een ander bakje. Na de derde beurt staat mislukt op 3; een kwartier later knippert het rode lampje en komen er geen beurten meer (eis W4).
  2. b
    Stuk B: wat is er aan de hand? Wat betekent dat voor de planten?
    Om minuut 659 springt T van 23,8 naar 33,1 °C en gaat het raam open. De hele middag meet de kas meer dan 30 °C, terwijl de referentie om 14 uur 24,4 °C aangaf: de sensor meet de zon, niet de lucht. Het raam blijft zes uur open, want de meting zakt nooit onder 25 °C. De planten staan de hele middag in de tocht, ook op een koude, zonnige lentedag, en de temperaturen in het verslag zijn onbruikbaar voor de groeiproef.
  3. c
    Stuk C: wat is er aan de hand? Doet het programma wat het moet doen?
    Vanaf minuut 1164 leest het vocht −13 %: ruw 640, droger dan droog. De sensor is uit de grond getrokken (of een draad is los). Het programma doet wat het moet: geen beurten meer (beurten blijft 6), mislukt blijft 0, en het rode lampje knippert (eis W7).
  4. d
    Kies één fout en beschrijf hoe je ze in het echt bevestigt en oplost.
    Bijvoorbeeld stuk B: hang de referentiethermometer naast de TMP36, eerst in de zon, dan allebei in de schaduw. Het verschil verdwijnt in de schaduw: de zon is de oorzaak. Oplossing: de TMP36 in de SH-1 met haar dakje, midden in de kas (hoofdstuk 32), en opnieuw ijken.
33.24

Het seizoen uit de daglengte

Uitdagen4Programmeren45 min
Nu moet iemand EXTRA_LICHT in oktober en in april met de hand veranderen. Het kan slimmer: de Arduino telt zelf hoeveel minuten het licht was (lichtwaarde boven DAG). Was de vorige dag korter dan 12 uur (720 minuten), dan is het winterhalfjaar en mag de ledstrip aan. Zo schakelt de kas in de herfst vanzelf het extra licht in, en in de lente weer uit.
  1. a
    Welke variabelen heb je nodig? Wanneer tel je op, en wanneer zet je terug op 0?
    lichtMinuten telt elke minuut met licht (boven DAG) één op. Zodra het donker wordt na een dag (wasDag en licht onder DONKER), bewaar je de teller in daglengte en zet je lichtMinuten terug op 0. wasDag onthoudt of het vandaag al dag was.
  2. b
    Schrijf de nieuwe regels code, in plaats van EXTRA_LICHT.
    // bij het geheugen: het seizoen uit de daglengte
    int lichtMinuten = 0;        // minuten licht vandaag
    int daglengte = 720;         // minuten licht van de vorige dag (start: 12 uur)
    bool wasDag = false;         // was het vandaag al dag?
    
    // in loop(), meteen na het meten:
      if (licht > DAG) {
        lichtMinuten = lichtMinuten + 1;
        wasDag = true;
      } else if (wasDag && licht < DONKER) {   // de dag is net voorbij
        daglengte = lichtMinuten;
        lichtMinuten = 0;
        wasDag = false;
      }
      bool winter = (daglengte < 720);
    
    // in het blok extra licht: winter in plaats van EXTRA_LICHT
      if (winter && !ledstripAan && !vandaagGedaan && licht < DONKER) {
  3. c
    Test op papier: eerst een dag met 9 uur licht, daarna een dag met 13 uur licht. Wat doet de ledstrip op elke avond?
    Na de dag van 9 uur: daglengte = 540, minder dan 720, dus winter: de ledstrip brandt die avond 4 uur. Na de dag van 13 uur: daglengte = 780, geen winter: de ledstrip blijft uit.
  4. d
    Wat kan er misgaan op een donkere, regenachtige dag in mei? Hoe maak je het robuuster?
    Op een heel donkere dag telt de LDR weinig lichtminuten: die avond brandt de ledstrip onterecht. Robuuster: pas omschakelen als het drie dagen na elkaar zo was, of het gemiddelde van de laatste zeven dagen gebruiken (met een lijst, Intermediate, hoofdstuk 28 en 29). Test de nieuwe code ook met de simulatie, zoals in het handboek.
33.25

December zonder stopcontact

Uitdagen4Ontwerpen45 min
In december mist de meetkas gemiddeld 2,1 Wh per dag (62,5 Wh opbrengst tegenover 64,6 Wh verbruik). Het team wil de adapter kwijt. Drie ideeën: (1) een groter paneel van 80 Wp (richtprijs € 85); (2) de microcontroller laten slapen tussen de metingen, zodat de 5 V-kant gemiddeld nog 0,05 A vraagt in plaats van 0,30 A (hoofdstuk 21); (3) de ledstrip in december maar 3 uur per avond laten branden.
  1. a
    Reken per idee uit hoeveel Wh er in december per dag over is (of te kort). December: 1,25 Wh per Wp per dag; omvormer 83 %.
    (1) per dag: over. (2) 5 V-kant , aan de 12 V-kant , per dag in plaats van : verbruik , dus over. (3) Eén uur minder ledstrip en relais: minder, verbruik , dus over: net genoeg, zonder reserve.
  2. b
    Maak een criteriatabel met minstens vier criteria (hoofdstuk 30) en kies.
    Bijvoorbeeld: effect in december (3), kost (2), eenvoud (2), raakt geen andere eis (1). Idee 1: groot effect, kost € 85, eenvoudig. Idee 2: groot effect, gratis, maar moeilijk (slapen leer je pas in Expert, hoofdstuk 37). Idee 3: klein effect, gratis, eenvoudig, maar minder licht voor de planten. Het voorbeeldteam koos idee 1, en idee 2 voor later.
  3. c
    Welke eisen uit het programma van eisen raakt elk idee?
    Idee 1: E1-E3 (energie), en G4 niet (de zonnekast telt niet mee). Idee 2: K2, W1 en G5: de regeling moet na het slapen blijven werken. Idee 3: K8 (4 uur extra licht) en P2 (minder licht, minder sla).
Zo wordt dit beoordeeld
RekenwerkPer idee het nieuwe verbruik of de nieuwe opbrengst, met eenheden; de 5 V-kant via het rendement.
CriteriatabelMinstens vier criteria met gewichten; scores onderbouwd; totaal per idee.
EisenPer idee de geraakte eisen (bv. K8, E1-E3, K2 en W1 bij slapen).
KeuzeEen keuze met argumenten, en een eerlijke vermelding van wat ze kost.
33.26

Debat: groeiproef of oogst?

Uitdagen4Argumenteren30 min
In het testrapport botsen twee eisen: P1 (een groeiproef met schaduwdoek moet mogelijk zijn) en P2 (minstens 1 kg sla per teelt). Met drie groepen onder schaduwdoek haalde de kas maar 771 g. Stelling: 'Een meetkas is er om te meten, niet om te oogsten. Schrap P2.'
  1. a
    Zoek twee argumenten voor en twee tegen de stelling.
    Voor: laag 1 van Habitat is er om te meten en te leren (hoofdstuk 1); de proef levert kennis voor de klimaatmodule; P2 is maar een wens. Tegen: Habitat moet op termijn voedsel leveren (een bewoner eet ±1,3 kg per dag, hoofdstuk 29); een oogst motiveert; een proef kan ook met minder bakjes in de schaduw.
  2. b
    Welke oplossing laat beide eisen toe?
    Afwisselen: een teelt met proef, een teelt zonder (12 × ±100 g = ±1,2 kg). Of een kleinere proef met twee groepen (0 en 50 %). Of P2 herschrijven: 'minstens 1 kg per teelt zonder groeiproef'.
  3. c
    Hoe beslist een ontwerpteam als twee eisen botsen?
    Terug naar het doel en de gebruiker (hoofdstuk 30). Een moet-eis gaat voor een wens. Botsen twee moet-eisen, dan overleg je met de opdrachtgever. De beslissing en de reden schrijf je in het PvE (versie 3) en in het logboek.
33.27

Habitat: versie 2 van de meetkas

Uitdagen4Habitat50 min
De ontwerpcyclus stopt niet bij de test (hoofdstuk 30). Gebruik jullie testrapport, logboek en foutzoekervaring.
  1. a
    Drie verbeteringen.
    Bijvoorbeeld: K7 (0,7 °C) → een nachtscherm → € 15 → 1,7 °C warmer dan buiten (hoofdstuk 16). P2 (771 g) → een teelt zonder proef → 0 € → ±1,2 kg. V3 (braam) → ontbramen op de checklist → 5 min → geen snijwonden.
  2. b
    Werk één verbetering uit: een schets, een berekening of een stuk code.
    Bijvoorbeeld het nachtscherm. De platen verliezen ±50 kJ per uur per °C verschil (hoofdstuk 16). Het reservoir (24 L) geeft 's nachts 504 kJ af als het 5 °C afkoelt: zonder scherm blijft de kas zo ±0,8 °C warmer dan buiten, met een nachtscherm ±1,7 °C, omdat het scherm het verlies ongeveer halveert. Schets: een doek op een rolletje onder het dak, 's avonds dicht, 's morgens open. Waar de leraar op let: een uitwerking die bij de gekozen eis (K7) hoort.
  3. c
    Welke verbetering kan je pas maken met wat je in Intermediate leert? Welke kennis heb je nodig?
    Bijvoorbeeld: een datalogger op een SD-kaart (Intermediate, hoofdstuk 30), de ledstrip traploos dimmen met PWM (hoofdstuk 25), de toestanden dag, nacht en alarm als toestandsmachine (hoofdstuk 32), millis() in plaats van delay() (hoofdstuk 29).
Zo wordt dit beoordeeld
OnderbouwdElke verbetering komt uit een test, een meting of het logboek, en hoort bij een eis.
AfwegingKost en effect geschat; de belangrijkste verbetering eerst.
UitwerkingSchets, berekening of code die klopt en die een ander kan uitvoeren.
VooruitblikConcreet: welk hoofdstuk van Intermediate, en wat het oplost.
33.28

Habitat: eindevaluatie en op weg naar Intermediate

Uitdagen4Habitat40 min
Beoordeel jullie project met de eindrubric uit het handboek. De leraar doet hetzelfde; daarna vergelijken jullie.
  1. a
    Zelfevaluatie van het project.
    Er is geen juist antwoord. Waar de leraar op let: bij elk niveau een concreet bewijs, en eerlijkheid (een 4 zonder bewijs telt als een 3).
  2. b
    Bereken jullie score: de som van niveau × gewicht, gedeeld door 4.
    Voorbeeldteam: niveaus 3, 3, 4, 3, 3, 3, 3, 3 bij gewichten 15, 10, 15, 10, 15, 10, 15, 10: op 100.
  3. c
    Reflectie: wat was het moeilijkste aan het samenzetten? Wat zou je een volgend team aanraden?
    Bijvoorbeeld: 'Het moeilijkste waren de interfaces: de vlotter die te hoog hing, DROOG en NAT die omgewisseld waren. Raad: test elk onderdeel apart voor je het inbouwt, en schrijf elke meting in het logboek.'
  4. d
    Welke drie dingen uit dit project neem je mee naar de klimaatmodule van Intermediate?
    Bijvoorbeeld: het programma van eisen met een testrapport; de lus meten-beslissen-doen (wordt een toestandsmachine, hoofdstuk I32); een energiebudget met gemeten stromen (hoofdstuk I20).