Fundamental · Oplossingen · 30. De ontwerpcyclus StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
SE
StemExpert
F30. De ontwerpcyclus — oplossingen
FFundamental · deel F8 · Ontwerpen en maken
Oplossingen · hoofdstuk 30De ontwerpcyclus
Van een vaag probleem naar een oplossing die werkt, in rondes van proberen, meten en verbeteren
Uitgewerkte oplossingen bij de 16 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Karton, een breadboard en een veerunster: zo ziet ontwerpen er meestal uit, lang voor het product af is.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
30.1
De stappen op volgorde
Oefenen1Begrijpen8 min
De zeven stappen van de ontwerpcyclus staan door elkaar: testen · programma van eisen · prototype maken · probleem verkennen · kiezen · evalueren en verbeteren · ideeën bedenken.
a
Zet ze in de juiste volgorde.
Probleem verkennen · programma van eisen · ideeën bedenken · kiezen · prototype maken · testen · evalueren en verbeteren.
b
Bij welke stap hoort elke situatie? (a) Een groep plakt tien post-its met ideeën op het bord. (b) Een leerling trekt met een veerunster aan het dakraam. (c) Een team vraagt aan de conciërge hoe vaak hij in de vakantie op school is. (d) Een leerling schrapt een idee omdat het 230 V in de kas brengt.
(a) ideeën bedenken (brainstorm); (b) testen; (c) probleem verkennen (de gebruiker leren kennen); (d) kiezen (zeven met een moet-eis).
c
Na welke stap begin je een nieuwe ronde, en naar welke stap ga je terug als een test faalt omdat een onderdeel te zwak is?
Na evalueren en verbeteren. Faalt een onderdeel omdat het te zwak is, dan ga je terug naar prototype maken: je verbetert het prototype, het idee zelf blijft goed.
30.2
Moet of wens?
Oefenen1Begrijpen10 min
Een klas ontwerpt een fietslicht dat je op je schooltas klemt. Dit zijn hun eisen.
a
Is het een moet-eis of een wens? Geef bij elke keuze een korte reden.
(a) moet: een fietslicht dat je niet ziet, heeft geen zin (en de wet vraagt verlichting). (b) wens: lichter is prettiger, 90 g is geen ramp. (c) moet: fietsen doe je ook in de regen. (d) wens: fijn, maar het licht werkt ook in één kleur. (e) moet of wens, als je het goed uitlegt: een licht dat elke dag leeg is, gebruikt niemand (moet); maar met 20 uur of 15 uur werkt het allebei (wens). (f) wens, tenzij het budget echt vastligt: dan moet. Wat telt, is dat de reden klopt: moet = zonder dit faalt het product.
30.3
Meetbaar maken
Oefenen2Ontwerpen15 min
Deze eisen zijn te vaag om te testen.
a
Maak van elke vage eis een meetbare eis met grootheid, grens met eenheid en toets.
Voorbeelden (andere grenzen kunnen ook, als je ze kan verantwoorden): (a) massa van een volle bak; hoogstens 4 kg (een leerling tilt ze met twee handen); wegen. (b) geluidsniveau op 1 m; hoogstens 40 dB (zoals een stille bibliotheek); meten met een geluidsmeter-app. (c) tijd om het reservoir van leeg tot vol te vullen; hoogstens 5 minuten; tijd opnemen met een emmer. (d) verlichtingssterkte op planthoogte; bijvoorbeeld minstens 400 lux midden onder de strip, gemeten in het donker met de strip aan (de strip van de meetkas geeft maar ongeveer 1,2 W licht, hoofdstuk 21); meten met een luxmeter.
30.4
Eis of oplossing?
Oefenen2Begrijpen10 min
In een PvE voor een automatische voederbak voor de schoolkippen staan deze zinnen.
a
Welke zinnen zijn eigenlijk al een oplossing? Herschrijf die als eis die zegt wat, niet hoe. (a) De voederbak heeft een servomotor die elke ochtend het luikje opent. (b) De kippen krijgen elke dag tussen 7 en 8 uur 500 g graan. (c) De voederbak is gemaakt van roestvast staal. (d) Ratten kunnen niet bij het voer.
(a) is een oplossing (servomotor, luikje). Eis: 'de kippen krijgen elke ochtend tussen 7 en 8 uur voer, ook in het weekend'. (b) is een goede eis. (c) is een oplossing (materiaal). Eis: 'de voederbak roest niet en gaat minstens 10 jaar mee buiten'. (d) is een eis (wat), zij het nog niet meetbaar: 'in een test van een week met een camera raakt geen rat het voer'.
b
Waarom is het slecht om een oplossing als eis te schrijven?
Omdat je dan alle andere oplossingen uitsluit voor je ze bedacht hebt. Misschien bestaat er een goedkopere of betrouwbaardere manier (een tijdschakelaar, een schuif die de kip zelf opent met een trede, gegalvaniseerd staal).
30.5
Een gewogen tabel uitrekenen
Oefenen2Rekenen12 min
Een team kiest een manier om de meetkas in de winter warm te houden. Criteria met gewicht: energieverbruik (3), eenvoudig (2), prijs (1). Scores (1 tot 5): nachtscherm 4, 5, 5; verwarmingsmat van 20 W 1, 4, 3; vat met 40 L extra water 5, 3, 4.
Wat is het maximum dat een concept kan halen? Welk concept wint?
Maximum: 5×(3+2+1)=30. Het nachtscherm wint (27), vlak voor het vat (25).
c
De mat is het enige concept dat de temperatuur echt kan regelen. Welke eis zou dat belangrijk maken, en wat is dan de zwakte van deze tabel?
Een moet-eis zoals 'de temperatuur zakt 's nachts nooit onder 5 °C' kan alleen de mat halen bij strenge vorst. Dan hoort die eis in de zeef, niet in de tabel: de tabel vergelijkt alleen wensen en ziet niet dat scherm en vat een koude nacht misschien niet halen (hoofdstuk 16: een vat geeft hoogstens enkele graden).
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
30.6
Een gebruiker interviewen
Toepassen2Onderzoeken25 min
Je ontwerpt een toestel dat de kamerplanten van je buurvrouw water geeft als ze drie weken op reis is. Je interviewt haar. Een stukje uit je notities: 'Ik heb zeven planten, de meeste op de vensterbank, twee grote in de hoek. Vorig jaar gaf de buurjongen water, maar de cactus stond daarna in een plas en is gestorven. Ik wil geen kabels over de vloer, want de kat. Een stopcontact is er wel, achter de zetel.'
a
Schrijf vijf open vragen die je haar nog wil stellen. Waarom is 'Wil je een pompje?' geen goede vraag?
Bijvoorbeeld: Hoe geef je nu water, en hoe vaak? Welke planten hebben het meeste water nodig? Wat gebeurde er precies met de cactus? Waar mag het toestel staan? Wat moet er gebeuren als er iets misloopt terwijl je weg bent? 'Wil je een pompje?' is gesloten (ja of nee) en kiest al een oplossing: je leert er niets uit over het probleem.
b
Haal uit de notities minstens vier eisen. Zeg telkens of het een moet-eis of een wens is.
Moet: werkt 21 dagen zonder ingrijpen; geeft elke plant apart water (de cactus veel minder); geen kabels over de vloer (de kat). Wens: werkt zonder stopcontact; ziet er rustig uit op de vensterbank; geeft na de reis te zien hoeveel water er gegeven is.
c
Wie zijn de 'stille gebruikers' hier, en welke eis komt van hen?
De planten (elk hun eigen hoeveelheid water: de cactus veel minder dan een varen) en de kat (niets om aan te trekken of om te gooien).
30.7
Een PvE voor een nestkast
Toepassen3Ontwerpen25 min
De school wil nestkasten voor mezen ophangen aan de bomen rond de meetkas. Vogelkenners raden een invliegopening van 28 mm aan voor pimpelmezen en 32 mm voor koolmezen: grotere vogels kunnen er dan niet in. Een kast hangt minstens 2 m hoog, uit de volle middagzon, en wordt elk najaar leeggemaakt.
a
Stel een PvE op met minstens zes eisen: codes, moet of wens, grens met eenheid, toets.
Bijvoorbeeld: N1 (moet) invliegopening Ø 28 mm (pimpelmees) of Ø 32 mm (koolmees), ± 1 mm; schuifmaat. N2 (moet) regen blijft buiten: na 10 minuten gieter over het dak is de bodem droog; test. N3 (moet) opent voor het schoonmaken zonder gereedschap; proberen. N4 (moet) hangt veilig 2 tot 4 m hoog, aan een boom zonder spijkers in de stam; nakijken. N5 (wens) onbehandeld hout van minstens 18 mm dik (isoleert, blijft koel); meten. N6 (wens) kost hoogstens € 8 aan materiaal; bonnetje.
b
Wie zijn de gebruikers van een nestkast? Noem er minstens drie, en één eis per gebruiker.
De mezen (opening, droog, niet te warm), de leerlingen of de conciërge die de kast ophangen en schoonmaken (veilig, zonder gereedschap te openen), de boom (niet beschadigen), en de onderzoekers die willen tellen (een kijkluikje of camera zou een wens zijn).
30.8
Een morfologisch overzicht
Toepassen3Tekenen25 min
Je ontwerpt een lichtwekker: in plaats van te piepen, wordt het in de kamer langzaam licht. Deelfuncties: tijd bijhouden, licht maken, energie leveren, bediening (wekuur instellen), uitzetten.
a
Maak een morfologisch overzicht met per deelfunctie minstens drie oplossingen.
Bijvoorbeeld: tijd bijhouden: klokmodule, microcontroller met klokchip, tijdschakelaar, gsm-app. Licht maken: ledstrip, gloeilamp met dimmer, rolluik dat opengaat (daglicht!), led-matrix. Energie: stopcontact, batterijen, oplaadbare batterij met zonnecel. Bediening: draaiknop, drukknoppen, app. Uitzetten: aanraken, knop, klappen, vanzelf na 30 min.
b
Stel twee heel verschillende concepten samen en schets ze elk in een halve minuut.
Bijvoorbeeld concept 1: microcontroller + ledstrip + stopcontact + drukknoppen + aanraken. Concept 2: tijdschakelaar + motortje dat het rolluik opent + batterij + draaiknop + vanzelf.
c
Hoeveel combinaties bevat jouw overzicht?
Vermenigvuldig het aantal oplossingen per rij: bijvoorbeeld 4 × 4 × 3 × 3 × 4 = 576.
30.9
Eerst zeven, dan wegen: het dakraam
Toepassen3Rekenen25 min
Vier concepten om het dakraam van de meetkas te openen (zie de schetsen in het handboek). Een team maakte deze gewogen tabel, zonder eerst te zeven.
criterium (wens)
gewicht
1: uitzetstang + klemhendel
2: wascilinder
3: duwstang + sensor
4: servo + arm
werkt zonder toezicht
3
1 (3)
5 (15)
5 (15)
5 (15)
de microcontroller kan het sturen
2
1 (2)
1 (2)
5 (10)
5 (10)
geen stroom nodig
2
5 (10)
5 (10)
1 (2)
1 (2)
eenvoudig te bouwen
2
5 (10)
4 (8)
3 (6)
2 (4)
goedkoop
1
5 (5)
3 (3)
2 (2)
4 (4)
totaal (max. 50)
30
38
35
35
a
Controleer de totalen. Welk concept wint volgens deze tabel?
Zeef nu met de moet-eisen K2 (open boven 28 °C en dicht onder 25 °C, zoals de microcontroller het instelt) en K5 (bij stroomuitval met de hand te openen, hoogstens 10 N). Welke concepten vallen af, en waarom?
De uitzetstang met klemhendel valt af op K2: ze opent niet automatisch. De wascilinder valt ook af op K2: ze opent geleidelijk vanaf ongeveer 18 °C en de microcontroller kan niets instellen. Beide halen K5. Duwstang en servo halen K2; K5 halen ze als je de stang of arm kan losmaken.
c
Duwstang en servo halen nu evenveel punten. Een servo uit de klas duwt met zijn arm hoogstens ongeveer 10 N; nodig is 29,5 N (hoofdstuk 12). Welk soort eis ontbrak in de tabel?
Een moet-eis voor de kracht: 'de opener levert minstens 29,5 N op 12 cm van het scharnier'. De servo haalt die niet en valt ook af: de duwstang blijft over. Zonder de zeef had het team een wascilinder gekozen die een eis van de kas niet haalt.
30.10
Een testplan opstellen
Toepassen3Analyseren20 min
Uit het PvE van de meetkas (handboek): W2, W3, W4, C3 en G3.
a
Schrijf voor elke eis een test: wat je doet, met welk materiaal, en het criterium.
W2: reservoir vullen tot het maximum, 3 dagen het verbruik meten (maatbeker of waterhoogte) en uitrekenen hoeveel dagen het bruikbare volume volstaat; criterium ≥ 14 dagen. W3: reservoir leeg laten lopen terwijl de pomp aanstaat; criterium: de pomp stopt zodra de vlotter zakt, telkens bij 5 pogingen. W4: sensor uit de grond (hij meet dan 'droog'), tellen; criterium: na de 3e beurt brandt rood, de pomp stopt. C3: lege kas voorzichtig kantelen met een helling of berekenen met het zwaartepunt; criterium: valt niet om voor 30°. G3: een klasgenoot die het niet kent, vult het reservoir; stopwatch; criterium ≤ 5 min, zonder schroevendraaier.
b
Welke test duurt het langst? Hoe kan je hem inkorten zonder vals te spelen?
W2 (14 dagen). Inkorten door een paar dagen te meten en te rekenen, maar met het hoogste verbruik (warme dagen) en met het bruikbare volume, niet het volle volume. Wie op een koele week meet, maakt zichzelf iets wijs.
30.11
Testresultaten beoordelen
Toepassen3Analyseren20 min
Drie groepen maakten een druppelaar voor één bakje. De eisen: (1) moet: 100 tot 200 mL per beurt van 30 s; (2) moet: de druppelaar verstopt niet in 20 beurten; (3) wens: zo gelijk mogelijk over 5 beurten. Resultaten (mL per beurt):
groep
beurt 1
2
3
4
5
verstopt?
A (gaatje 1 mm in de slang)
140
150
135
145
150
na 12 beurten
B (druppelaar uit de winkel)
180
185
175
180
180
nee
C (gaatje 2 mm)
260
250
255
270
265
nee
a
Welke groepen halen welke moet-eisen?
A haalt eis 1 maar niet eis 2 (verstopt na 12 beurten). B haalt beide. C haalt eis 1 niet (meer dan 200 mL), wel eis 2.
b
Bereken voor elke groep het gemiddelde en het bereik (grootste min kleinste).
Stel voor A en C een verbetering voor voor de volgende ronde.
A: een filter (kous of zeefje) op de aanzuigkant, of een iets groter gaatje. C: een kleiner gaatje, of dezelfde druppelaar maar korter pompen (bijvoorbeeld 20 s in plaats van 30 s geeft ongeveer 173 mL: dat moet je dan wel opnieuw testen).
30.12
Maak: drie rondes papieren tafel
Toepassen3Maken60 min
Voer de proef 'Drie rondes: een papieren tafel' uit het handboek uit, met hetzelfde PvE.
a
Noteer per ronde je ontwerp (schets), de grootste last en hoe de tafel bezweek.
Eigen resultaten. Typisch: gevouwen stroken bezwijken onder 1 kg, opgerolde kokers dragen enkele kilogram, kokers met verbanden en een goede verdeling van de last dragen tot meer dan tien kilogram.
b
Teken de grafiek: grootste last per ronde, met de moet-eis als horizontale lijn.
Ronde op de horizontale as, last in kg op de verticale as, punten verbonden, stippellijn op 5 kg.
c
Welke verbetering leverde het meest op? Wat zou je in een vierde ronde doen?
Meestal de overgang van gevouwen stroken naar kokers (vorm). Een vierde ronde pakt de nieuwe zwakke plek aan: bijvoorbeeld de verbinding tussen koker en tafelblad, of de kokers korter en dikker maken.
Zo wordt dit beoordeeld
PvE gevolgd
Alleen het toegelaten materiaal; hoogte en tafelblad volgens de moet-eisen.
Testen
Zelfde manier van belasten in elke ronde; 30 s volgehouden; oorzaak van bezwijken genoteerd.
Iteratie
Elke ronde pakt de zwakke plek van de vorige aan, en dat staat erbij.
Grafiek en besluit
Juiste assen, eis als lijn; besluit steunt op de metingen.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
30.13
Habitat: het programma van eisen aanvullen
Uitdagen4Habitat45 min
Het PvE van de meetkas (versie 1, handboek) is nog niet volledig. Over de verlichting staat er alleen een wens (K8), en over de groeiproef twee eisen (P1, P2). Gegevens: ledstrip 12 V, 4,8 W, twee helften boven de twee rijen (hoofdstuk 19-21); lichtsensor LDR op A2 (hoofdstuk 25); groeiproef met schaduwdoek 0, 30, 50 en 70 %, vier groepen van drie bakjes, versgewicht na 5 weken (hoofdstuk 27).
a
Schrijf minstens drie nieuwe meetbare eisen voor de verlichting (codes K9, K10 ...), met soort, grens met eenheid, toets en bron.
Bijvoorbeeld: K9 (moet) de ledstrip staat nooit aan als het daglicht op planthoogte meer dan 5000 lux is; luxmeter + logboek; bron: zinloos verbruik, F21. K10 (moet) hoogstens 4 uur per dag aan, van oktober tot maart; logboek of energiemeter; F17/F21 (het budget rekent met 4 h). K11 (wens) beide rijen krijgen evenveel licht: verschil hoogstens 10 % tussen de rijen; luxmeter op 6 plaatsen; groeiproef F27. K12 (moet) de LDR meet het daglicht, niet de ledstrip zelf; test: strip aan in het donker, de strip mag niet uitgaan; F25.
b
Schrijf minstens drie nieuwe eisen voor de groeiproef (P3, P4 ...). Denk aan eerlijk testen (hoofdstuk 2).
Bijvoorbeeld: P3 (moet) elke groep krijgt evenveel water: verschil tussen de druppelaars hoogstens 10 %; maatbeker per druppelaar; F2, F14. P4 (moet) het schaduwdoek laat de opgegeven fractie licht door, ± 5 procentpunt; luxmeter onder en boven het doek; F27. P5 (moet) zaad uit één pakje, gezaaid op dezelfde dag, dezelfde potgrond; checklist; F2. P6 (wens) de temperatuur onder alle doeken verschilt hoogstens 1 °C; twee sensoren; F2 (gecontroleerde variabele).
c
Kies uit het hele PvE de drie moet-eisen die je in hoofdstuk 33 als eerste wil testen. Waarom die?
Bijvoorbeeld W1 (water geven), K2 (dakraam) en V1 (elektrische veiligheid). V1 omdat een fout gevaarlijk is en je de kas pas mag aanzetten als het klopt. W1 omdat de planten ervan afhangen en omdat de sensor de zwakke plek is. K2 omdat het mechanisme en het programma samen moeten werken en een fout de kas kan laten oververhitten. Andere keuzes kunnen, met een goede reden.
d
Portfolio: noteer het versienummer (versie 1.1) en wat er veranderde.
Bijvoorbeeld: 'Versie 1.1: K9 tot K12 (verlichting) en P3 tot P6 (groeiproef) toegevoegd.'
Zo wordt dit beoordeeld
Meetbaar
Elke eis heeft een grootheid, een grens met eenheid en een toets.
Wat, niet hoe
Geen oplossingen verkleed als eis.
Consistent
Getallen kloppen met het dossier (4,8 W, 4 h/dag, A2, schaduwdoek 0-70 %).
Keuze
De drie eerste tests zijn goed gekozen (risico, afhankelijkheid) en gemotiveerd.
Portfolio
Versienummer en wijzigingen genoteerd.
30.14
Ontwerp: een vakantie-watergever voor één plant
Uitdagen4Ontwerpen60 min
Doorloop een volledige ontwerpcyclus op kleine schaal. Het probleem: een kamerplant in een pot van 15 cm moet drie weken overleven zonder dat iemand langskomt. Ze verbruikt ongeveer 60 mL per dag. Er is geen stopcontact in de buurt.
a
Schrijf een probleemstelling en een PvE met minstens drie moet-eisen en twee wensen, meetbaar.
Bijvoorbeeld: 'Hoe kunnen we een kamerplant drie weken genoeg water geven zonder stopcontact, zodat ze gezond blijft?' Water: 21×60=1260mL≈1,3L. Moet: werkt 21 dagen; geeft 40 tot 100 mL per dag; geen stroom uit het net; lekt niet (droge vloer na een test van 2 dagen). Wens: kost hoogstens € 5; reservoir doorzichtig (je ziet hoeveel er nog is).
b
Bedenk minstens vier ideeën en schets ze.
Bijvoorbeeld: omgekeerde fles van 1,5 L in de grond; katoenen wiek vanuit een emmer; druppelzak met kraantje; zelfbewateringspot met reservoir onderaan; een grote schotel met kleikorrels.
c
Zeef met de moet-eisen en kies met een gewogen tabel. Controleer de gevoeligheid.
Bijvoorbeeld: de druppelzak valt af als het debiet niet stabiel is (lekt of droogt op). De wiek en de omgekeerde fles winnen vaak: geen stroom, goedkoop, zelfregelend. Gevoeligheid: geef je 'zichtbaar hoeveel er over is' meer gewicht, dan wint de fles.
d
Maak een prototype en test het een week. Wat liep mis, en wat verbeter je?
Typische problemen: de fles loopt in twee dagen leeg (grond te los: een dop met een klein gaatje helpt), de wiek droogt uit (dikker koord, reservoir hoger zetten). Een testweek toont dit, drie weken op reis niet meer.
Zo wordt dit beoordeeld
Probleem en PvE
Probleemstelling zonder oplossing; eisen meetbaar; hoeveelheid water berekend (± 1,3 L).
Ideeën
Minstens vier echt verschillende ideeën, geschetst.
Kiezen
Eerst zeven, dan wegen; scores gemotiveerd; gevoeligheid besproken.
Testen en verbeteren
Meting tegen de eisen; oorzaak van problemen; concrete verbetering.
30.15
Debat: 5127 prototypes
Uitdagen3Argumenteren25 min
James Dyson bouwde ongeveer 5127 prototypes in vijf jaar. Stelling: 'Zoveel prototypes is verspilling. Met goed nadenken en een computermodel vooraf had het veel sneller gekund.'
a
Geef twee argumenten vóór en twee tegen de stelling.
Vóór: veel prototypes kosten tijd en materiaal; met een model kan je veel varianten doorrekenen voor je iets bouwt (vandaag simuleren ingenieurs luchtstromen met de computer); systematisch één ding tegelijk veranderen gaat trager dan slim combineren. Tegen: de stroming in een cycloon met stof was toen (en is nog altijd) moeilijk te berekenen; elk prototype leverde echte informatie op; de computers en programma's van eind jaren 1970 konden dit niet; een prototype toont ook dingen die je niet voorzag (geluid, verstopping, gewicht).
b
Wanneer is een prototype nuttiger dan een berekening, en wanneer omgekeerd? Geef een voorbeeld uit de meetkas.
Rekenen is sneller als het verschijnsel goed begrepen is: de kracht van de duwstang volgt uit de hefboomwet (hoofdstuk 12), een prototype is dan alleen een controle. Testen is beter als er veel onzekerheid is: hoe snel de grond uitdroogt op een zonnige dag, of de klemhendel prettig in de hand ligt. Het beste is beide: eerst rekenen om de goede richting te kiezen, dan testen om te zien wat de berekening mist.
Zo wordt dit beoordeeld
Argumenten
Twee echte argumenten per kant, niet dezelfde gedachte in andere woorden.
Voorbeeld
Een concreet geval uit de meetkas waar rekenen of testen de beste weg was.
Nuance
Ziet dat rekenen en testen elkaar aanvullen.
30.16
Analyse: waar ging het mis?
Uitdagen4Analyseren25 min
Een klas bouwde in drie weken een automatisch watergeefsysteem voor de schooltuin en schakelde het vrijdag in. Maandag: (1) twee bakken stonden onder water, de rest was droog; (2) de conciërge had de adapter uitgetrokken omdat hij zoemde en hij niet wist wat het was; (3) de klas wist niet hoeveel water er gegeven was; (4) de leerkracht vroeg: 'Welke eis hebben jullie hiermee getest?' en niemand wist het.
a
Koppel elk probleem aan de stap van de ontwerpcyclus die overgeslagen of te snel gedaan werd.
(1) Testen: het systeem werd nooit een volledige cyclus in de echte omstandigheden getest (de druppelaars gaven ongelijk water). (2) Probleem verkennen: een gebruiker (de conciërge) werd niet gekend of ingelicht. (3) PvE: er was geen eis over meetgegevens. (4) PvE en testplan: zonder meetbare eisen kan je niets toetsen.
b
Schrijf voor elk probleem een eis die het had kunnen voorkomen.
(1) 'Elke bak krijgt 100 tot 200 mL per beurt, verschil tussen de bakken hoogstens 10 %.' (2) 'Een onbekende kan aan een etiket zien wat het toestel is en wie hij kan bellen; het toestel maakt geen geluid boven 35 dB.' (3) 'Het systeem houdt per beurt bij hoeveel water het gaf.' (4) Een PvE met codes en een testplan per eis.
c
Welke test had de klas op donderdag moeten doen?
Een generale repetitie: het systeem een hele dag (of een nacht) laten werken zoals in het weekend, met een maatbeker onder elke druppelaar, en achteraf de hoeveelheden vergelijken.