EExpert · deel E6 · Life sciences en bio-engineering
Oplossingen · hoofdstuk 32Ecologische modellen
Groei, interactie en materiaalbehoud vragen elk hun eigen stabiliteitsbewijs
Uitgewerkte oplossingen bij de 12 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Een ecosysteem heeft levende én niet-levende voorraden; een groene kleur bewijst geen gesloten balans.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
32.1
Draagkracht en tekens
Oefenen6Begrijpen25 min
Gebruik r=0,70 per dag en K=770000 cellen/mL.
a
Bereken de netto groei bij N = 0, K/2, K en 1,2 K. Vermeld eenheden.
De vier snelheden zijn 0; rK/4=134750; 0; r(1,2K)(−0,2)=−129360 cellen/(mL·dag). Het teken geeft netto groei of afname, niet het afzonderlijke aantal geboorten.
b
Leg met f′ uit welk evenwicht aantrekt. Wat betekent K biologisch niet?
f′(0)=+0,70 per dag, dus een kleine positieve afwijking groeit. f′(K)=−0,70 per dag, dus een kleine afwijking dooft. K is de modeldraagkracht bij constante omstandigheden; geen universeel maximum voor iedere reactor en geen gezondheidsoordeel.
32.2
Alarm en buigpunt
Oefenen6Rekenen25 min
Gebruik de afgeronde reservoirparameters en N₀ = 1900 cellen/mL.
a
Bereken het moment waarop N = K/2 en N = 500 000 cellen/mL. Vergelijk met exponentiële groei vanaf dezelfde start.
Het buigpunt ligt op ln(770000/1900−1)/0,70=8,574380 dagen. De grens geeft ln[(770000/1900−1)500000/270000]/0,70=9,454646 dagen. Exponentieel geeft ln(500000/1900)/0,70=7,961077 dagen: zonder beperking te vroeg.
b
Bereken de totale netto celtoename per dag bij K/2 in een constant vat van 60 L. Maakt dit het vat een gevalideerde zuurstofbron?
60 L = 60 000 mL, dus 134750⋅60000=8,085⋅109 cellen per dag. Cellen zijn geen mol O₂: celmassa, respiratie, licht en gasoverdracht moeten apart worden gemeten. Dit volume is alleen een rekenscenario met reservoirparameters.
Bereken twee Eulerstappen van 0,1 dag. Gebruik steeds beide oude waarden.
Eerste stap: snelheden (12;1,8), dus (41,2;10,18). Daarna x˙=41,2(0,60−0,030⋅10,18)=12,13752 en y˙=10,18(0,012⋅41,2−0,30)=1,979808. Tweede toestand: (42,413752;10,3779808).
b
Bepaal de tekens van beide afgeleiden bij (10,30), (40,30) en (10,10).
Bij (10,30) zijn x < 25 en y > 20: beide dalen. Bij (40,30) daalt prooi en groeit predator. Bij (10,10) groeit prooi en daalt predator. De verschillende nulclijnen bepalen de tekens.
32.4
Een Eulerfout herkennen
Oefenen6Analyseren25 min
Een lineaire mode heeft λ=±0,424264i per dag. Neem h=0,1 dag.
a
Bereken de Euler-amplitudefactor en haar effect na 400 stappen in het gelineariseerde model.
q=1+0,12⋅0,18=1,000899595. Na 400 stappen is q400=1,432865; ongeveer 43,3 % amplitudegroei is door de rekenmethode toegevoegd.
b
Waarom kan de exacte niet-lineaire populatiebaan niet met precies die factor worden voorspeld?
Dit is een lineaire kleine-verstoringsanalyse nabij (25,20). De echte snelheden en vorm van grote banen veranderen met x en y; gebruik daar de berekende invariantdrift en stapvergelijking. De analyse verklaart de richting van de fout, niet alle eindcomponenten.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
32.5
Euler vergelijken met exact
Toepassen7Programmeren25 min
Gebruik reservoir_logistiek.py en simuleer tot dag 10.
a
Maak voor h = 0,25; 0,125; 0,0625 dag een tabel met N(10), fout en verhouding tussen opeenvolgende foutgroottes.
De uitvoer geeft 498 567,152 / −64 035,023; 531 988,613 / −30 613,562; 547 679,690 / −14 922,485 cellen/mL. De foutverhoudingen zijn 2,0917 en 2,0515, steeds dichter bij 2. Een lus over de drie h-waarden met euler_log en exact(10) reproduceert deze tabel.
b
Schat met de twee kleinste stappen een Richardson-extrapolatie. Vergelijk met exact en bespreek de beperking.
Voor orde 1 is N(h)≈N∗+ch, dus N∗≈2N(h/2)−N(h). De twee kleinste stappen geven 563 370,767 cellen/mL, tegenover exact 562 602,175: een resterende fout van +768,592. Hogere fouttermen blijven; extrapolatie is geen biologisch nauwkeurigheidsbewijs.
32.6
Een ander evenwicht door draagkracht
Toepassen7Analyseren25 min
De aangepaste prooi heeft draagkracht Kx=100. De predatorvergelijking blijft gelijk.
a
Leid (25,15) en de Jacobiaan af. Bereken spoor, determinant en eigenwaarden.
Uit y˙=y(ηax−d)=0 bij y > 0 volgt x* = 25. Uit x˙=x[r(1−x/Kx)−ay]=0 volgt y* = 15. Afgeleiden geven J11=r−2rx/Kx−ay=−rx∗/Kx=−0,15, J12=−ax∗=−0,75, J21=ηay∗=0,18, J22=0. Spoor −0,15 en determinant 0,135 geven λ = −0,075 ± 0,359687 i per dag.
b
Bereken de lokale Eulergrens en bespreek Kₓ = 20.
∣λ∣2=0,135, dus h<0,15/0,135=1,111111 dagen. Kies veel kleiner voor nauwkeurigheid. Bij Kₓ = 20 zou de positieve-evenwichtformule y* = −5 geven, fysisch ongeldig. Rond (20,0) is predatortoenamefactor ηa·20−d = −0,06 per dag, dus predator sterft in dit model uit.
32.7
De oogst als expliciete export
Toepassen7Rekenen25 min
Gebruik het gesloten stikstofmodel met A = 2, D = 1, R = 9, H = 0 g N. Licht = 1 en E = 0,20 per dag.
a
Bereken de vier afgeleiden en één Eulerstap van 0,1 dag.
U = 0,80·9/(1+9)·2 = 1,44 g N/dag; sterfte 0,20, retour 0,20 en oogst 0,40. Dus (dA,dD,dR,dH) = (0,84;0;−1,24;0,40) g N/dag. De nieuwe toestand is (2,084;1,000;8,876;0,040) g N.
b
Controleer het kleine systeem A+D+R en het uitgebreide systeem inclusief H. Waarom mag H niet worden weggegooid?
Binnen A+D+R resteert 11,960 g N: een correct geboekte uitstroom van 0,040 g. Met H is het totaal precies 12,000 g. H negeren zou een werkelijk modelverlies als onverklaarde numerieke fout laten verschijnen, of een kunstmatige terugvoer suggereren.
32.8
Een synthetische validatieproef ontwerpen
Toepassen7Onderzoeken40 min
Je gebruikt de drie poolscenario's uit het handboek als rekenproef, niet als werkelijke gemeten reactor.
a
Geef twee onafhankelijke rekentoetsen voor de donkerproef en een test die een verkeerd teken in de mineralisatie ontdekt.
Toets (1) de poolsom op elke stap en (2) A(13)/A(10) tegen exp(−0,3) = 0,740818. Een verkeerd retourteken in R maakt de som veranderen met −2kD; de somtoets ontdekt dit zelfs wanneer A er geloofwaardig uitziet. Halveer daarnaast h en vergelijk met een onafhankelijke integrator.
b
Maak een biologische meetopzet die μ en de terugvoersnelheid k kan onderscheiden.
Een bruikbare proef meet biomassa, minerale stikstof en detritus afzonderlijk, met volume, licht en temperatuur gelogd. Schat μ uit een lichtfase met bekende R en meet k uit een afzonderlijke detritus-/mineralisatieproef. Houd een tweede lichtverstoring apart voor validatie. Alleen algenaantal geeft μ en k niet automatisch identificeerbaar; meetfouten en veranderende celmassa blijven relevant.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
32.9
De invariant bewijzen
Uitdagen9Analyseren35 min
Gebruik D=ηa[x−x∗−x∗ln(x/x∗)]+a[y−y∗−y∗ln(y/y∗)] voor positieve aantallen.
a
Differentieer D langs een Lotka–Volterra-baan en toon dat alle termen wegvallen.
D˙=ηa(x−x∗)(r−ay)+a(y−y∗)(ηax−d). Gebruik r = ay* en d = ηax*. Dan wordt dit −ηa2(x−x∗)(y−y∗)+ηa2(y−y∗)(x−x∗)=0.
b
Toon dat D positief is buiten het evenwicht en verklaar het verschil tussen stabiel en asymptotisch stabiel.
Voor u > 0 is u−1−ln u ≥ 0, want de afgeleide 1−1/u wisselt van negatief naar positief op u = 1. Beide D-termen zijn zulke positieve gewogen functies. Kleine contouren houden banen nabij het evenwicht: stabiel. Omdat D constant positief blijft, bereikt een verstoorde baan D = 0 niet: niet asymptotisch stabiel.
32.10
Voorraadvlak en herstel
Uitdagen9Analyseren40 min
Gebruik μ = 0,80; m = 0,10; k = 0,20 per dag, K_R = 1 g N, M = 12 g N.
a
Elimineer D en leid de gereduceerde Jacobiaan op het positieve evenwicht af.
D = M−A−R. f_A = A[μR/(K_R+R)−m], f_R = k(M−A−R)−μRA/(K_R+R). Op het evenwicht is f_A,A = 0 en b = f_A,R = A*μK_R/(K_R+R*)² = 4,841667 per dag. f_R,A = −k−m = −0,30 en f_R,R = −k−b = −5,041667. De eigenwaarden zijn −0,306765 en −4,734902 per dag. De laatste snelle mode maakt een ruime stap onverstandig.
b
Een export haalt 3 g N weg, waarna hetzelfde licht terugkomt. Bereken het nieuwe evenwicht. Is herstel tot de oude A mogelijk?
M wordt 9 g N. R* blijft 1/7 g N, A* = (9−1/7)/1,5 = 5,904762 g N en D* = 2,952381 g N. Dat stabiele evenwicht is lager. De oude A* = 7,904762 zou met D* = A*/2 en hetzelfde R* weer 12 g N vragen: zonder retour niet mogelijk.
32.11
Habitat: twee soorten sluiten geen station
Uitdagen9Habitat65 min
Het team wil 'een stabiel gesloten ecosysteem' aantonen met een mooie prooi–predatorgrafiek. De bestaande woonmodule heeft twee bewoners en ventilatie volgens e14.
a
Schrijf een minimaal programma van model- en meeteisen met aparte gas-, voedingsstof- en energiegrenzen.
Een goed programma definieert per stof de voorraad in mol of kg, grensstromen met ventilatie/voedsel/oogst/afval, meettijd, onzekerheid en verliesposten. Gasbalans heeft afzonderlijke O₂ en CO₂ plus druk/temperatuur; voeding heeft algen/detritus/mineraal en export; energie heeft licht, elektriciteit en warmteverlies. Numerieke acceptatie toetst balansresiduen en stapconvergentie, biologische acceptatie vereist onafhankelijke echte meetproeven. Voor bewoners blijft ventilatie een werkelijke systeemstroom.
b
Werk een storingsmatrix uit voor lichtverlies, wegvallen van mineralisatie, oogstexport en een foutieve CO₂-sensor.
Lichtverlies: lager U, algenafname en veranderende gasbalans; toets hersteltijd en minimumvoorraad. Mineralisatie uit: detritus groeit en R kan uitputten; meet D/R, niet alleen A. Export: M daalt en evenwicht verschuift; boek H en retour. CO₂-sensorfout: vergelijk onafhankelijke kalibratie/druk/gasmeting en O₂; een laag CO₂-getal kan verlies van O₂ verbergen. Elke rij noemt detectie, veilige bestaande bedrijfsvoering en een onafhankelijke toets.
c
Formuleer een verdedigbare conclusie na alleen de synthetische proeven uit dit hoofdstuk.
Verdedigbaar: 'De didactische modellen zijn numeriek geverifieerd, met expliciete voorraad- en scenario-grenzen. De poolvariant herstelt na drie dagen duisternis bij terugkerend licht en zonder export. Dit bewijst geen bemande autonome materiële sluiting of werkelijke zuurstofcapaciteit van Habitat.' Benoem nog te meten processen en behoud de bestaande ventilatie.
Zo wordt dit beoordeeld
Grens
stoffen, gasdruk, ventilatie en energie afzonderlijk
Bewijs
numerieke verificatie en biologische validatie onderscheiden
Storingen
minstens vier fysisch uitgewerkte scenario's
Conclusie
geen autonoom bemand station uit twee fictieve populaties
32.12
Biosphere 2 als causale analyse
Uitdagen9Argumenteren40 min
Een samenvatting beweert: 'Beton verbruikte rechtstreeks alle zuurstof; daarom zijn gesloten ecosystemen onmogelijk.' Gebruik de primaire bronnen in het handboek.
a
Corrigeer het mechanisme met twee reacties en benoem de verborgen pool.
Microbiële respiratie verbruikt O₂: CH₂O + O₂ → CO₂ + H₂O. Carbonatatie neemt de geproduceerde CO₂ op: Ca(OH)₂ + CO₂ → CaCO₃ + H₂O. Koolstof eindigt onder meer als vast carbonaat in een bouwmateriaalpool. De directe O₂-verbruiker in deze verklaring is respiratie; CO₂-opname door beton maakt één luchtsensor onvoldoende.
b
Leg uit wat lage lekkage zichtbaar maakt en wat deze proef niet kan bewijzen.
Lage gasuitwisseling maskeert een traag intern onevenwicht minder door buitenlucht. De proef onthult ontbrekende koppelingen in een specifiek ontwerp. Zij bewijst geen algemene onmogelijkheid van iedere gesloten ecologische opzet; evenmin bewijst zij dat Habitat met de bestaande kleine teelt autonoom bemand kan functioneren. Energie-invoer en echte lek-/materiaalstromen horen expliciet in de conclusie.