← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Expert · Oplossingen · 33. Het lichaam als regelsysteem
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
E33. Het lichaam als regelsysteem — oplossingen
EExpert · deel E6 · Life sciences en bio-engineering

Oplossingen · hoofdstuk 33Het lichaam als regelsysteem

Homeostase begrijpen en meetketens beoordelen zonder een lesmodel voor een mens aan te zien

Uitgewerkte oplossingen bij de 14 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.

4× oefenen5× toepassen5× uitdagen± 530 min
Een demonstratie maakt meetketens zichtbaar; medische betrouwbaarheid vraagt ander bewijs dan een mooie simulatie.
Een demonstratie maakt meetketens zichtbaar; medische betrouwbaarheid vraagt ander bewijs dan een mooie simulatie.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen

Oefenen

één stap, direct toepassen
33.1

De richting van homeostase

Oefenen6Begrijpen25 min
Bekijk het generieke schema. Een glucosestijging verhoogt het insuline-effect, dat glucose verlaagt.
Regelcentrumverwerkt afwijkingEffectorhormoon / spierLichaamstoestandG, T, …Receptorenmeting + vertragingtegenwerking van de afwijkingreferentie / context
Negatief gaat over het teken van de volledige lus. Bij stijgende glucose neemt het insuline-effect toe en werkt de glucoseverandering tegen. Bij warmte regelen neurale en hormonale processen meerdere verschillende effectoren.
  1. a
    Geef de tekens van de twee werkingen en van de gehele lus. Geef een overeenkomstige thermische tegenwerking.
    Glucose → insuline-effect is positief; insuline-effect → glucose is negatief. Het product is negatief: de lus werkt de eerste verandering tegen. Een thermische voorbeeldlus is hogere temperatuur → meer extra warmteafvoer → lagere temperatuur. Tijdvertraging en begrenzing bepalen daarnaast of en hoe de lus stabiel is.
  2. b
    Leg het verschil uit tussen een fysiologische toestand, een sensorwaarde en een diagnose.
    De toestand is de lichamelijke grootheid in een bepaald compartiment, de sensor levert daarvan een plaats- en tijdgebonden schatting met fouten. Een diagnose vraagt klinische beoordeling en passende informatie; zij volgt niet automatisch uit één lesdrempel, simulatieparameter of plausibel monitorgetal.
33.2

Eenheden en de eerste hormoonstap

Oefenen6Rekenen25 min
Het eigen model gebruikt a = 0,020, b = 0,050, c = 0,040, d = 0,080 in de aangegeven minuut-eenheden. Start g = 3, i = 0, w = 0.
  1. a
    Bereken beide afgeleiden en één gelijktijdige Eulerstap van 1 min.
    mmol/(L·min) en relatieve eenheid/min. Na één minuut: g₁ = 2,94 en i₁ = 0,12; dus G₁ = 7,94 mmol/L. Beide volgen uit de oude toestand.
  2. b
    Leg uit waarom i = 0,12 geen insulinedosis is. Welke eenheid moet b hebben?
    i is een gekozen relatieve effectafwijking rond een basis; er is geen relatie tot toegediende eenheden insuline gekalibreerd. b draagt mmol/(L·min) per relatieve eenheid, zodat bi dezelfde eenheid heeft als de glucoseafgeleide.
  3. c
    Bereken g* en i* bij constant w = 0,06 mmol/(L·min).
    Uit 0 = cg−di volgt i* = (c/d)g* = 0,5g*. De eerste vergelijking geeft w = (a+bc/d)g* = 0,045g*. Dus g* = 1,333333 mmol/L en i* = 0,666667; G* = 6,333333 in deze lesvariant.
33.3

Warmte opslaan is een integraal

Oefenen6Rekenen25 min
Een fictieve eenknoopsmassa heeft C = 210 kJ/K. Extra vermogen is 50 W gedurende 60 min.
  1. a
    Bereken extra energie en de stijging zonder extra verlies. Bereken ook het gemiddelde vermogen van 10 MJ/dag.
    60 min = 3600 s. E = 50·3600 = 180 kJ; ΔT = 180/210 = 0,857143 K. 10 MJ/dag komt gemiddeld overeen met 10⁷/86400 = 115,740741 W. De grootheden zijn verschillende: energiestroom, opgeslagen energie en temperatuurverandering.
  2. b
    Waarom leveren deze getallen geen werkelijke bewonerkerntemperatuur?
    C is hier fictief, het lichaam is niet uniform, verlies en regeling veranderen, en de gemiddelde voedingsenergie is geen constante extra verwarming. Huid en kern hebben andere tijdschalen. De vergelijking toetst alleen de eigen onderwijsbalans.
33.4

RR en PP betekenen andere intervallen

Oefenen6Rekenen25 min
Elektrische R-tijden zijn 0,50; 1,30; 2,12 s. De drie optische vertragingen zijn 0,20; 0,23; 0,21 s.
  1. a
    Bereken R-R, optische piektijden en P-P. Controleer PP = RR + Δτ.
    RR = 0,80 en 0,82 s. Optische tijden zijn 0,70; 1,53; 2,33 s; PP = 0,83 en 0,80 s. De veranderingen in vertraging +0,03 en −0,02 geven inderdaad RR+Δτ = 0,83 en 0,80.
  2. b
    Bereken de gemiddelde frequentie van de twee intervalreeksen. Welke gevolgtrekking over gezondheid is toegestaan?
    ECG: 60/0,81 = 74,074074 slagen/min; PPG: 60/0,815 = 73,619632 pulsen/min. Het verschil ontstaat in deze synthetische data door vertraging; geen gezondheidsconclusie is ondersteund. Ook bij dezelfde gemiddelde frequentie zouden de intervalreeksen nog verschillen.
Toepassen

Toepassen

meerdere stappen, in een context
33.5

De gesloten hormoondynamiek afleiden

Toepassen7Analyseren35 min
Gebruik en met de eigen vier parameters.
  1. a
    Elimineer i, bereken spoor/determinant en leid de eigenwaarden af.
    Differentieer: g″ = −ag′−bi′ = −ag′−bcg+bd i. Uit bi = −g′−ag volgt g″ = −(a+d)g′−(ad+bc)g. Spoor −0,100 per min en determinant 0,0036 per min² geven λ²+0,100λ+0,0036=0, dus −0,050 ± 0,033166 i per min.
  2. b
    Controleer de analytische g-oplossing met g(0) en g′(0). Bereken G(20) en G(60).
    g = 3 exp(−0,05t)[cos(ωt)+(0,03/ω)sin(ωt)], ω² = 0,0011. Op nul geeft dit 3; g′(0)=3(−0,05+0,03)=−0,06, zoals de eerste vergelijking. G(20)=5+1,484291=6,484291 en G(60)=5+0,062614=5,062614 mmol/L. Deze modelwaarden zijn geen klinische referentiegrenzen.
33.6

Vertraging onderscheiden van ijkfout

Toepassen7Programmeren35 min
Gebruik glucose_lesmodel.py met de derde toestand gₘ en τ = 6 min.
  1. a
    Reproduceer de waarden op 20 min en bereken het metingsverschil. Waarom is het verschil tijdens de daling positief?
    Voer het script uit; lees z[round(20/0.25),2] = 1,923585 en exact(20)[0] = 1,484291. Voeg de basis 5 aan beide toe: 6,923585 en 6,484291. Verschil +0,439294 mmol/L. Een trage meting behoudt tijdens een daling nog meer van de eerdere hogere toestand.
  2. b
    Vergelijk met een vaste +0,20 mmol/L-bias. Wat gebeurt er in een constant eindpunt?
    Een constante bias geeft overal +0,20 boven de juiste toestand, ook in een constant eindpunt. Een pure eerste-orde-vertraging bereikt daar gm* = g*. In werkelijkheid kunnen beide tegelijk bestaan en kan het compartiment verschillen; een dynamische proef en een aparte kalibratie onderscheiden ze beter dan één stil meetpaar.
33.7

Temperatuurcompensatie en reserve

Toepassen7Analyseren40 min
Gebruik het lesmodel met C = 210 kJ/K, H = 8 W/K, kₚ = 40 W/K, τ = 120 s en u_max = 60 W.
030609012015018037,037,237,437,637,838,0tijd (min)modeltemperatuur (°C)met vertraagde negatieve feedbackzonder extra feedback u
Eén uniforme thermische knoop, vaste H en een begrensde vertraagde compensatie zijn eigen onderwijskeuzen. Beide lijnen blijven modelresultaten; zij voorspellen geen werkelijke kern-, huid- of koortstemperatuur.
  1. a
    Bereken het constante 50 W-evenwicht en de formele verzadigde uitkomst bij 120 W.
    50/(8+40) = 1,041667 K en u = 40x = 41,666667 W, dus niet verzadigd. Bij 120 W zou de onbegrensde u = 100 W zijn; met u = 60 W volgt formeel x = (120−60)/8 = 7,5 K. Dat laatste overschrijdt het lokale lesmodelgebied en voorspelt geen persoonstemperatuur.
  2. b
    Vergelijk op 60 min de geregelde en passieve proef. Verklaar waarom beide onder hun constante evenwicht kunnen liggen.
    Geregeld x = 0,592857 K; passief x = 0,800965 K. De constante-input-evenwichten zijn respectievelijk 1,041667 en 6,25 K, maar één uur is geen oneindige tijd. Warmtecapaciteit en effectorvertraging maken het bereiken traag. Na 60 min gaat de invoer uit en ontstaat een andere herstelbaan.
  3. c
    Noem twee ontbrekende lichaamstoestanden/processen die H en het regelbereik variabel maken.
    Bijvoorbeeld kern–huidkoppeling door veranderde doorbloeding en verdamping afhankelijk van vocht/lucht/contact. Ook spierwarmte, kleding en straling zijn variabel. Voor echte validatie meet je afzonderlijke locaties en stromen; een huidprobe wordt niet zonder bewijs als kernprobe gebruikt.
33.8

Een optische ratio toetsen

Toepassen7Rekenen30 min
Rood: AC = 0,020, DC = 1,000; IR: AC = 0,036, DC = 1,200. De fictieve kalibratie is 105−15R.
  1. a
    Bereken ratio en demo-uitkomst. Herhaal met rood AC = 0,024.
    Basis: (0,020/1)/(0,036/1,2) = 2/3; demo105−15·2/3 = 95 %. Tweede geval: 0,024/0,030 = 0,8; demo93 %. Het zijn ontworpen ratios, geen echte saturatiemetingen.
  2. b
    Deel beide AC's door 20. Bereken het getal vóór de kwaliteitstoets en verklaar waarom de code het weigert.
    De nieuwe genormaliseerde modulaties zijn 0,001 en 0,0015. Hun ratio blijft 2/3 en de ongecontroleerde formule geeft opnieuw 95 %. Beide vallen onder de eigen lesgrens 0,005, dus de code retourneert None met een kwaliteitsreden. Die drempel is geen medische perfusiegrens; echte ruis/kalibratie en populatievalidatie ontbreken.
33.9

Een monitorpakket beoordelen

Toepassen7Analyseren35 min
Voor een displayproef geldt een zelfgekozen maximale pakketleeftijd van 10 s. Dit is een informatiecontract, geen klinische alarmdeadline. Bekijk de vijf synthetische records op 08:00:20 UTC+1.
recordtijd UTC+1grootheidwaarde/status
A08:00:15PPG-pulsfrequentie74,7 / kwaliteit geldig
B08:00:02PPG-pulsfrequentie74,7 / kwaliteit geldig
C08:00:18PPG-pulsfrequentie81,5 / beweging
D08:00:19SpO₂-demoNaN / ongeldig
E08:00:18lucht-O₂20,9 % / geldig
  1. a
    Bepaal welke records actueel geldig zijn en welke juist een afzonderlijke status moeten krijgen.
    A is 5 s oud en geldig in dit beperkte contract. B is 18 s oud: verouderd, zichtbaar markeren. C is 2 s oud maar beweging maakt het niet geldig. D is niet-eindig en ongeldig. E is 2 s oud en een geldige omgevingsmeting, maar hoort niet bij de lichaamsmeting. Leeftijd en signaalkwaliteit zijn onafhankelijke voorwaarden.
  2. b
    Een programmeur middelt E met een SpO₂-getal en meldt 'gemiddelde zuurstof'. Corrigeer dit meetcontract.
    Lucht-O₂ is gasfractie in de woonmodule; SpO₂ is een optische hemoglobinesaturatieschatting. Hun percentages hebben verschillende definities. Bewaar afzonderlijke grootheid, plaats, apparaat, eenheid en kwaliteit; middelen verandert geen van beide in een zinvolle gemeenschappelijke zuurstofstatus.
Uitdagen

Uitdagen

transfer, open problemen, leerlijnen combineren
33.10

Wat is uit alleen G identificeerbaar?

Uitdagen9Onderzoeken45 min
Elimineer i in het lesmodel. Voor w = 0 blijft .
  1. a
    Welke parametercombinaties bepaalt een ideale g-baan? Toon een schaaltransformatie van b, c en i die dezelfde g geeft.
    De tweede-orde-baan bepaalt combinaties a+d en ad+bc, niet automatisch a,b,c,d apart. Kies s > 0 en ĩ = s i, b̃ = b/s, c̃ = sc, d̃ = d, ã = a. Dan is −b̃ĩ = −bi en ĩ′ = c̃g−d̃ĩ, terwijl b̃c̃ = bc gelijk blijft. Bij i(0)=0 blijft g′(0)=−ag(0) eveneens gelijk. De interne effectschaal is dus niet uit alleen g bepaald.
  2. b
    Waarom bewijst de variant c = 0,010 geen insulineresistentie of diagnose? Geef een bruikbare verdere onderzoeksgrens.
    c is een zelfgekozen relatieve versterking, geen gemeten klinische gevoeligheid. Onbekende aanvoer, compartimenten, andere hormonen, sensorvertraging en errors kunnen vergelijkbare G-verandering geven. Onderzoek met een gevalideerd model, onafhankelijke metingen en passend professioneel onderzoeksprotocol zou parameters moeten identificeren; deze cursus maakt uitsluitend een modelgevoeligheidsvergelijking.
33.11

Een ontbrekende of extra piek doorrekenen

Uitdagen9Programmeren50 min
Gebruik synthetisch_ecg_ppg.py. Vergelijk bekende synthetische tijden met de detector.
  1. a
    Verwijder één middelste geselecteerde ECG-piek. Bereken de frequentie opnieuw en leg uit wat met het betreffende RR-interval gebeurt.
    Bijvoorbeeld
    minder=np.delete(ir,5)
    rr_fout=np.diff(t[minder])
    print(60/np.mean(rr_fout))
    geeft 67,873303 slagen/min. De eerste en laatste tijd blijven 0,50 en 9,34 s, maar er zijn 10 in plaats van 11 intervallen over 8,84 s. Twee opeenvolgende intervallen worden samengevoegd tot een lang interval; de fout is geen werkelijke ritmeverandering.
  2. b
    Reproduceer de optische extra piek en de bewegingsvlag. Publiceer vóór en na correctie zowel frequentie als kwaliteitsstatus.
    Het programma geeft 12 gewone optische pieken en 13 na het artefact, met 81,521739 pulsen/min. De aparte vlag verwijdert de piek op 5,12 s; daarna zijn er 12 pieken en 74,728261 pulsen/min. Toon het afgekeurde venster en de reden; in een echte meting mag een ontbrekende puls niet automatisch vanuit het gewenste gemiddelde worden ingevuld. De vlag is alleen de hier gegeven synthetische waarheid.
  3. c
    Ontwerp een onafhankelijke vergelijking die een gemiddeld correcte maar intervalfoute detector ontdekt.
    Vergelijk elke gevonden gebeurtenis één-op-één met bekende referentietijden binnen een vooraf gekozen proeftolerantie. Rapporteer gemiste en extra pieken, tijdsfouten en alle RR-fouten naast gemiddelde frequentie. Het e33-voorbeeld heeft een PP−RR-afwijking tot 17,398 ms ondanks bijna gelijke gemiddelde frequentie. Voor medische claims blijft een andere onafhankelijke biologische validatie nodig.
33.12

Een gemiddelde fout kan een conditie verbergen

Uitdagen9Analyseren40 min
Twee fictieve testcondities hebben elk vier fouten in saturatieprocentpunten: A = [0,5;1,0;0,5;1,0], B = [2,0;3,0;2,0;3,0]. Dit zijn statistiekdata, geen echte personen of huidgroepen.
  1. a
    Bereken bias en RMS per conditie en de gezamenlijke RMS.
    A: bias 0,75 en RMS √(2,5/4) = 0,790569 procentpunten. B: bias 2,50 en RMS √(26/4) = 2,549510. Samen is de bias 1,625 en RMS √(28,5/8) = 1,887459. Het gunstige samengestelde getal verbergt een sterk verschillend foutpatroon.
  2. b
    Een rapport toont alleen de gezamenlijke RMS. Welke informatie ontbreekt voor een nauwkeurigheidsclaim?
    Rapporteer condities, proefpersonen/selectie, aantal onafhankelijke personen en herhalingen, referentiemethode, saturatiegebied, geweigerde resultaten, bias en spreiding per relevante groep. Werkelijke circulatie, beweging en huidpigmentatie mogen niet in één synthetische conditielabel worden weggepoetst. Deze acht getallen leveren geen validatie van een apparaat of FDA-specificatie onder alle omstandigheden.
  3. c
    Gebruik het zestienpuntenvoorbeeld uit het handboek om 'RMS≤3 betekent elke fout≤3' te weerleggen.
    Met één fout 8 en vijftien fouten 0 is RMS √(64/16) = 2, terwijl de grootste fout 8 bedraagt. Dus RMS ≤ 3 geeft wiskundig geen individuele harde grens. Ook een systematische groepsbias kan met een lage totale RMS blijven bestaan.
33.13

Een prothese op functie beoordelen

Uitdagen9Ontwerpen55 min
Een fictieve motorhand moet op een bank een massa van 0,150 kg op 0,060 m kunnen houden. De gebruiker moet beweging en contact kunnen waarnemen; dit is een onderwijsontwerp zonder persoonsgebruik.
GebruikerbewegingsintentieEMG + decoderkwaliteit / limietenMotor + handkracht / positieSensorfeedbackkracht / aanrakingmechanische grenzen
EMG is elektrische spieractiviteit, geen ECG. Deze architectuur toont een mogelijke terugkoppeling; zij specificeert geen implantatie, stimulatieparameter of voor een persoon veilige grijpkracht. Ook zicht kan een feedbackroute vormen.
  1. a
    Bereken het ideale statische koppel. Geef afzonderlijke mechanische, signaal- en gebruikersfunctie-eisen.
    mgℓ = 0,150 · 9,81 · 0,060 = 0,08829 N·m. Mechanisch: last, eigenmassa, wrijving, beweging, contactdruk en begrensde kracht. Signaal: EMG/positiesensor-kwaliteit, vertraging, storingsgedrag en decoder. Gebruikersfunctie: concrete taak, comfort en begrijpelijke feedback. Het ene koppel is geen complete pasvorm- of medische functie-eis.
  2. b
    Ontwerp een proef met en zonder feedback en drie vooraf vastgelegde uitkomstmaten. Neem een sensoruitvalscenario op.
    Een vergelijkbare bankproef gebruikt dezelfde objecten, gerandomiseerde volgorde en gelijk motorbereik. Vooraf vastleggen: taakvoltooiing/gevallen objecten, voltooiingstijd en contactkrachtfout of feedbackwaarneming. Vergelijk niet alleen één gunstige gemiddelde score. Bij sensoruitval volgt een vooraf benoemd begrensd stop-/vasthoudgedrag afhankelijk van de banktaak; toets dat los met een dummyobject. De menselijke en klinische vervolgproef vraagt apart passend bewijs.
  3. c
    In de primaire proef steeg SHAP bij S1 van 58 naar 71, significant, en bij S2 van 51 naar 55, niet significant. De feedbackproef kwam steeds als tweede. Schrijf een passende conclusie.
    Bijvoorbeeld: 'Objectdetectie en -manipulatie verbeterden binnen deze beperkte proef. De SHAP-score steeg bij beide deelnemers, met een statistisch significante uitkomst alleen bij S1. Omdat de feedbackconditie steeds later kwam, kan leren hebben bijgedragen; meer deelnemers en gerandomiseerde volgorde zijn nodig voor sterker causaal bewijs. De uitkomst bewijst geen gelijkwaardigheid met een natuurlijke hand.' Dit bewaart de deelnemeruitkomsten en beperkingen van Schiefer et al. Niet-significant bij S2 betekent ook niet dat elk mogelijk effect bewezen afwezig is.
Zo wordt dit beoordeeld
Eisenmechanica, signalen en functie afzonderlijk
Proefvergelijkbare voorwaarden, vooraf uitkomsten
Uitvalbegrensd bankgedrag daadwerkelijk toetsbaar
Conclusietaak/populatie/beperking precies
33.14

Habitat: een informatiecontract voor twee bewoners

Uitdagen9Habitat65 min
Het station krijgt een vrijwillige bewonersmonitor naast de bestaande e14-luchtbewaking. Het voorstel bevat geen behandelpad of implantaatbesturing.
  1. a
    Ontwerp de gegevensstructuur met identiteit/pseudoniem, grootheid, plaats, tijd UTC+1, versie en kwaliteit. Werk een voorbeeldrecord uit.
    Een passende structuur heeft bijvoorbeeld subject='B1', device='PPG-demo', quantity='perifere_pulsfrequentie', value=74.728261, unit='min⁻¹', measured_at='2026-09-30T08:00:15+01:00', window_s=10, sample_hz=250, algorithm='demo1', quality='synthetisch_geldig', source='gegenereerde_data'. Een echt record onderscheidt meetplaats en methode; de synthetische bron blijft expliciet. De ruwe signaalmetadata maken het resultaat reproduceerbaar.
  2. b
    Maak minstens vier testscenario's voor ouderdom, beweging, identiteit, verkeerde grootheid of netwerkuitval. Formuleer toetsbare verwachte uitkomsten.
    Test oud: buiten de gekozen displayleeftijd verschijnt 'verouderd', geen actuele herpublicatie. Beweging: kwaliteit ongeldig en geen nieuwe ratio/frequentieclaim in dat venster. Identiteitswissel: trendkoppeling blokkeren totdat de juiste subjectkoppeling vaststaat. Verkeerde grootheid: lucht-O₂ en SpO₂ kunnen niet in één reeks worden samengevoegd. Netwerk uit: centrale status onbekend/verouderd; medische apparatuur behoudt eigen lokale werking en gezag. Elke proef heeft concrete input, verwacht record/status en passcriterium.
  3. c
    Beschrijf toestemming, toegang, bewaartermijn en de conclusie die het prototype werkelijk mag tonen.
    Bewoners bepalen doel, vrijwilligheid, toegangsrollen en passende bewaartermijn; gevoelige gezondheidsgegevens worden niet vanzelf een publieke stationslog. De prototypeconclusie luidt bijvoorbeeld 'synthetische trend en meetkwaliteit getoond, geen medische diagnose of nauwkeurigheidsvalidatie'. Voor echte toepassing zijn passende medische apparatuur, validatie en professionele afspraken vereist; deze cursus kiest geen universele sensor-/diagnosedrempel.
Zo wordt dit beoordeeld
Metadatapersoon, grootheid, plaats, tijd, bron en versie
Kwaliteitinvalid/stale/identity apart zichtbaar
Grensgeen lucht/lichaam-menging of implantaatgezag
Mensvrijwilligheid, doel, toegang en bewijsgrens