← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Intermediate · Werkboek · 34. Enzymen en stofwisseling
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
I34. Enzymen en stofwisseling — werkboek
IIntermediate · deel I9 · Leven en biotechnologie

Werkboek · hoofdstuk 34Enzymen en stofwisseling

Waarom een cel niet ontploft en niet stilvalt: katalysatoren met een optimum, en de weg van licht naar ATP

Je begint met de begrippen, een energiediagram, reactievergelijkingen en rekenen met Q10. In de tweede trede meet je zelf met katalase (temperatuur en pH), haal je Vmax en Km uit metingen, reken je met ATP en pas je het enzymmodel in Python aan. In de uitdagingen stel je de temperatuurstrategie van de kweekruimte op (opdracht 34.13), onderzoek je wat de bewoner verbrandt, ontwerp je een proef met wasmiddelenzymen, debatteer je over wassen op 30 °C, en ontdek je dat denaturatie tijd vraagt.

5× oefenen7× toepassen5× uitdagen± 449 min0/17 gedaan
Een schijfje aardappel in waterstofperoxide: het enzym katalase maakt in seconden wat anders maanden duurt.
Een schijfje aardappel in waterstofperoxide: het enzym katalase maakt in seconden wat anders maanden duurt.
Hoe lees je een opdracht?
Drie tredenOefenen Toepassen Uitdagen

Elk hoofdstuk bouwt op: eerst oefenen (één stap, direct toepassen), dan toepassen (meerdere stappen, in een context), dan uitdagen (transfer, open problemen, andere leerlijnen erbij).

De StemExpert-schaal5

Eén moeilijkheidsschaal van 1 tot 9 over de drie niveaus heen: Fundamental loopt van 1 tot 4, Intermediate van 3 tot 7, Expert van 6 tot 9. Zo zie je dat de uitdaging van het ene niveau de oefening van het volgende is.

Oefenen

Oefenen

één stap, direct toepassen
34.1

Wie doet wat?

Oefenen3Begrijpen10 min
Enzymen, substraten en de begrippen errond.
  1. a
    Vul aan: een enzym is een dat een reactie versnelt door de te verlagen. Het substraat bindt in het . Na de reactie is het enzym .
  2. b
    Welk enzym hoort bij welk substraat? Katalase, amylase, lactase, pepsine; zetmeel, eiwit, waterstofperoxide, melksuiker.
  3. c
    Waarom breekt amylase geen cellulose af, al bestaan zetmeel en cellulose allebei uit glucose-eenheden?
  4. d
    Een leerling zegt: 'Na de proef is het katalase in de aardappel op.' Klopt dat? Hoe zou je het testen?
34.2

Een energiediagram tekenen

Oefenen3Tekenen12 min
Amylase breekt zetmeel af tot maltose. De reactie geeft een beetje energie af.
  1. a
    Teken het energiediagram van de reactie zonder en met amylase. Duid aan: beginstoffen, producten, activeringsenergie (twee keer), vrijgekomen energie.
  2. b
    Welke van deze grootheden verandert door het enzym, en welke niet?
34.3

Vergelijkingen van het leven

Oefenen3Rekenen15 min
Maak kloppend en zeg telkens of er zuurstof nodig is.
  1. a
    (a)
  2. b
    (b)
  3. c
    (c)
  4. d
    (d) (sacharose wordt door invertase gesplitst in glucose en fructose, die dezelfde formule hebben)
  5. e
    (e) Hoeveel gram koolstofdioxide maakt een gistcel uit 1,00 g glucose bij gisting, en hoeveel bij celademhaling?
34.4

Rekenen met Q10

Oefenen4Rekenen15 min
Gebruik , zolang je onder het optimum blijft.
  1. a
    Een enzymreactie verloopt bij 25 °C met 8,0 µmol/min; Q10 = 2,0. Hoe snel bij 35 °C, bij 15 °C en bij 5 °C?
  2. b
    Een gesneden appel kleurt bij 20 °C in 20 minuten bruin (een enzym, polyfenoloxidase). Hoe lang duurt dat in de koelkast bij 4 °C als Q10 = 2,0?
  3. c
    Een meting: bij 10 °C 3,0 µmol/min, bij 30 °C 13,5 µmol/min. Bereken Q10.
Hint
Bij (c): over 20 °C is de factor Q10². Neem daarna de vierkantswortel.
34.5

pH-grafieken lezen

Oefenen4Analyseren12 min
Gebruik de grafiek.
012345678910111213140,00,20,40,60,81,01,2pHactiviteit (relatief)2,06,88,0pepsine (maag)amylase (speeksel)trypsine (dunne darm)
Model van de pH-afhankelijkheid van drie spijsverteringsenzymen.
  1. a
    Bij welke pH werkt elk enzym het best? Welk enzym werkt nog voor meer dan de helft bij pH 7,5?
  2. b
    Je slikt een hap brood: amylase uit je speeksel knipt zetmeel. Wat gebeurt er met die werking als het brood in je maag (pH ongeveer 2) komt? Is dat blijvend?
  3. c
    Waarom zou het geen zin hebben een pepsinepil te slikken bij een tekort aan trypsine?
Toepassen

Toepassen

meerdere stappen, in een context
34.6

Labo: katalase en temperatuur

Toepassen5Labo50 min
Voer de proef van het handboek uit met aardappel (of lever) en waterstofperoxide 3 %, bij minstens zes temperaturen tussen 0 en 70 °C. Werk met drie herhalingen per temperatuur.
  1. a
    Welke veranderlijke verander je, welke meet je, en welke hou je gelijk (minstens vier)?
  2. b
    Meet en noteer.
    T (°C)meting 1 (mm)meting 2 (mm)meting 3 (mm)gemiddelde (mm)
  3. c
    Teken de grafiek (temperatuur horizontaal) met foutbalken van de spreiding. Waar ligt het optimum?
  4. d
    Bereken Q10 tussen 10 en 30 °C. Verklaar het verloop onder en boven het optimum met de twee effecten.
Zo wordt dit beoordeeld
Eerlijke proefZelfde massa en oppervlak aardappel, zelfde volume en concentratie, zelfde wachttijd, zelfde afleesmoment.
MetingenDrie herhalingen, gemiddelde en spreiding, eenheden in de kop.
GrafiekAssen met grootheid en eenheid, foutbalken, vloeiende lijn met een top.
VerklaringBotsingen onder het optimum (Q10 ± 2), denaturatie erboven; invloed van de voorverwarmtijd vermeld.
34.7

Onderzoek: drijvende schijfjes en de pH

Toepassen5Onderzoeken50 min
Een rondje filtreerpapier gedrenkt in aardappelsap zinkt in waterstofperoxide. Het zuurstofgas dat het katalase maakt, blijft aan het papier hangen tot het schijfje boven komt drijven. Hoe sneller het enzym, hoe korter de tijd. De snelheid is dus evenredig met 1 / tijd. Onderzoek de invloed van de pH: meng de waterstofperoxide met azijn, kraanwater of een oplossing van natriumwaterstofcarbonaat (of met buffers van pH 4, 5, 6, 7, 8, 9).
  1. a
    Formuleer een onderzoeksvraag en een hypothese met een verklaring.
  2. b
    Beschrijf je werkwijze in stappen, met de veiligheidsmaatregelen.
  3. c
    Meet en bereken de snelheid 1 / t (in 1/s).
    pHt1 (s)t2 (s)t3 (s)gemiddelde t (s)1 / t (1/s)
  4. d
    Zet 1 / t uit tegen de pH en trek een besluit. Wat is het pH-optimum van aardappelkatalase?
Zo wordt dit beoordeeld
Vraag en hypotheseToetsbaar, met een verwachte vorm (optimum rond pH 7) en een verklaring (ladingen, vorm).
WerkwijzeZelfde schijfjes en sap, zelfde volume, pH gemeten met een pH-meter of papier, drie herhalingen.
VerwerkingSnelheid als 1 / t, gemiddelde, grafiek met een optimum.
KritischGrenzen: pH verandert door het sap, bubbels die loslaten, schijfjes die aan de wand kleven.
34.8

Vmax en Km uit metingen

Toepassen5Analyseren20 min
Een groep meet de snelheid van invertase (splitst sacharose) bij verschillende sacharoseconcentraties, telkens met dezelfde hoeveelheid enzym:
[S] (mmol/L)2510204080160
v (µmol/min)1,73,45,16,88,18,89,5
  1. a
    Zet de metingen in een grafiek. Schat Vmax en Km.
  2. b
    Controleer je schatting: bereken met je Vmax en Km de snelheid bij 20 mmol/L en vergelijk met de meting.
  3. c
    De groep herhaalt de reeks met de helft van de hoeveelheid enzym. Wat verwacht je voor Vmax en voor Km? Schets de nieuwe kromme.
Hint
Vmax is de waarde waar de kromme naartoe gaat, niet de hoogste meting. Km is de concentratie bij Vmax / 2.
34.9

Een enzymketen met een rem

Toepassen5Begrijpen15 min
Een bacterie maakt het aminozuur D uit A, in drie stappen.
stof AE1stof BE2stof CE3stof D−remteindproduct D remt het eerste enzym E1: negatieve terugkoppeling
Een keten van drie enzymen; het eindproduct D remt E1.
  1. a
    Wat gebeurt er met de hoeveelheid B, C en D als de bacterie in een voedingsbodem terechtkomt die veel D bevat? Waarom is dat zuinig?
  2. b
    Waarom remt D het eerste enzym, en niet het laatste?
  3. c
    Teken dit als een blokschema van een regelkring (hoofdstuk 31): wat is de sensor, de regelaar, de actuator, het proces?
34.10

ATP: van glucose tot spier

Toepassen5Rekenen20 min
Gebruik: 30 ATP per glucose bij celademhaling, 2 bij gisting of melkzuurvorming; 30,5 kJ per mol ATP; 2803 kJ per mol glucose.
  1. a
    Hoeveel gram glucose heeft een cel nodig voor 1,0 mol ATP met celademhaling? En zonder zuurstof?
  2. b
    Welk deel van de energie van glucose komt in ATP terecht bij celademhaling en bij melkzuurvorming?
  3. c
    Een gistcel in een afgesloten fles zonder zuurstof: waarom breekt ze veel meer suiker af dan in een fles met lucht, en wat merk je daarvan?
34.11

Koorts, koelkast en blancheren

Toepassen5Begrijpen15 min
Drie situaties uit het dagelijks leven, met enzymen in de hoofdrol.
  1. a
    Waarom is koorts van 39 °C meestal niet erg, maar 42 °C levensgevaarlijk? Gebruik de grafiek van het menselijke enzym.
  2. b
    Waarom bederft vers vlees in de koelkast pas na enkele dagen, maar bij 30 °C al na enkele uren?
  3. c
    Groenten blancheer je 2 à 3 minuten in kokend water voor je ze invriest. Waarom helpt dat, en waarom helpt invriezen alleen niet voor altijd?
34.12

Python: het enzymmodel aanpassen

Toepassen5Programmeren25 min
Neem enzymmodel.py uit het handboek.
  1. a
    Voeg een parameter Ea toe aan snelheid en bereken het optimum van het menselijke enzym (Tm = 45) met Ea = 30 000, 50 000 en 80 000 J/mol. Wat verandert er?
  2. b
    Bereken voor Ea = 50 000 J/mol de factor tussen 20 en 30 °C. Hoe groot is Q10 in het model?
  3. c
    Voorspel eerst en controleer dan: verschuift het optimum als dH groter wordt (het enzym ontvouwt 'plotser')?
Uitdagen

Uitdagen

transfer, open problemen, leerlijnen combineren
34.13

Habitat: de temperatuurstrategie van de kweekruimte

Uitdagen7Habitat60 min
De kweekruimte van de klimaatmodule: 48 kroppen sla bij 200 µmol/(m²·s), 16 uur licht. De regeling van hoofdstuk 31 houdt nu 18/19 °C overdag en 16/17 °C 's nachts. Een teamlid stelt voor overdag naar 24 °C te gaan ('enzymen werken sneller'), een ander wil 's nachts naar 14 °C ('scheelt stookkosten'). Gebruik het model van het handboek en de gegevens: warmteverlies van de module 20,2 W/K (hoofdstuk 19); de lampen geven overdag 190 W warmte af; voedingsoplossing 60 L, NTC op A0.
10121416182022242628303202468101214temperatuur overdag (°C)dagbalans (relatieve eenheden)18,5 °Cnacht 16,5 °Cnacht 21 °C
Model uit het handboek: dagbalans van de sla bij twee nachttemperaturen.
  1. a
    Lees uit de grafiek hoeveel procent van de optimale dagbalans de sla haalt bij 18,5 °C en bij 24 °C overdag (nacht 16,5 °C). Wat vind je van het voorstel van 24 °C?
  2. b
    Bereken met de formule voor de ademhaling hoeveel minder de sla 's nachts ademt bij 14 °C dan bij 16,5 °C, en hoeveel warmte de module per nacht bespaart (8 h).
  3. c
    Noem twee risico's van 14 °C 's nachts die het model niet toont.
  4. d
    De voedingsoplossing warmt op een zomerdag op tot 26 °C. Waarom is dat een probleem? Stel twee maatregelen voor en een alarmregel voor de microcontroller.
  5. e
    Schrijf je advies (vijf regels) met de grenzen voor dag, nacht en reservoir, en hoe je na een teelt controleert of het goed was.
Zo wordt dit beoordeeld
Model gebruiktWaarden correct uit de grafiek en de formule; eenheden; het verschil tussen bruto, netto en dagbalans begrepen.
EnergieBesparing met 20,2 W/K × ΔT × 8 h correct; vergeleken met het dagbudget.
Grenzen van het modelSchieten en randjes boven ± 24 °C, koude en condens onder ± 15 °C, trage groei; zuurstof en wortelrot in het reservoir.
AdviesConcrete grenzen met hysterese, een alarmregel, en een meetbare controle (versgewicht per krop, logboek).
34.14

Wat verbrandt de bewoner?

Uitdagen6Analyseren25 min
Het ademhalingsquotiënt verandert met wat je eet en doet. Een onderzoeker meet bij een bewoner in rust 0,30 L zuurstof per minuut en 0,24 L koolstofdioxide per minuut, en na een koolhydraatrijke maaltijd 0,30 L zuurstof en 0,29 L koolstofdioxide per minuut. Gassen bij dezelfde temperatuur en druk: gelijke volumes bevatten evenveel mol (hoofdstuk 14).
  1. a
    Bereken RQ in beide situaties. Waarom mag je hier met liters rekenen in plaats van met mol?
  2. b
    Wat verbrandt de bewoner vooral in rust, en na de maaltijd?
  3. c
    Hoeveel energie verbruikt de bewoner per dag in rust, als de verbranding ongeveer 20 kJ per liter zuurstof oplevert? Vergelijk met de 10 MJ uit F29.
  4. d
    Het station regelt de CO2 met een filter en de O2 met een zuurstofgenerator. Waarom moeten ingenieurs het RQ van de bewoners kennen?
34.15

Ontwerp: een proef met wasmiddelenzymen

Uitdagen6Ontwerpen45 min
Een fabrikant beweert dat zijn wasmiddel 'op 20 °C even goed wast als op 40 °C' dankzij enzymen. Je hebt: het wasmiddel, een gewoon wasmiddel zonder enzymen, eiwitvlekken (eigeel of melk op katoenen lapjes), bekers, waterbaden en een smartphone om de lapjes te fotograferen.
  1. a
    Formuleer een onderzoeksvraag en een toetsbare hypothese.
  2. b
    Ontwerp de proef: welke groepen, welke veranderlijke, wat hou je gelijk, hoeveel herhalingen, welke controlegroep?
  3. c
    Hoe meet je 'hoe schoon' objectief (niet 'op het zicht')?
  4. d
    Welk resultaat zou de bewering van de fabrikant tegenspreken?
Zo wordt dit beoordeeld
VraagToetsbaar, met één veranderlijke per vergelijking.
OntwerpVier groepen (met/zonder enzymen × 20/40 °C), zelfde lapjes en vlekken, zelfde tijd en dosis, minstens drie herhalingen, blanco lapje.
MetenObjectieve maat: foto onder dezelfde belichting, grijswaarde of kleur van de vlek met een app of Python, vóór en na.
BesluitDuidelijk wat de bewering bevestigt of tegenspreekt, met de grenzen van de proef.
34.16

Debat: wassen op 30 °C

Uitdagen6Argumenteren30 min
Stelling: 'Alle wasmachines zouden standaard op 30 °C moeten wassen.' Gegevens (orde van grootte): een wasbeurt op 60 °C kost ongeveer 1,0 kWh, op 30 °C ongeveer 0,4 kWh; een gezin wast ongeveer 200 keer per jaar; enzymen werken tot ongeveer 40 °C en zijn gemaakt met micro-organismen (hoofdstuk 35); sommige ziekteverwekkers overleven 30 °C.
  1. a
    Bereken de besparing per gezin per jaar in kWh en in euro (€ 0,30 per kWh).
  2. b
    Geef twee argumenten voor en twee tegen de stelling. Gebruik wat je over enzymen weet.
  3. c
    Formuleer een genuanceerd standpunt in drie zinnen.
Zo wordt dit beoordeeld
Berekening120 kWh en € 36 per jaar, met eenheden.
ArgumentenWetenschappelijk juist (enzymoptimum, hygiëne), voor en tegen.
StandpuntGenuanceerd: standaard 30 °C, uitzonderingen benoemd.
34.17

Denaturatie vraagt tijd

Uitdagen7Analyseren30 min
Een groep laat aardappelschijfjes een tijd in een bad van 55 °C liggen en meet daarna de activiteit bij 25 °C (in procent van niet-verwarmde schijfjes). Bij 45 °C valt de activiteit ook, maar veel trager: na 20 minuten is er de helft over.
0246810120102030405060708090100110tijd in het waterbad van 55 °C (min)activiteit daarna bij 25 °C (%)voorbeeldmeting
Voorbeeldmeting: katalase dat een tijd bij 55 °C stond, gemeten bij 25 °C.
  1. a
    Toon aan dat de activiteit exponentieel daalt (hoofdstuk 5). Bepaal de halveringstijd bij 55 °C.
  2. b
    In de proef van het handboek lagen de schijfjes 5 minuten in het bad. Hoeveel procent van het enzym was bij 55 °C al kapot vóór de meting begon?
  3. c
    Een tweede groep laat de schijfjes 30 minuten voorverwarmen. Verschuift hun optimum naar hoger of naar lager? Leg uit.
Hint
Bij exponentieel verval is de verhouding tussen twee opeenvolgende metingen met dezelfde tijdstap constant.
ZelfevaluatieKleur per doel: lukt al / bijna / nog niet