Oplossingen · hoofdstuk 34Enzymen en stofwisseling
Waarom een cel niet ontploft en niet stilvalt: katalysatoren met een optimum, en de weg van licht naar ATP
Uitgewerkte oplossingen bij de 17 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Waarom breekt amylase geen cellulose af, al bestaan zetmeel en cellulose allebei uit glucose-eenheden?
De glucose-eenheden zijn in cellulose anders aan elkaar gebonden, waardoor de keten een andere vorm heeft. Die past niet in het actieve centrum van amylase: enzymen zijn specifiek.
d
Een leerling zegt: 'Na de proef is het katalase in de aardappel op.' Klopt dat? Hoe zou je het testen?
Nee: het enzym wordt niet verbruikt. Test: haal de schijfjes uit de cilinder, spoel ze, en leg ze in verse waterstofperoxide. Ze schuimen opnieuw (iets minder, omdat een deel van het enzym beschadigd of uitgelekt is). In de eerste cilinder stopt het schuimen omdat het substraat op is.
34.2
Een energiediagram tekenen
Oefenen3Tekenen12 min
Amylase breekt zetmeel af tot maltose. De reactie geeft een beetje energie af.
a
Teken het energiediagram van de reactie zonder en met amylase. Duid aan: beginstoffen, producten, activeringsenergie (twee keer), vrijgekomen energie.
Twee bergjes vanuit hetzelfde beginniveau naar hetzelfde, iets lagere eindniveau; het bergje met enzym is lager. Pijlen van het beginniveau tot de top (activeringsenergie), en van begin- naar eindniveau (vrijgekomen energie).
b
Welke van deze grootheden verandert door het enzym, en welke niet?
Alleen de activeringsenergie wordt kleiner. Beginstoffen, producten en de vrijgekomen energie blijven gelijk.
34.3
Vergelijkingen van het leven
Oefenen3Rekenen15 min
Maak kloppend en zeg telkens of er zuurstof nodig is.
Een gesneden appel kleurt bij 20 °C in 20 minuten bruin (een enzym, polyfenoloxidase). Hoe lang duurt dat in de koelkast bij 4 °C als Q10 = 2,0?
Trager met een factor 21,6=3,03: 20⋅3,03=61min, ongeveer een uur. (Citroensap werkt nog beter: de lage pH remt het enzym.)
c
Een meting: bij 10 °C 3,0 µmol/min, bij 30 °C 13,5 µmol/min. Bereken Q10.
13,5/3,0=4,5=Q102, dus Q10=4,5=2,1.
34.5
pH-grafieken lezen
Oefenen4Analyseren12 min
Gebruik de grafiek.
Model van de pH-afhankelijkheid van drie spijsverteringsenzymen.
a
Bij welke pH werkt elk enzym het best? Welk enzym werkt nog voor meer dan de helft bij pH 7,5?
Pepsine rond 2,0, amylase rond 6,8, trypsine rond 8,0. Bij pH 7,5: amylase (± 0,89) en trypsine (± 0,95).
b
Je slikt een hap brood: amylase uit je speeksel knipt zetmeel. Wat gebeurt er met die werking als het brood in je maag (pH ongeveer 2) komt? Is dat blijvend?
In de maag valt amylase stil: bij pH 2 is de activiteit bijna nul. Bij zo'n extreme pH denatureert het enzym grotendeels, en pepsine knipt het bovendien in stukken (het is zelf een eiwit): de werking komt niet terug.
c
Waarom zou het geen zin hebben een pepsinepil te slikken bij een tekort aan trypsine?
Pepsine werkt niet bij de pH van de dunne darm (± 8): daar is het vrijwel inactief. Elk enzym werkt op zijn eigen plek.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
34.6
Labo: katalase en temperatuur
Toepassen5Labo50 min
Voer de proef van het handboek uit met aardappel (of lever) en waterstofperoxide 3 %, bij minstens zes temperaturen tussen 0 en 70 °C. Werk met drie herhalingen per temperatuur.
a
Welke veranderlijke verander je, welke meet je, en welke hou je gelijk (minstens vier)?
Veranderen: temperatuur. Meten: schuimhoogte na 30 s. Gelijk houden: aantal en dikte van de schijfjes (zelfde aardappel), volume en concentratie waterstofperoxide, druppel afwasmiddel, tijd in het bad (5 min), afleesmoment, soort maatcilinder.
b
Meet en noteer.
Typisch zoals de voorbeeldmeting: stijgend tot 35 à 45 °C, daarna snel dalend; bij 70 °C bijna niets.
c
Teken de grafiek (temperatuur horizontaal) met foutbalken van de spreiding. Waar ligt het optimum?
Een top tussen 35 en 45 °C. Foutbalken van enkele mm; bij hoge temperaturen vaak de grootste spreiding (het enzym gaat snel kapot).
d
Bereken Q10 tussen 10 en 30 °C. Verklaar het verloop onder en boven het optimum met de twee effecten.
Bv. 29/9=3,2 over 20 °C, dus Q10=3,2=1,8. Onder het optimum: meer en krachtiger botsingen. Erboven: het enzym verliest zijn vorm (denaturatie), het actieve centrum past niet meer.
Zo wordt dit beoordeeld
Eerlijke proef
Zelfde massa en oppervlak aardappel, zelfde volume en concentratie, zelfde wachttijd, zelfde afleesmoment.
Metingen
Drie herhalingen, gemiddelde en spreiding, eenheden in de kop.
Grafiek
Assen met grootheid en eenheid, foutbalken, vloeiende lijn met een top.
Verklaring
Botsingen onder het optimum (Q10 ± 2), denaturatie erboven; invloed van de voorverwarmtijd vermeld.
34.7
Onderzoek: drijvende schijfjes en de pH
Toepassen5Onderzoeken50 min
Een rondje filtreerpapier gedrenkt in aardappelsap zinkt in waterstofperoxide. Het zuurstofgas dat het katalase maakt, blijft aan het papier hangen tot het schijfje boven komt drijven. Hoe sneller het enzym, hoe korter de tijd. De snelheid is dus evenredig met 1 / tijd. Onderzoek de invloed van de pH: meng de waterstofperoxide met azijn, kraanwater of een oplossing van natriumwaterstofcarbonaat (of met buffers van pH 4, 5, 6, 7, 8, 9).
a
Formuleer een onderzoeksvraag en een hypothese met een verklaring.
Bv. 'Hoe hangt de snelheid van aardappelkatalase af van de pH?' Hypothese: een optimum rond pH 7, trager in zuur en basisch milieu, omdat de ladingen en de vorm van het actieve centrum veranderen.
b
Beschrijf je werkwijze in stappen, met de veiligheidsmaatregelen.
Bv.: sap maken (aardappel pureren met water, filtreren); schijfjes met een perforator; pH van elke oplossing meten; 20 mL oplossing in een bekerglas; schijfje 5 s in het sap, afdruipen, in de oplossing laten vallen, tijd meten tot het boven drijft; drie keer per pH. Bril; azijn en natriumwaterstofcarbonaat zijn huishoudstoffen, buffers volgens het etiket.
c
Meet en bereken de snelheid 1 / t (in 1/s).
Typisch: bij pH 7 het snelst (bv. 12 s), bij pH 4 en 9 duidelijk trager (30-60 s), bij extreme pH drijven ze soms niet.
d
Zet 1 / t uit tegen de pH en trek een besluit. Wat is het pH-optimum van aardappelkatalase?
Een klokvormige grafiek met een top rond pH 7 (aardappelkatalase: ongeveer 7). Besluit met de grenzen van de meting.
Zo wordt dit beoordeeld
Vraag en hypothese
Toetsbaar, met een verwachte vorm (optimum rond pH 7) en een verklaring (ladingen, vorm).
Werkwijze
Zelfde schijfjes en sap, zelfde volume, pH gemeten met een pH-meter of papier, drie herhalingen.
Verwerking
Snelheid als 1 / t, gemiddelde, grafiek met een optimum.
Kritisch
Grenzen: pH verandert door het sap, bubbels die loslaten, schijfjes die aan de wand kleven.
34.8
Vmax en Km uit metingen
Toepassen5Analyseren20 min
Een groep meet de snelheid van invertase (splitst sacharose) bij verschillende sacharoseconcentraties, telkens met dezelfde hoeveelheid enzym:
[S] (mmol/L)
2
5
10
20
40
80
160
v (µmol/min)
1,7
3,4
5,1
6,8
8,1
8,8
9,5
a
Zet de metingen in een grafiek. Schat Vmax en Km.
De kromme vlakt af naar ongeveer 10 µmol/min: Vmax≈10. De helft (5) wordt gehaald rond 10 mmol/L: Km≈10mmol/L.
b
Controleer je schatting: bereken met je Vmax en Km de snelheid bij 20 mmol/L en vergelijk met de meting.
v=10⋅20/(10+20)=6,7μmol/min; gemeten 6,8. De schatting past.
c
De groep herhaalt de reeks met de helft van de hoeveelheid enzym. Wat verwacht je voor Vmax en voor Km? Schets de nieuwe kromme.
Vmax halveert (de helft van de actieve centra), Km blijft gelijk (het gaat om hoe goed één enzymmolecule het substraat bindt). De nieuwe kromme heeft dezelfde vorm, maar is overal half zo hoog.
34.9
Een enzymketen met een rem
Toepassen5Begrijpen15 min
Een bacterie maakt het aminozuur D uit A, in drie stappen.
Een keten van drie enzymen; het eindproduct D remt E1.
a
Wat gebeurt er met de hoeveelheid B, C en D als de bacterie in een voedingsbodem terechtkomt die veel D bevat? Waarom is dat zuinig?
D uit de omgeving remt E1: er wordt weinig B, C en D meer gemaakt. De bacterie verspilt geen A en geen energie aan iets dat ze al heeft.
b
Waarom remt D het eerste enzym, en niet het laatste?
Remt D het laatste enzym, dan stapelen B en C zich op: verspilde grondstof en energie, en misschien schadelijke tussenproducten. Remmen aan het begin houdt de hele keten stil.
c
Teken dit als een blokschema van een regelkring (hoofdstuk 31): wat is de sensor, de regelaar, de actuator, het proces?
Proces: de keten (A naar D). Gemeten grootheid: de concentratie D. 'Sensor' en 'regelaar' zitten samen in E1: de plek waar D bindt. Actuator: de activiteit van E1. Negatieve terugkoppeling: meer D geeft minder aanmaak.
34.10
ATP: van glucose tot spier
Toepassen5Rekenen20 min
Gebruik: 30 ATP per glucose bij celademhaling, 2 bij gisting of melkzuurvorming; 30,5 kJ per mol ATP; 2803 kJ per mol glucose.
a
Hoeveel gram glucose heeft een cel nodig voor 1,0 mol ATP met celademhaling? En zonder zuurstof?
Celademhaling: 1,0/30=0,033mol glucose =6,0g. Zonder zuurstof: 1,0/2=0,50mol=90g.
b
Welk deel van de energie van glucose komt in ATP terecht bij celademhaling en bij melkzuurvorming?
Celademhaling: 30⋅30,5/2803=0,33, een derde. Melkzuur: 2⋅30,5/2803=0,022: 2 %; de rest zit nog in het melkzuur.
c
Een gistcel in een afgesloten fles zonder zuurstof: waarom breekt ze veel meer suiker af dan in een fles met lucht, en wat merk je daarvan?
Zonder zuurstof levert elke glucose maar 2 ATP in plaats van 30: voor dezelfde energie moet ze 15 keer zoveel suiker afbreken. Je ziet veel meer CO2-belletjes, en er ontstaat alcohol (de basis van bier, wijn en brood, hoofdstuk 35).
34.11
Koorts, koelkast en blancheren
Toepassen5Begrijpen15 min
Drie situaties uit het dagelijks leven, met enzymen in de hoofdrol.
a
Waarom is koorts van 39 °C meestal niet erg, maar 42 °C levensgevaarlijk? Gebruik de grafiek van het menselijke enzym.
Bij 39 °C werken de enzymen nog (vlak onder het optimum van ± 41 °C in het model). Boven ongeveer 41 °C begint het ontvouwen: in het model is bij 42 °C al 19 % van de enzymen zijn vorm kwijt, en dat gaat bij hogere temperaturen snel. Cellen raken blijvend beschadigd.
b
Waarom bederft vers vlees in de koelkast pas na enkele dagen, maar bij 30 °C al na enkele uren?
Bederf is het werk van bacteriën en van enzymen. In de koelkast (4 °C) werken ze ongeveer 3 à 5 keer trager dan bij 20 °C, en veel bacteriën groeien er bijna niet (hoofdstuk 35). Bij 30 °C werken ze nog eens twee keer sneller dan bij 20 °C, en bacteriën verdubbelen er om het halfuur.
c
Groenten blancheer je 2 à 3 minuten in kokend water voor je ze invriest. Waarom helpt dat, en waarom helpt invriezen alleen niet voor altijd?
Kort koken denatureert de enzymen van de groente zelf. Invriezen vertraagt enzymen, maar denatureert ze niet: na maanden zouden ze toch kleur, smaak en vitaminen afbreken. Na het blancheren zijn ze kapot.
34.12
Python: het enzymmodel aanpassen
Toepassen5Programmeren25 min
Neem enzymmodel.py uit het handboek.
a
Voeg een parameter Ea toe aan snelheid en bereken het optimum van het menselijke enzym (Tm = 45) met Ea = 30 000, 50 000 en 80 000 J/mol. Wat verandert er?
def snelheid(t, Tm, Ea=50000, dH=400000):
return botsingen(t, Ea) * juiste_vorm(t, Tm, dH)
for Ea in (30000, 50000, 80000):
t_opt = max(temps, key=lambda t: snelheid(t, 45, Ea))
print(Ea, t_opt)
Het optimum schuift iets op met Ea: van 39,8 °C (30 kJ/mol) via 41,0 °C naar 42,1 °C (80 kJ/mol). Hoe steiler de Arrhenius-stijging, hoe meer het loont nog iets warmer te gaan, en hoe groter het deel ontvouwen enzym aan de top (Ea / dH).
b
Bereken voor Ea = 50 000 J/mol de factor tussen 20 en 30 °C. Hoe groot is Q10 in het model?
botsingen(30) / botsingen(20) geeft 1,97: Q10 ≈ 2, zoals de vuistregel.
c
Voorspel eerst en controleer dan: verschuift het optimum als dH groter wordt (het enzym ontvouwt 'plotser')?
Met een grotere dH ontvouwt het enzym in een smaller temperatuurgebied: het deel met de juiste vorm valt steiler weg. Het optimum schuift dichter tegen Tm aan (bij dH = 800 kJ/mol: 42,2 °C in plaats van 41,0 °C).
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
34.13
Habitat: de temperatuurstrategie van de kweekruimte
Uitdagen7Habitat60 min
De kweekruimte van de klimaatmodule: 48 kroppen sla bij 200 µmol/(m²·s), 16 uur licht. De regeling van hoofdstuk 31 houdt nu 18/19 °C overdag en 16/17 °C 's nachts. Een teamlid stelt voor overdag naar 24 °C te gaan ('enzymen werken sneller'), een ander wil 's nachts naar 14 °C ('scheelt stookkosten'). Gebruik het model van het handboek en de gegevens: warmteverlies van de module 20,2 W/K (hoofdstuk 19); de lampen geven overdag 190 W warmte af; voedingsoplossing 60 L, NTC op A0.
Model uit het handboek: dagbalans van de sla bij twee nachttemperaturen.
a
Lees uit de grafiek hoeveel procent van de optimale dagbalans de sla haalt bij 18,5 °C en bij 24 °C overdag (nacht 16,5 °C). Wat vind je van het voorstel van 24 °C?
Bij 18,5 °C ongeveer 97 %, bij 24 °C ongeveer 93 %. Beide zijn bijna even goed: 24 °C levert geen winst, kost koeling of ventilatie, en brengt het risico op schieten en randjes. Afraden.
b
Bereken met de formule voor de ademhaling hoeveel minder de sla 's nachts ademt bij 14 °C dan bij 16,5 °C, en hoeveel warmte de module per nacht bespaart (8 h).
2(14−16,5)/10=2−0,25=0,84: 16 % minder nachtademhaling. Warmte: 20,2⋅2,5⋅8=404Wh per nacht, ongeveer 0,40 kWh (bij buitentemperaturen waarbij er gestookt wordt).
c
Noem twee risico's van 14 °C 's nachts die het model niet toont.
Bv.: de sla groeit 's ochtends traag op gang (de bladeren en de oplossing moeten eerst opwarmen); condens op koude bladeren en wanden bij het afkoelen, wat schimmels (grauwe schimmel) helpt; te koude voedingsoplossing remt de opname door de wortels.
d
De voedingsoplossing warmt op een zomerdag op tot 26 °C. Waarom is dat een probleem? Stel twee maatregelen voor en een alarmregel voor de microcontroller.
Warm water bevat minder zuurstof (8,3 mg/L bij 25 °C tegenover 9,1 bij 20 °C) terwijl de wortels sneller ademen, en Pythium (wortelrot) gedijt. Maatregelen: reservoir in de schaduw en goed geïsoleerd, koel regenwater bijvullen, het reservoir tegen de koude buitenwand plaatsen, de pomp langer laten lopen voor extra zuurstof. Alarmregel: als NTC op A0 > 24,0 °C langer dan 10 min: waarschuwing op het scherm en in het logboek; terug onder 23,0 °C (hysterese).
e
Schrijf je advies (vijf regels) met de grenzen voor dag, nacht en reservoir, en hoe je na een teelt controleert of het goed was.
Bv.: 'Overdag 18/19 °C houden, 's nachts 16/17 °C, niet lager dan 15,5 °C. Voedingsoplossing 18-22 °C, waarschuwing boven 24 °C. Geen verwarming boven 22 °C in de ruimte: dan eerst ventileren. Na elke teelt vergelijken we het versgewicht per krop (doel 200 g) en het aantal kroppen met randjes met het logboek van de temperaturen.'
Zo wordt dit beoordeeld
Model gebruikt
Waarden correct uit de grafiek en de formule; eenheden; het verschil tussen bruto, netto en dagbalans begrepen.
Energie
Besparing met 20,2 W/K × ΔT × 8 h correct; vergeleken met het dagbudget.
Grenzen van het model
Schieten en randjes boven ± 24 °C, koude en condens onder ± 15 °C, trage groei; zuurstof en wortelrot in het reservoir.
Advies
Concrete grenzen met hysterese, een alarmregel, en een meetbare controle (versgewicht per krop, logboek).
34.14
Wat verbrandt de bewoner?
Uitdagen6Analyseren25 min
Het ademhalingsquotiënt verandert met wat je eet en doet. Een onderzoeker meet bij een bewoner in rust 0,30 L zuurstof per minuut en 0,24 L koolstofdioxide per minuut, en na een koolhydraatrijke maaltijd 0,30 L zuurstof en 0,29 L koolstofdioxide per minuut. Gassen bij dezelfde temperatuur en druk: gelijke volumes bevatten evenveel mol (hoofdstuk 14).
a
Bereken RQ in beide situaties. Waarom mag je hier met liters rekenen in plaats van met mol?
Rust: 0,24/0,30=0,80. Na de maaltijd: 0,29/0,30=0,97. Bij dezelfde temperatuur en druk is het volume evenredig met het aantal mol (molair volume): de verhouding van de volumes is die van de mol.
b
Wat verbrandt de bewoner vooral in rust, en na de maaltijd?
In rust vooral vet (met wat eiwit): RQ 0,80 ligt dicht bij 0,7. Na de maaltijd bijna alleen koolhydraten (RQ bijna 1).
c
Hoeveel energie verbruikt de bewoner per dag in rust, als de verbranding ongeveer 20 kJ per liter zuurstof oplevert? Vergelijk met de 10 MJ uit F29.
0,30⋅60⋅24=432L zuurstof per dag, 432⋅20=8640kJ≈8,6MJ in rust. Met wat beweging kom je aan de 10 MJ van F29.
d
Het station regelt de CO2 met een filter en de O2 met een zuurstofgenerator. Waarom moeten ingenieurs het RQ van de bewoners kennen?
Omdat de CO2 die ze uitademen niet gelijk is aan de O2 die ze verbruiken: het filter moet bv. 0,87 mol CO2 wegnemen per mol O2 die de generator maakt. Een verkeerd RQ geeft een verkeerde dimensionering (en planten doen het omgekeerde met RQ ≈ 1).
34.15
Ontwerp: een proef met wasmiddelenzymen
Uitdagen6Ontwerpen45 min
Een fabrikant beweert dat zijn wasmiddel 'op 20 °C even goed wast als op 40 °C' dankzij enzymen. Je hebt: het wasmiddel, een gewoon wasmiddel zonder enzymen, eiwitvlekken (eigeel of melk op katoenen lapjes), bekers, waterbaden en een smartphone om de lapjes te fotograferen.
a
Formuleer een onderzoeksvraag en een toetsbare hypothese.
Bv. 'Verwijdert wasmiddel met enzymen eiwitvlekken bij 20 °C even goed als bij 40 °C?' Hypothese: bij 20 °C iets minder, maar veel beter dan het wasmiddel zonder enzymen bij 20 °C.
b
Ontwerp de proef: welke groepen, welke veranderlijke, wat hou je gelijk, hoeveel herhalingen, welke controlegroep?
Vier groepen: met enzymen 20 °C, met enzymen 40 °C, zonder enzymen 20 °C, zonder enzymen 40 °C; plus lapjes in zuiver water. Gelijk: soort stof, grootte en ouderdom van de vlek, hoeveelheid wasmiddel per liter, tijd (bv. 30 min), roeren. Drie tot vijf lapjes per groep.
c
Hoe meet je 'hoe schoon' objectief (niet 'op het zicht')?
Fotografeer elk lapje voor en na, met dezelfde lamp en afstand, naast een wit en een grijs referentiekaartje. Meet de gemiddelde helderheid van de vlek (bv. met een foto-app of een Python-programma). De vermindering van de vlek is de maat.
d
Welk resultaat zou de bewering van de fabrikant tegenspreken?
Als de vlekken bij 20 °C met enzymen duidelijk (meer dan de spreiding) minder verdwijnen dan bij 40 °C met enzymen.
Zo wordt dit beoordeeld
Vraag
Toetsbaar, met één veranderlijke per vergelijking.
Ontwerp
Vier groepen (met/zonder enzymen × 20/40 °C), zelfde lapjes en vlekken, zelfde tijd en dosis, minstens drie herhalingen, blanco lapje.
Meten
Objectieve maat: foto onder dezelfde belichting, grijswaarde of kleur van de vlek met een app of Python, vóór en na.
Besluit
Duidelijk wat de bewering bevestigt of tegenspreekt, met de grenzen van de proef.
34.16
Debat: wassen op 30 °C
Uitdagen6Argumenteren30 min
Stelling: 'Alle wasmachines zouden standaard op 30 °C moeten wassen.' Gegevens (orde van grootte): een wasbeurt op 60 °C kost ongeveer 1,0 kWh, op 30 °C ongeveer 0,4 kWh; een gezin wast ongeveer 200 keer per jaar; enzymen werken tot ongeveer 40 °C en zijn gemaakt met micro-organismen (hoofdstuk 35); sommige ziekteverwekkers overleven 30 °C.
a
Bereken de besparing per gezin per jaar in kWh en in euro (€ 0,30 per kWh).
(1,0−0,4)⋅200=120kWh per jaar, 120⋅0,30=36 euro.
b
Geef twee argumenten voor en twee tegen de stelling. Gebruik wat je over enzymen weet.
Voor: minder energie en CO2; de enzymen werken net het best bij lagere temperaturen; kleren slijten en krimpen minder. Tegen: sommige ziekteverwekkers en huisstofmijt overleven 30 °C (luiers, keukendoeken, beddengoed van zieken); vetvlekken lossen minder goed op; enzymen denatureren boven 40 à 50 °C, dus voor die was helpt heter geen enzym.
c
Formuleer een genuanceerd standpunt in drie zinnen.
Bv.: 'Standaard op 30 °C wassen bespaart per gezin ongeveer 120 kWh per jaar, en moderne enzymen maken dat mogelijk. Voor textiel dat ziekteverwekkers kan dragen, blijft 60 °C nodig. Een machine die standaard op 30 °C staat, met een duidelijke keuze voor 60 °C, combineert beide.'
Zo wordt dit beoordeeld
Berekening
120 kWh en € 36 per jaar, met eenheden.
Argumenten
Wetenschappelijk juist (enzymoptimum, hygiëne), voor en tegen.
Standpunt
Genuanceerd: standaard 30 °C, uitzonderingen benoemd.
34.17
Denaturatie vraagt tijd
Uitdagen7Analyseren30 min
Een groep laat aardappelschijfjes een tijd in een bad van 55 °C liggen en meet daarna de activiteit bij 25 °C (in procent van niet-verwarmde schijfjes). Bij 45 °C valt de activiteit ook, maar veel trager: na 20 minuten is er de helft over.
Voorbeeldmeting: katalase dat een tijd bij 55 °C stond, gemeten bij 25 °C.
a
Toon aan dat de activiteit exponentieel daalt (hoofdstuk 5). Bepaal de halveringstijd bij 55 °C.
Om de 2 minuten een factor ≈0,71: 72/100, 49/72, 36/49, 26/36 zijn allemaal ongeveer 0,7. Na 4 min 49 %, na 8 min 26 %: de halveringstijd is ongeveer 4 minuten.
b
In de proef van het handboek lagen de schijfjes 5 minuten in het bad. Hoeveel procent van het enzym was bij 55 °C al kapot vóór de meting begon?
0,55/4=0,42: er was nog 42 % over, dus 58 % was al gedenatureerd.
c
Een tweede groep laat de schijfjes 30 minuten voorverwarmen. Verschuift hun optimum naar hoger of naar lager? Leg uit.
Naar lager. Hoe langer het voorverwarmen, hoe meer enzym er bij 45-55 °C al kapot is vóór de meting. De temperaturen waarbij het enzym snel denatureert, scoren dan slechter, en het gemeten optimum schuift naar een lagere temperatuur. Een optimum geldt dus altijd voor een bepaalde werkwijze en duur.