Meten, vergelijken, bijsturen: de verwarming en de ventilatie van de klimaatmodule met hysterese
Je begint met het herkennen en tekenen van regelkringen, rekent daarna aan- en uittijden uit, leest zaagtanden en logboeken, bouwt een thermostaat in een doos, en ontwerpt tot slot de klimaatregeling van de module. Voor opdrachten 31.12 en 31.14 heb je Python nodig.
Buiten vriest het, binnen houdt een regeling de sla tussen 16 en 17 °C.
Hoe lees je een opdracht?
Drie tredenOefenenToepassenUitdagen
Elk hoofdstuk bouwt op: eerst oefenen (één stap, direct toepassen), dan toepassen (meerdere stappen, in een context), dan uitdagen (transfer, open problemen, andere leerlijnen erbij).
De StemExpert-schaal5
Eén moeilijkheidsschaal van 1 tot 9 over de drie niveaus heen: Fundamental loopt van 1 tot 4, Intermediate van 3 tot 7, Expert van 6 tot 9. Zo zie je dat de uitdaging van het ene niveau de oefening van het volgende is.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
31.1
Open of gesloten?
Oefenen3Begrijpen12 min
Duid aan of het systeem een open of een gesloten lus is, en schrijf erbij wat er gemeten wordt (of 'niets').
a
Een koelkast met thermostaat.
Aopen lus
Bgesloten lus
b
Een broodrooster met een draaiknop voor de bruining.
Aopen lus
Bgesloten lus
c
Een tuinsproeier die elke ochtend om 7 uur 10 minuten sproeit.
Aopen lus
Bgesloten lus
d
Een buitenlamp met een bewegingsmelder.
Aopen lus
Bgesloten lus
e
De servomotor van hoofdstuk 26.
Aopen lus
Bgesloten lus
f
Een fietser die op een rechte lijn probeert te blijven.
Aopen lus
Bgesloten lus
31.2
Het blokschema van een toiletreservoir
Oefenen3Tekenen12 min
In een toiletreservoir drijft een vlotter op een arm. Zakt het water na het doorspoelen, dan zakt de vlotter en opent de arm een klep: er stroomt water in. Stijgt het water, dan duwt de vlotter de klep weer dicht. Met een schroefje stel je de hoogte van de vlotter op de arm in.
a
Teken het blokschema. Zet bij elk blok wat het in het reservoir is, en bij elke pijl welk signaal het is.
b
Wat is hier de gewenste waarde, en hoe stel je ze in?
c
Wat is de storing?
d
Is dit een aan/uit-regelaar of een evenredige regelaar? Leg uit.
31.3
De thermostaat van een koelkast
Oefenen4Begrijpen12 min
De figuur toont de regelaar van een koelkast. Volg de pijlen.
Wanneer de compressor van een koelkast aan staat, in functie van de temperatuur binnen.
a
Bij welke temperatuur gaat de compressor aan, en bij welke weer uit?
b
Het is 4,5 °C in de koelkast. Staat de compressor aan of uit? Kan je dat zeker zeggen?
c
Bij de verwarming van de module loopt de lus in de andere richting. Waarom?
d
Een koelkast heeft een band van 3 K, de module maar 1 K. Geef een reden.
31.4
Aan- en uittijd met een nachtscherm
Oefenen4Rekenen15 min
's Nachts schuift er een nachtscherm onder het kasdak: de module verliest dan 16,3 W/K in plaats van 20,2 (hoofdstuk 19). Het is −5 °C buiten, de band is 16,0 tot 17,0 °C, CL=80kJ/K, de verwarming geeft 800 W. Neem aan dat de sensor zonder vertraging meet en dat de buffer niets uitwisselt.
a
Bereken het verlies bij 16,5 °C.
b
Bereken de aantijd, de uittijd en hoe vaak de verwarming per uur aangaat.
c
Hoeveel warmte kost een nacht van 8 uur, met en zonder scherm? Hoeveel spaart het scherm?
31.5
Voorspel het effect
Oefenen4Begrijpen15 min
De verwarming van de module schakelt met een band van 1,0 K. Voorspel voor elke verandering of het aantal keer aan per uur, de schommeling van de lucht en de energie per nacht groter, kleiner of ongeveer gelijk worden. Verander telkens maar één ding.
a
De band wordt 2,0 K.
keer aan per uur
schommeling
energie
b
De sensor komt in een dichte doos (tijdconstante 180 s in plaats van 60 s).
keer aan per uur
schommeling
energie
c
Het is −8 °C in plaats van 0 °C buiten.
keer aan per uur
schommeling
energie
d
Een convector van 1600 W in plaats van 800 W. Leg bij deze ook uit waarom.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
31.6
Een zaagtand aflezen
Toepassen5Analyseren20 min
Lees de grafiek zo nauwkeurig mogelijk af. De rode stroken tonen wanneer de verwarming (800 W) aan staat.
Gemeten luchttemperatuur in de module, buiten 0 °C, band 16,0 tot 17,0 °C.
a
Hoe lang staat de verwarming telkens aan, en hoe lang uit? Hoe vaak gaat ze per uur aan?
b
Bereken de inschakelduur en de warmte die de verwarming per uur geeft.
c
Tussen welke temperaturen schommelt de lucht? Vergelijk met de band.
d
Het rekenvoorbeeld van het handboek voorspelde 171 s aan en 240 s uit. Waarom zijn de tijden hier langer?
31.7
Cruisecontrol op de helling
Toepassen5Tekenen20 min
Een auto rijdt met cruisecontrol op 90 km/h. De grafiek toont de simulatie uit het handboek.
Simulatie van een auto van 1200 kg op een helling van 4 %.
a
Teken het blokschema van de cruisecontrol. Benoem alle blokken, de signalen en twee storingen.
b
Lees af: de laagste snelheid met en zonder cruisecontrol. Hoeveel km/h scheelt het?
c
Waarom daalt de snelheid met cruisecontrol toch een beetje, en waarom blijft ze lager tot het einde van de helling?
d
Een leerling stelt een aan/uit-cruisecontrol voor: vol gas onder 89 km/h, gas los boven 91 km/h. Geef twee bezwaren.
31.8
Vind de fouten in de regeling
Toepassen5Programmeren20 min
Een leerling schreef deze regeling voor de verwarming (band 16,5 tot 17,5 °C). Ze compileert, maar werkt niet goed.
Welke waarde krijgen LAAG en HOOG echt? Wat is het gevolg?
b
Beschrijf wat de verwarming doet rond 16 °C. Welke fout zit in de vergelijkingen?
c
De SHT31 geeft nan als hij niet antwoordt. Wat doet deze code dan?
d
Schrijf de verbeterde functie.
31.9
Kengetallen uit een logboek
Toepassen5Rekenen20 min
Twintig minuten uit het logboek van een januarinacht, één regel per minuut (T = gemeten temperatuur, verwarming 1 = aan). Band: 16,0 tot 17,0 °C.
tijd
T (°C)
verwarming
tijd
T (°C)
verwarming
00:00
16,0
0
00:10
16,4
0
00:01
16,0
1
00:11
16,3
0
00:02
16,3
1
00:12
16,2
0
00:03
16,6
1
00:13
16,1
1
00:04
17,1
0
00:14
16,1
1
00:05
17,2
0
00:15
16,4
1
00:06
17,1
0
00:16
16,8
1
00:07
17,0
0
00:17
17,1
0
00:08
16,9
0
00:18
17,2
0
00:09
16,6
0
00:19
17,0
0
a
Hoe vaak gaat de verwarming aan in deze 20 minuten? Hoeveel keer per uur is dat?
b
Bereken de inschakelduur en de warmte die de verwarming in deze 20 minuten gaf.
c
Bereken de gemiddelde afwijking van 16,5 °C.
d
Is één regel per minuut genoeg om een aan/uit-regeling te beoordelen? Wanneer niet?
31.10
Je lichaam koelen
Toepassen5Begrijpen15 min
Een bewoner werkt een uur hard in de warme module. Zijn lichaam maakt dan ongeveer 500 W warmte, in rust ongeveer 100 W. De verdampingswarmte van zweet is ongeveer 2,4 MJ per kg.
a
Hoeveel zweet moet er per uur verdampen om 400 W extra af te voeren?
b
Zweet dat van de huid druppelt, koelt nauwelijks. Waarom? Wat betekent dat voor de vochtige lucht van de module?
c
Het lichaam gebruikt eerst de bloedvaten van de huid en pas daarna zweet. Welke regeling in de module is op dezelfde manier getrapt?
31.11
Labo: een thermostaat in een doos
Toepassen5Labo60 min
Voer de proef uit het handboek zelf uit, met drie breedtes van de band en twee plaatsen voor de sensor.
a
Noteer je opstelling: vermogen van de verwarming, sensor, afstand tot de verwarming, band.
b
Meettabel: per instelling het aantal keer aan in 20 minuten, de laagste en de hoogste temperatuur.
band (K)
sensor op
keer aan in 20 min
laagste (°C)
hoogste (°C)
c
Zet het aantal keer aan per uur uit tegen de breedte van de band. Welk verband zie je?
d
Hoe ver schiet de temperatuur voorbij de grenzen? Verklaar met de plaats van de sensor.
Zo wordt dit beoordeeld
Opstelling
Veilig (afstand tot het karton, 12 V), sensor op een vaste plaats, stabiele beginsituatie.
Metingen
Na het opwarmen gemeten, telkens even lang, alle instellingen, eenheden.
Verwerking
Grafiek met assen en eenheden; verband benoemd (ongeveer omgekeerd evenredig).
Verklaring
Doorschot verklaard met vertraging en naverwarming; invloed van de sensorplaats juist.
31.12
Een minimale uittijd
Toepassen6Programmeren30 min
Een smalle band (0,2 K) houdt de lucht mooi rond 16,5 °C, maar de klep schakelt te vaak. Een oplossing uit warmtepompen en koelkasten: de verwarming mag pas weer aan als ze minstens een vaste tijd uit geweest is (een antipendeltijd).
a
Pas de functie nacht() uit het handboek aan met een parameter min_uit (in s).
b
Simuleer de band 16,4 tot 16,6 °C met min_uit = 0, 120, 300 en 600 s. Noteer het aantal keer aan per uur en de schommeling.
min_uit (s)
keer aan per uur
lucht (°C)
c
Is een smalle band met een lange antipendeltijd beter dan gewoon een bredere band? Motiveer.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
31.13
Habitat: de klimaatregeling van de module ontwerpen
Uitdagen7Habitat75 min
Je team ontwerpt de volledige temperatuurregeling van de klimaatmodule. Gegeven: convector 800 W (D12), ventilatoren zacht of vol (D11), kasdak (hoofdstuk 26), SHT31 in de sensorkast (60 s vertraging), het warmtemodel van het handboek. Sla groeit het best tussen 18 en 22 °C overdag, 's nachts mag het niet onder 15,5 °C, en boven 30 °C loopt ze schade op. De klep gaat 200 000 schakelingen mee.
a
Kies de grenzen voor de verwarming (dag en nacht), de ventilatoren en het dak. Zet ze in een tabel en controleer dat er geen overlap is.
actuator
aan / vol / open
uit / zacht / dicht
waarom
b
Teken het blokschema van de volledige regeling: één sensor, drie actuatoren, storingen.
c
Schat met de formules van het handboek hoe vaak de verwarming per uur aangaat in een januarinacht, en hoeveel stookseizoenen de klep meegaat.
d
Wat doet je regeling als de sensor uitvalt, 's nachts in januari en overdag in juni? Waarom is 'alles uit' geen goede veilige stand?
e
Beschrijf een test van één week waarmee je bewijst dat de regeling aan je eisen voldoet: wat log je, welke kengetallen, wanneer is ze goed?
Zo wordt dit beoordeeld
Grenzen
Alle grenzen binnen de eisen van de sla, met hysterese, zonder overlap, met een dode zone tussen verwarmen en koelen.
Blokschema
Eén sensor, drie actuatoren, storingen (buiten, zon, lampen, deur), meting en terugkoppeling correct.
Berekening
Aantijd, uittijd en schakelingen per uur met de effectieve band; levensduur van de klep juist.
Veiligheid
Sensorfout gedetecteerd (nan), een veilige stand die past bij het seizoen, alarm.
Test
Meetbare criteria (bv. nooit onder 15,5 °C, gemiddelde afwijking < 0,5 K, < 8 keer aan per uur) en een logboek dat ze kan tonen.
31.14
Waar hang je de sensor?
Uitdagen6Analyseren25 min
De simulatie van het handboek met een sensor die steeds trager is (band 16,0 tot 17,0 °C, buiten 0 °C):
tijdconstante sensor
keer aan per uur
boven 17,0 (K)
onder 16,0 (K)
gem. afwijking (K)
0 s
9,1
0,04
0,02
0,24
60 s
5,7
0,36
0,25
0,38
180 s
3,6
0,87
0,64
0,61
300 s
2,9
1,25
0,96
0,78
a
Verklaar waarom de lucht met een tragere sensor verder doorschiet, maar de verwarming minder vaak aangaat.
b
Controleer de vuistregel voor de effectieve band bij 60 s en bij 300 s. Waar werkt ze, waar niet?
c
Drie plaatsen voor de sensor: (A) in de luchtstroom van de convector, (B) in een dichte kunststof doos tegen de wand, (C) midden in de ruimte in een kastje met een ventilatortje. Beoordeel elke plaats.
31.15
Debat: open of gesloten lus voor de groeilampen?
Uitdagen6Argumenteren20 min
De groeilampen worden nu gedimd met het daglicht (hoofdstuk 25): een LDR onder een kapje meet de hemel en de Mega rekent uit hoeveel lamplicht er nog nodig is. Een collega wil een PAR-sensor op het kweekbed, onder de lampen, die het totale licht op de planten meet.
a
Is de huidige lampregeling een open of een gesloten lus? En het voorstel van je collega?
b
Geef twee argumenten voor elk systeem, telkens met een concrete situatie.
c
Welke combinatie zou jij kiezen? Motiveer.
31.16
Ontwerp: de CO₂-klep met hysterese
Uitdagen6Ontwerpen35 min
Overdag voegt de CO₂-klep (D10) CO₂ toe aan de kweekruimte (11,5 m³): sla groeit sneller bij 800 tot 1000 ppm dan bij 425 ppm. Met de klep open stijgt het gehalte 170 ppm per minuut; met de klep dicht daalt het ongeveer 80 ppm per uur (planten en lekken). De CO₂-sensor meet om de 2 s met een ruis van ±30 ppm, en de CO₂ moet zich eerst mengen: de meting loopt ongeveer 2 minuten achter. Vanaf 1000 ppm geldt voor mensen een waarschuwing (hoofdstuk 14).
a
Een leerling kiest: klep open onder 800 ppm, dicht boven 1000 ppm. Schat hoe hoog het CO₂-gehalte echt komt. Is dat een probleem?
b
Stel een betere regeling voor. Tip: in plaats van de klep open te laten tot de meting 1000 ppm haalt, kan je de klep kort openen en dan wachten.
c
Wanneer moet de klep altijd dicht blijven, ook als het CO₂-gehalte laag is? Noem er drie.
Zo wordt dit beoordeeld
Doorschot
Doorschot geschat met snelheid × vertraging, gevolg voor mensen benoemd.
Voorstel
Regeling die de doorschot vermijdt (vroeger sluiten of dosis per keer), met getallen.
Veiligheid
Klep dicht bij dak open of ventilatoren vol, 's nachts, bij onderhoud, bij een alarm of een sensorfout.
ZelfevaluatieKleur per doel: lukt al / bijna / nog niet
Ik kan het verschil tussen een open en een gesloten lus uitleggen en systemen uit techniek en natuur indelen.
Ik kan een regelkring tekenen als blokschema met setpoint, fout, regelaar, actuator, proces, sensor, meting en storing.
Ik kan uitleggen hoe een aan/uit-regeling met hysterese werkt en ze programmeren in C++.
Ik kan met een eenvoudig warmtemodel de aan- en uittijd, het aantal schakelingen per uur en de inschakelduur berekenen.
Ik kan verklaren hoe de breedte van de hysterese en de vertraging van de sensor de schommeling en het schakelen beïnvloeden.
Ik kan een regeling beoordelen met kengetallen uit een meting: gemiddelde afwijking, schommeling, schakelingen per uur, energie.
Ik kan grenzen kiezen en verantwoorden voor de verwarming en de ventilatie van de klimaatmodule.