Meten, vergelijken, bijsturen: de verwarming en de ventilatie van de klimaatmodule met hysterese
Uitgewerkte oplossingen bij de 16 opdrachten van het werkboek. Voor de leerkracht, en voor wie zichzelf wil verbeteren nadat hij het eerst zelf probeerde.
Buiten vriest het, binnen houdt een regeling de sla tussen 16 en 17 °C.
Voor de leerkrachtDeze pagina bevat de antwoorden. Druk het werkboek af zonder deze pagina.
Oefenen
Oefenen
één stap, direct toepassen
31.1
Open of gesloten?
Oefenen3Begrijpen12 min
Duid aan of het systeem een open of een gesloten lus is, en schrijf erbij wat er gemeten wordt (of 'niets').
a
Een koelkast met thermostaat.
Aopen lus
Bgesloten lus
Gesloten: de thermostaat meet de temperatuur die de compressor verandert.
b
Een broodrooster met een draaiknop voor de bruining.
Aopen lus
Bgesloten lus
Open: de tijd beslist; niemand meet hoe bruin het brood is.
c
Een tuinsproeier die elke ochtend om 7 uur 10 minuten sproeit.
Aopen lus
Bgesloten lus
Open: de klok beslist, ook als het de hele nacht geregend heeft.
d
Een buitenlamp met een bewegingsmelder.
Aopen lus
Bgesloten lus
Open: de sensor meet beweging, niet het licht dat de lamp maakt. Een sensor maakt een lus nog niet gesloten.
e
De servomotor van hoofdstuk 26.
Aopen lus
Bgesloten lus
Gesloten: een potmeter in de servo meet de hoek, de elektronica stuurt de motor tot de hoek klopt.
f
Een fietser die op een rechte lijn probeert te blijven.
Aopen lus
Bgesloten lus
Gesloten: de fietser ziet (en voelt) waar hij rijdt en stuurt bij. Ogen en evenwichtsorgaan zijn de sensoren.
31.2
Het blokschema van een toiletreservoir
Oefenen3Tekenen12 min
In een toiletreservoir drijft een vlotter op een arm. Zakt het water na het doorspoelen, dan zakt de vlotter en opent de arm een klep: er stroomt water in. Stijgt het water, dan duwt de vlotter de klep weer dicht. Met een schroefje stel je de hoogte van de vlotter op de arm in.
a
Teken het blokschema. Zet bij elk blok wat het in het reservoir is, en bij elke pijl welk signaal het is.
Gewenst niveau → Σ → vlotterarm (regelaar) → klep (actuator) → reservoir (proces) → waterniveau; terug via de vlotter (sensor) naar Σ. Signalen: niveau, stand van de arm, waterstroom.
b
Wat is hier de gewenste waarde, en hoe stel je ze in?
Het gewenste waterniveau; je stelt het in met het schroefje dat de hoogte van de vlotter op de arm bepaalt.
c
Wat is de storing?
Het doorspoelen (water dat plots wegloopt); ook een lekkende klep in de pot.
d
Is dit een aan/uit-regelaar of een evenredige regelaar? Leg uit.
Evenredig: hoe lager de vlotter, hoe verder de klep open. Dicht bij het gewenste niveau loopt er maar een dun straaltje: de klep doseert, ze springt niet van dicht naar open.
31.3
De thermostaat van een koelkast
Oefenen4Begrijpen12 min
De figuur toont de regelaar van een koelkast. Volg de pijlen.
Wanneer de compressor van een koelkast aan staat, in functie van de temperatuur binnen.
a
Bij welke temperatuur gaat de compressor aan, en bij welke weer uit?
Aan boven 6 °C, uit onder 3 °C.
b
Het is 4,5 °C in de koelkast. Staat de compressor aan of uit? Kan je dat zeker zeggen?
Dat hangt af van waar de temperatuur vandaan komt. Komt ze van boven 6 °C (de compressor koelt), dan staat hij aan. Is ze van onder 3 °C gestegen, dan staat hij uit. Tussen de grenzen onthoudt de regelaar zijn toestand.
c
Bij de verwarming van de module loopt de lus in de andere richting. Waarom?
Een koelkast koelt: hij moet aan als het te warm is. Een verwarming moet aan als het te koud is. De grenzen wisselen van rol.
d
Een koelkast heeft een band van 3 K, de module maar 1 K. Geef een reden.
Een compressor mag niet vaak starten (grote aanloopstroom, slijtage, de koelvloeistof moet tot rust komen), en 3 à 6 °C is goed voor voedsel. Sla in de module verdraagt minder schommeling, en een klep schakelt makkelijker dan een compressor.
31.4
Aan- en uittijd met een nachtscherm
Oefenen4Rekenen15 min
's Nachts schuift er een nachtscherm onder het kasdak: de module verliest dan 16,3 W/K in plaats van 20,2 (hoofdstuk 19). Het is −5 °C buiten, de band is 16,0 tot 17,0 °C, CL=80kJ/K, de verwarming geeft 800 W. Neem aan dat de sensor zonder vertraging meet en dat de buffer niets uitwisselt.
a
Bereken het verlies bij 16,5 °C.
V=16,3⋅(16,5−(−5))=16,3⋅21,5=350W.
b
Bereken de aantijd, de uittijd en hoe vaak de verwarming per uur aangaat.
taan=80000/(800−350)=178s; tuit=80000/350=228s; periode 406 s: 3600/406=8,9 keer per uur.
c
Hoeveel warmte kost een nacht van 8 uur, met en zonder scherm? Hoeveel spaart het scherm?
Met scherm: 350W⋅8h=2,80kWh. Zonder: 20,2⋅21,5=434W, dus 3,47kWh. Het scherm spaart 0,67kWh per nacht (19 %).
31.5
Voorspel het effect
Oefenen4Begrijpen15 min
De verwarming van de module schakelt met een band van 1,0 K. Voorspel voor elke verandering of het aantal keer aan per uur, de schommeling van de lucht en de energie per nacht groter, kleiner of ongeveer gelijk worden. Verander telkens maar één ding.
a
De band wordt 2,0 K.
Kleiner (ongeveer de helft), groter, gelijk.
b
De sensor komt in een dichte doos (tijdconstante 180 s in plaats van 60 s).
Kleiner, groter (meer doorschot), ongeveer gelijk.
c
Het is −8 °C in plaats van 0 °C buiten.
Ongeveer gelijk (de formule geeft 8,5 in plaats van 8,7: het aantal keer per uur hangt af van V⋅(P−V), en dat is 495⋅305 tegenover 333⋅467, bijna hetzelfde), schommeling ongeveer gelijk, energie groter (495 in plaats van 333 W).
d
Een convector van 1600 W in plaats van 800 W. Leg bij deze ook uit waarom.
Meer keer aan per uur (formule: 11,9 in plaats van 8,7): de aantijd wordt veel korter, 80000/(1600−333)=63s. De energie blijft gelijk (het verlies bepaalt ze). De doorschot boven wordt groter, want de lucht warmt twee keer zo snel op terwijl de sensor achterloopt.
Toepassen
Toepassen
meerdere stappen, in een context
31.6
Een zaagtand aflezen
Toepassen5Analyseren20 min
Lees de grafiek zo nauwkeurig mogelijk af. De rode stroken tonen wanneer de verwarming (800 W) aan staat.
Gemeten luchttemperatuur in de module, buiten 0 °C, band 16,0 tot 17,0 °C.
a
Hoe lang staat de verwarming telkens aan, en hoe lang uit? Hoe vaak gaat ze per uur aan?
Aan ongeveer 4,5 min, uit ongeveer 6,2 min (aflezen: ±0,5 min is goed); een periode van 10,7 min, dus 5,6 keer aan per uur.
b
Bereken de inschakelduur en de warmte die de verwarming per uur geeft.
Inschakelduur 4,5 / 10,7 = 42 %; warmte per uur: 0,42 · 800 W · 1 h ≈ 335 Wh.
c
Tussen welke temperaturen schommelt de lucht? Vergelijk met de band.
Van ongeveer 15,8 tot 17,3 °C: een schommeling van 1,6 K, meer dan de band van 1,0 K.
d
Het rekenvoorbeeld van het handboek voorspelde 171 s aan en 240 s uit. Waarom zijn de tijden hier langer?
De sensor loopt ongeveer een minuut achter. De verwarming gaat pas uit als de meting 17,0 °C haalt; de lucht is dan al warmer, en de band werkt alsof hij breder is (ongeveer 1,6 K). Daardoor duurt elke fase langer. De inschakelduur (42 %) blijft wel gelijk aan V/P.
31.7
Cruisecontrol op de helling
Toepassen5Tekenen20 min
Een auto rijdt met cruisecontrol op 90 km/h. De grafiek toont de simulatie uit het handboek.
Simulatie van een auto van 1200 kg op een helling van 4 %.
a
Teken het blokschema van de cruisecontrol. Benoem alle blokken, de signalen en twee storingen.
Gewenste snelheid (knop) → Σ → motorsturing (regelaar) → inspuiting/gasklep (actuator) → auto (proces) → snelheid; terug via het wieltoerental (sensor). Storingen: helling, wind, lading, rolweerstand op een ander wegdek.
b
Lees af: de laagste snelheid met en zonder cruisecontrol. Hoeveel km/h scheelt het?
Zonder: ongeveer 55 km/h; met: ongeveer 87 km/h. Verschil ongeveer 32 km/h.
c
Waarom daalt de snelheid met cruisecontrol toch een beetje, en waarom blijft ze lager tot het einde van de helling?
De regelaar geeft alleen extra kracht als er een fout is (evenredig): er moet dus een kleine fout blijven om de 471 N van de helling te dekken. Pas na de helling verdwijnt die fout.
d
Een leerling stelt een aan/uit-cruisecontrol voor: vol gas onder 89 km/h, gas los boven 91 km/h. Geef twee bezwaren.
Schokken: van vol gas naar geen gas is oncomfortabel en slecht voor de motor. De snelheid schommelt voortdurend tussen de grenzen; bij een grote band voel je dat, bij een kleine schakelt het nog heftiger. Een evenredige regelaar doseert.
31.8
Vind de fouten in de regeling
Toepassen5Programmeren20 min
Een leerling schreef deze regeling voor de verwarming (band 16,5 tot 17,5 °C). Ze compileert, maar werkt niet goed.
Welke waarde krijgen LAAG en HOOG echt? Wat is het gevolg?
Een int kan geen 16,5 bevatten: LAAG en HOOG worden 16 en 17. De band schuift een halve graad op.
b
Beschrijf wat de verwarming doet rond 16 °C. Welke fout zit in de vergelijkingen?
Er is maar één echte drempel: onder LAAG aan, boven LAAG uit. HOOG wordt nooit gebruikt: de verwarming flikkert rond 16 °C (één drempel), met om de paar seconden een schakeling.
c
De SHT31 geeft nan als hij niet antwoordt. Wat doet deze code dan?
Elke vergelijking met nan is onwaar: niets verandert, de verwarming blijft in haar laatste stand. Stond ze aan, dan blijft ze aan tot iemand het merkt.
d
Schrijf de verbeterde functie.
const float LAAG = 16.5, HOOG = 17.5; // fout 1: float, geen int
bool verwarmen = false;
void regelen(float t) {
if (isnan(t)) { // fout 3: geen meting = een beslissing nemen
verwarmen = false; // (of een noodprogramma, zie het handboek)
} else if (!verwarmen && t < LAAG) {
verwarmen = true;
} else if (verwarmen && t > HOOG) { // fout 2: HOOG, niet LAAG
verwarmen = false;
}
digitalWrite(VERWARMING, verwarmen ? HIGH : LOW);
}
31.9
Kengetallen uit een logboek
Toepassen5Rekenen20 min
Twintig minuten uit het logboek van een januarinacht, één regel per minuut (T = gemeten temperatuur, verwarming 1 = aan). Band: 16,0 tot 17,0 °C.
tijd
T (°C)
verwarming
tijd
T (°C)
verwarming
00:00
16,0
0
00:10
16,4
0
00:01
16,0
1
00:11
16,3
0
00:02
16,3
1
00:12
16,2
0
00:03
16,6
1
00:13
16,1
1
00:04
17,1
0
00:14
16,1
1
00:05
17,2
0
00:15
16,4
1
00:06
17,1
0
00:16
16,8
1
00:07
17,0
0
00:17
17,1
0
00:08
16,9
0
00:18
17,2
0
00:09
16,6
0
00:19
17,0
0
a
Hoe vaak gaat de verwarming aan in deze 20 minuten? Hoeveel keer per uur is dat?
2 keer (om 00:01 en om 00:13): ongeveer 6 keer per uur.
b
Bereken de inschakelduur en de warmte die de verwarming in deze 20 minuten gaf.
7 van de 20 minuten aan: 35 %. Warmte: 0,35 · 800 W · 20 min = 93 Wh.
c
Bereken de gemiddelde afwijking van 16,5 °C.
Tel de 20 afwijkingen |T − 16,5| op en deel door 20: 0,39 K.
d
Is één regel per minuut genoeg om een aan/uit-regeling te beoordelen? Wanneer niet?
Alleen als de verwarming telkens langer dan een minuut aan en uit blijft. Schakelt ze sneller (een smalle band, een grote convector), dan mis je schakelingen tussen twee regels. Voor een test log je daarom elke 10 s of tel je de schakelingen in het programma zelf.
31.10
Je lichaam koelen
Toepassen5Begrijpen15 min
Een bewoner werkt een uur hard in de warme module. Zijn lichaam maakt dan ongeveer 500 W warmte, in rust ongeveer 100 W. De verdampingswarmte van zweet is ongeveer 2,4 MJ per kg.
a
Hoeveel zweet moet er per uur verdampen om 400 W extra af te voeren?
400W⋅3600s=1,44MJ per uur; 1,44/2,4=0,60kg, ongeveer 0,6 L per uur.
b
Zweet dat van de huid druppelt, koelt nauwelijks. Waarom? Wat betekent dat voor de vochtige lucht van de module?
Koelen gebeurt door verdampen: de warmte gaat mee met de damp. Druppels die vallen, nemen die warmte niet mee. In vochtige lucht verdampt zweet slecht: in de module (RV rond 70 à 80 %) koelt het lichaam minder goed, en is werken in de warmte zwaarder.
c
Het lichaam gebruikt eerst de bloedvaten van de huid en pas daarna zweet. Welke regeling in de module is op dezelfde manier getrapt?
Het koelen: eerst de ventilatoren (goedkoop, klein effect), pas bij meer warmte het dak.
31.11
Labo: een thermostaat in een doos
Toepassen5Labo60 min
Voer de proef uit het handboek zelf uit, met drie breedtes van de band en twee plaatsen voor de sensor.
a
Noteer je opstelling: vermogen van de verwarming, sensor, afstand tot de verwarming, band.
Bijvoorbeeld: lampje 12 V / 10 W, DS18B20 op 10 cm, band 0,5, 1,0 en 2,0 K rond 27 °C.
b
Meettabel: per instelling het aantal keer aan in 20 minuten, de laagste en de hoogste temperatuur.
Zie de voorbeeldmeting in het handboek: bij 1,0 K ongeveer 7 keer in 20 minuten, van 26,1 tot 27,7 °C.
c
Zet het aantal keer aan per uur uit tegen de breedte van de band. Welk verband zie je?
Het aantal keer per uur daalt als de band breder wordt, ongeveer omgekeerd evenredig; bij een smalle band minder dan verwacht, omdat de doorschot de band verbreedt.
d
Hoe ver schiet de temperatuur voorbij de grenzen? Verklaar met de plaats van de sensor.
De temperatuur gaat meestal enkele tienden van een graad voorbij elke grens: de sensor loopt achter en het lampje is nog heet na het uitschakelen. Tegen het lampje schakelt het veel sneller: de sensor meet dan het lampje, niet de doos.
Zo wordt dit beoordeeld
Opstelling
Veilig (afstand tot het karton, 12 V), sensor op een vaste plaats, stabiele beginsituatie.
Metingen
Na het opwarmen gemeten, telkens even lang, alle instellingen, eenheden.
Verwerking
Grafiek met assen en eenheden; verband benoemd (ongeveer omgekeerd evenredig).
Verklaring
Doorschot verklaard met vertraging en naverwarming; invloed van de sensorplaats juist.
31.12
Een minimale uittijd
Toepassen6Programmeren30 min
Een smalle band (0,2 K) houdt de lucht mooi rond 16,5 °C, maar de klep schakelt te vaak. Een oplossing uit warmtepompen en koelkasten: de verwarming mag pas weer aan als ze minstens een vaste tijd uit geweest is (een antipendeltijd).
a
Pas de functie nacht() uit het handboek aan met een parameter min_uit (in s).
# antipendel.py - hysterese 0,2 K, maar de verwarming mag pas weer aan na minstens MIN_UIT seconden uit
C_L, C_W, H, G, P, DT, TAU_S = 80e3, 1.10e6, 20.2, 30.0, 800.0, 2.0, 60.0
def nacht(laag, hoog, min_uit=0.0, uren=8.0, buiten=0.0):
lucht = buffer = meting = 16.5
aan, uit_sinds = False, 1e9 # uit_sinds: hoe lang de verwarming al uit is (s)
keer_aan, t_min, t_max = 0, 99.0, -99.0
for stap in range(int(uren * 3600 / DT)):
if not aan and meting < laag and uit_sinds >= min_uit:
aan = True
keer_aan += 1
elif aan and meting > hoog:
aan = False
uit_sinds = 0.0
if not aan:
uit_sinds += DT
warmte = (P if aan else 0.0) - H * (lucht - buiten) - G * (lucht - buffer)
lucht_nieuw = lucht + warmte * DT / C_L
buffer += G * (lucht - buffer) * DT / C_W
meting += (lucht - meting) * DT / TAU_S
lucht = lucht_nieuw
t_min, t_max = min(t_min, lucht), max(t_max, lucht)
return keer_aan / uren, t_min, t_max
for min_uit in (0, 120, 300, 600):
per_uur, lo, hi = nacht(16.4, 16.6, min_uit)
print(f"minstens {min_uit:3d} s uit: {per_uur:4.1f} keer aan per uur, lucht {lo:.2f} tot {hi:.2f} °C")
b
Simuleer de band 16,4 tot 16,6 °C met min_uit = 0, 120, 300 en 600 s. Noteer het aantal keer aan per uur en de schommeling.
De uitvoer van dit programma:
minstens 0 s uit: 12.8 keer aan per uur, lucht 16.18 tot 16.88 °C
minstens 120 s uit: 12.8 keer aan per uur, lucht 16.18 tot 16.88 °C
minstens 300 s uit: 7.1 keer aan per uur, lucht 15.67 tot 16.94 °C
minstens 600 s uit: 3.8 keer aan per uur, lucht 14.65 tot 16.95 °C
c
Is een smalle band met een lange antipendeltijd beter dan gewoon een bredere band? Motiveer.
Bij 120 s verandert er niets: met deze band staat de verwarming toch al langer dan 2 minuten uit. Een langere antipendeltijd begrenst het aantal schakelingen hard (hoogstens 3600 / min_uit per uur), maar dan wacht de verwarming ook als het te koud wordt: de lucht zakt onder de band. Het effect lijkt op een bredere band. Voordeel: je kiest rechtstreeks het maximale aantal schakelingen dat de klep verdraagt. Nadeel: een extra timer, en de temperatuur hangt dan van de tijd af in plaats van van de grenzen.
Uitdagen
Uitdagen
transfer, open problemen, leerlijnen combineren
31.13
Habitat: de klimaatregeling van de module ontwerpen
Uitdagen7Habitat75 min
Je team ontwerpt de volledige temperatuurregeling van de klimaatmodule. Gegeven: convector 800 W (D12), ventilatoren zacht of vol (D11), kasdak (hoofdstuk 26), SHT31 in de sensorkast (60 s vertraging), het warmtemodel van het handboek. Sla groeit het best tussen 18 en 22 °C overdag, 's nachts mag het niet onder 15,5 °C, en boven 30 °C loopt ze schade op. De klep gaat 200 000 schakelingen mee.
a
Kies de grenzen voor de verwarming (dag en nacht), de ventilatoren en het dak. Zet ze in een tabel en controleer dat er geen overlap is.
Bijvoorbeeld: verwarming dag 18,0/19,0 °C, nacht 16,0/17,0 °C; ventilatoren vol boven 25, zacht onder 24 °C; dak open boven 27, dicht onder 25 °C. Dode zone 19-24 °C: verwarmen en koelen nooit samen. Het dak krijgt de breedste band, omdat een beweging lang duurt.
b
Teken het blokschema van de volledige regeling: één sensor, drie actuatoren, storingen.
Schat met de formules van het handboek hoe vaak de verwarming per uur aangaat in een januarinacht, en hoeveel stookseizoenen de klep meegaat.
Met 0 °C buiten: effectieve band 1,0+0,6=1,6K, taan≈80000⋅1,6/467=274s, tuit≈80000⋅1,6/333=384s: 5,5 keer per uur (simulatie: 5,7). Per seizoen van 200 dagen × 12 h: ±14 000 schakelingen: de klep gaat ±15 seizoenen mee.
d
Wat doet je regeling als de sensor uitvalt, 's nachts in januari en overdag in juni? Waarom is 'alles uit' geen goede veilige stand?
Een open lus op basis van het gemiddelde van het laatste uur (zoals de C++-taak), en een alarm. In januari zou 'alles uit' de sla laten bevriezen, in juni zou 'dak dicht' ze laten koken. De veilige stand hangt af van het seizoen: 's winters verwarmen met een vast ritme, 's zomers dak open.
e
Beschrijf een test van één week waarmee je bewijst dat de regeling aan je eisen voldoet: wat log je, welke kengetallen, wanneer is ze goed?
Een logboek elke 10 s (temperatuur, verwarming, ventilatoren, dak) en een tweede, snelle sensor in de ruimte. Kengetallen per dag: laagste en hoogste temperatuur, gemiddelde afwijking van het midden van de band, keer aan per uur per actuator, energie. Goed als alle eisen elke dag gehaald worden, ook op de koudste en de zonnigste dag van de week.
Zo wordt dit beoordeeld
Grenzen
Alle grenzen binnen de eisen van de sla, met hysterese, zonder overlap, met een dode zone tussen verwarmen en koelen.
Blokschema
Eén sensor, drie actuatoren, storingen (buiten, zon, lampen, deur), meting en terugkoppeling correct.
Berekening
Aantijd, uittijd en schakelingen per uur met de effectieve band; levensduur van de klep juist.
Veiligheid
Sensorfout gedetecteerd (nan), een veilige stand die past bij het seizoen, alarm.
Test
Meetbare criteria (bv. nooit onder 15,5 °C, gemiddelde afwijking < 0,5 K, < 8 keer aan per uur) en een logboek dat ze kan tonen.
31.14
Waar hang je de sensor?
Uitdagen6Analyseren25 min
De simulatie van het handboek met een sensor die steeds trager is (band 16,0 tot 17,0 °C, buiten 0 °C):
tijdconstante sensor
keer aan per uur
boven 17,0 (K)
onder 16,0 (K)
gem. afwijking (K)
0 s
9,1
0,04
0,02
0,24
60 s
5,7
0,36
0,25
0,38
180 s
3,6
0,87
0,64
0,61
300 s
2,9
1,25
0,96
0,78
a
Verklaar waarom de lucht met een tragere sensor verder doorschiet, maar de verwarming minder vaak aangaat.
De verwarming gaat pas uit als de meting 17,0 °C haalt; intussen warmt de lucht verder. Hetzelfde onder 16,0. De lucht legt dus een grotere weg af tussen twee schakelingen: elke fase duurt langer, er zijn minder schakelingen, maar de schommeling is groter.
b
Controleer de vuistregel voor de effectieve band bij 60 s en bij 300 s. Waar werkt ze, waar niet?
60 s: ΔTeff=1,0+0,6=1,6K: formule 5,5 keer per uur, simulatie 5,7. Goed. 300 s: 1,0+3,0=4,0K: formule 2,2, simulatie 2,9. De vuistregel overschat de doorschot als de vertraging niet meer klein is tegenover de aan- en uittijd: de sensor haalt de lucht dan deels in.
c
Drie plaatsen voor de sensor: (A) in de luchtstroom van de convector, (B) in een dichte kunststof doos tegen de wand, (C) midden in de ruimte in een kastje met een ventilatortje. Beoordeel elke plaats.
A: meet de warme lucht van de convector, niet de module: de verwarming slaat te vroeg af en schakelt heel vaak, terwijl de planten het koud hebben. B: veel te traag (grote doorschot), en de wand is kouder dan de lucht. C: het best: snelle, representatieve meting op de hoogte van de planten, beschermd tegen straling van lampen en zon.
31.15
Debat: open of gesloten lus voor de groeilampen?
Uitdagen6Argumenteren20 min
De groeilampen worden nu gedimd met het daglicht (hoofdstuk 25): een LDR onder een kapje meet de hemel en de Mega rekent uit hoeveel lamplicht er nog nodig is. Een collega wil een PAR-sensor op het kweekbed, onder de lampen, die het totale licht op de planten meet.
a
Is de huidige lampregeling een open of een gesloten lus? En het voorstel van je collega?
Nu: een open lus met voorsturing (de storing, het daglicht, wordt gemeten, niet het resultaat). Voorstel: een gesloten lus (het licht op de planten zelf).
b
Geef twee argumenten voor elk systeem, telkens met een concrete situatie.
Voorsturing: snel, eenvoudig, de sensor staat buiten het schaduwspel van de planten, kan niet schommelen. Maar: blind voor verouderde of vuile lampen, een kapotte led, schaduw van een net geplaatste goot. Gesloten: meet wat de plant echt krijgt en corrigeert alles; maar de sensor moet goed geplaatst zijn (niet in de schaduw van een blad), kan schommelen als het dimmen te snel gaat, en een vuile sensor geeft te veel licht.
c
Welke combinatie zou jij kiezen? Motiveer.
Bijvoorbeeld beide: voorsturing met het daglicht voor de snelle aanpassing, en een trage correctie met de PAR-sensor (bv. elk uur de lampgrens een paar procent bijstellen). Zo combineer je snelheid met zekerheid.
31.16
Ontwerp: de CO₂-klep met hysterese
Uitdagen6Ontwerpen35 min
Overdag voegt de CO₂-klep (D10) CO₂ toe aan de kweekruimte (11,5 m³): sla groeit sneller bij 800 tot 1000 ppm dan bij 425 ppm. Met de klep open stijgt het gehalte 170 ppm per minuut; met de klep dicht daalt het ongeveer 80 ppm per uur (planten en lekken). De CO₂-sensor meet om de 2 s met een ruis van ±30 ppm, en de CO₂ moet zich eerst mengen: de meting loopt ongeveer 2 minuten achter. Vanaf 1000 ppm geldt voor mensen een waarschuwing (hoofdstuk 14).
a
Een leerling kiest: klep open onder 800 ppm, dicht boven 1000 ppm. Schat hoe hoog het CO₂-gehalte echt komt. Is dat een probleem?
De klep gaat pas dicht als de meting 1000 ppm haalt; de echte waarde is dan al ongeveer 170⋅2=340ppm hoger. Het CO₂-gehalte loopt op tot ongeveer 1300 à 1350 ppm: boven de waarschuwingsgrens voor mensen, en verspilde CO₂.
b
Stel een betere regeling voor. Tip: in plaats van de klep open te laten tot de meting 1000 ppm haalt, kan je de klep kort openen en dan wachten.
Bijvoorbeeld: onder 800 ppm de klep 30 s openen (+85 ppm), dan 5 minuten wachten tot de CO₂ gemengd is en opnieuw meten; nog onder 800: nog een puf. Of een hysterese met een lagere bovengrens (open onder 800, dicht boven 820), zodat de doorschot 1000 ppm net niet haalt. De puf-methode is een kleine toestandsmachine (hoofdstuk 32).
c
Wanneer moet de klep altijd dicht blijven, ook als het CO₂-gehalte laag is? Noem er drie.
Als het dak open staat of de ventilatoren vol draaien (de CO₂ verdwijnt meteen naar buiten); 's nachts (de planten gebruiken geen CO₂ zonder licht); als er iemand in de module werkt (onderhoud); bij een alarm of als de CO₂-sensor niet antwoordt.
Zo wordt dit beoordeeld
Doorschot
Doorschot geschat met snelheid × vertraging, gevolg voor mensen benoemd.
Voorstel
Regeling die de doorschot vermijdt (vroeger sluiten of dosis per keer), met getallen.
Veiligheid
Klep dicht bij dak open of ventilatoren vol, 's nachts, bij onderhoud, bij een alarm of een sensorfout.