← Back to CoursesStemExpert
StemExpert
Fundamental · Werkboek · 26. Cellen en organismen
StemExpert · Brecht Corbeel · schoolium.me
StemExpert
F26. Cellen en organismen — werkboek
FFundamental · deel F7 · Leven en systemen

Werkboek · hoofdstuk 26Cellen en organismen

Waaruit alles bestaat wat leeft, en hoe je het te zien krijgt

Je begint met de levenskenmerken, de celonderdelen en het rekenen met vergrotingen en micrometers. Daarna werk je met de microscoop en bepaal je hoe groot cellen echt zijn. In de uitdagingen tel je huidmondjes van de kasplanten (opdracht 26.13, voor je Habitat-portfolio) en algen in het reservoir, en zoek je uit waarom cellen zo klein zijn.

6× oefenen6× toepassen4× uitdagen± 308 min0/16 gedaan
Van plantenbak naar objectglaasje: de bladeren van de meetkas van heel dichtbij bekijken.
Van plantenbak naar objectglaasje: de bladeren van de meetkas van heel dichtbij bekijken.
Hoe lees je een opdracht?
Drie tredenOefenen Toepassen Uitdagen

Elk hoofdstuk bouwt op: eerst oefenen (één stap, direct toepassen), dan toepassen (meerdere stappen, in een context), dan uitdagen (transfer, open problemen, andere leerlijnen erbij).

De StemExpert-schaal5

Eén moeilijkheidsschaal van 1 tot 9 over de drie niveaus heen: Fundamental loopt van 1 tot 4, Intermediate van 3 tot 7, Expert van 6 tot 9. Zo zie je dat de uitdaging van het ene niveau de oefening van het volgende is.

Oefenen

Oefenen

één stap, direct toepassen
26.1

Leeft het?

Oefenen1Begrijpen10 min
Beslis voor elk voorwerp of wezen: leeft het nu, heeft het ooit geleefd (dood), of heeft het nooit geleefd?
  1. a
    Vul de tabel in.
    leeftdoodnooit geleefdwelk kenmerk hielp je?
    een tuinkerszaadje in een zakje
    een houten tafel
    een kaarsvlam
    een gistkorrel in een pak droge gist
    een kiezelsteen
    een afgevallen herfstblad
  2. b
    Een kaarsvlam 'groeit', 'verbruikt zuurstof' en 'beweegt'. Waarom leeft ze toch niet?
26.2

De onderdelen van een plantencel

Oefenen1Tekenen10 min
Een plantencel uit een blad, met zeven onderdelen aangeduid met een letter.
ABCDEFG
Welk onderdeel hoort bij elke letter?
  1. a
    Schrijf bij elke letter de naam van het onderdeel.
    letteronderdeeltaak in één zin
    A
    B
    C
    D
    E
    F
    G
  2. b
    Welke drie van deze onderdelen vind je niet in een wangcel?
26.3

Plantencel of dierencel?

Oefenen2Begrijpen8 min
Zet een kruisje bij elke uitspraak: geldt ze voor plantencellen, dierencellen, of voor allebei?
  1. a
    Vul de tabel in.
    uitspraakplantenceldierencel
    (a) heeft een celmembraan
    (b) heeft een wand van cellulose
    (c) heeft mitochondriën
    (d) kan een grote vacuole met celvocht hebben
    (e) heeft een kern met erfelijk materiaal
    (f) kan suiker maken met licht
    (g) is meestal rond of onregelmatig van vorm
26.4

Vergroting berekenen

Oefenen1Rekenen8 min
Bereken de totale vergroting van de microscoop.
  1. a
    Vul de tabel in.
    oculairobjectieftotale vergroting
    10×4×
    10×40×
    15×10×
    5×200×
    100×1000×
  2. b
    Je wil een cel twee keer zo groot zien als bij 200×. Welke vergroting heb je nodig?
26.5

Millimeter, micrometer, nanometer

Oefenen2Rekenen10 min
Zet om. Denk aan de sprongen van 1000.
  1. a
    Een bladgroenkorrel is . Hoeveel mm is dat? mm
  2. b
    Een pantoffeldiertje is . Hoeveel µm is dat? µm
  3. c
    Een griepvirus is . Hoeveel µm is dat? µm
  4. d
    Een mensenhaar is dik. Hoeveel mm is dat? mm
  5. e
    Hoeveel bladgroenkorrels van 5 µm passen er achter elkaar op de dikte van dat haar?
26.6

Werken met de microscoop

Oefenen2Begrijpen10 min
Sara wil uivlies bekijken bij 400×. Haar stappen staan door elkaar:
A. Door het oculair kijken en de tafel langzaam wegdraaien tot het beeld scherp is.
B. Het kleinste objectief boven het gat draaien.
C. Naar 40× draaien en scherpstellen met de kleine instelschroef.
D. Het preparaat op de tafel leggen en de klemmen vastzetten.
E. Van opzij kijken en het objectief zo dicht mogelijk bij het glaasje brengen.
F. Het uivlies naar het midden schuiven en naar 10× draaien.
  1. a
    Zet de stappen in de juiste volgorde.
  2. b
    Waarom kijk je van opzij bij stap E, en draai je bij stap A de tafel weg van het objectief en niet ernaartoe?
  3. c
    Sara ziet bij 400× alleen een lichte vlek. Noem twee mogelijke oorzaken.
Toepassen

Toepassen

meerdere stappen, in een context
26.7

Hoe groot is de cel echt?

Toepassen3Rekenen15 min
Reken telkens de werkelijke grootte uit. Noteer je berekening, met eenheden.
  1. a
    Op een foto bij 400× is een rode bloedcel 3,2 mm breed. Hoe breed is de cel in µm?
  2. b
    Een pantoffeldiertje is 0,2 mm lang. Hoe lang is het op een foto bij 100×?
  3. c
    Onder een microscoopfoto staat een streepje met '50 µm' erbij. Het streepje is 20 mm lang. Een cel op de foto is 36 mm lang. Hoe lang is de cel echt? Hoe sterk is de foto vergroot?
Hint
Werkelijke grootte = grootte op de foto : vergroting. Zet alles eerst in dezelfde eenheid.
26.8

Het gezichtsveld

Toepassen3Rekenen15 min
Je microscoop heeft een oculair 10×/18. Bij 100× bekijk je een waterpestblaadje. Over de volle breedte van het gezichtsveld tel je 36 cellen naast elkaar; in de lengterichting van de cellen passen er 10 achter elkaar.
  1. a
    Hoe groot is het gezichtsveld bij 100×?
  2. b
    Hoe breed en hoe lang is één waterpestcel, in µm?
  3. c
    Hoeveel cellen zie je nog over de breedte als je naar 400× draait?
  4. d
    Waarom meet je beter bij 100× dan bij 400× als je de celgrootte zo wil bepalen?
26.9

Labo: ui, waterpest en wangslijmvlies

Toepassen3Labo50 min
Voer de proef uit het handboek uit en maak van elk preparaat een biologische tekening.
  1. a
    Teken twee uivliescellen bij 400×. Benoem wand, cytoplasma en kern.
  2. b
    Teken één waterpestcel bij 400×. Benoem wat je ziet. Wat zie je gebeuren als je een minuut kijkt?
  3. c
    Teken twee wangcellen bij 400×. Benoem wat je ziet.
  4. d
    Schat de grootte van een uivliescel en een wangcel met het gezichtsveld (0,45 mm bij 400×).
  5. e
    Welke onderdelen uit het handboek zag je niet? Geef voor elk een reden.
Zo wordt dit beoordeeld
PreparatenDun, zonder luchtbellen, gekleurd waar nodig; microscoop correct gebruikt.
TekeningenPotlood, duidelijke lijnen, alleen wat je echt ziet, onderdelen benoemd, vergroting erbij.
GrootteSchatting met het gezichtsveld, uitgerekend in µm, realistisch.
BesluitVerschillen plantencel en dierencel juist benoemd; niet-zichtbare onderdelen verklaard.
26.10

Van cel tot organisme

Toepassen2Begrijpen10 min
Deze woorden horen bij een van de vijf niveaus: cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel, organisme.
  1. a
    Rangschik: longen, rode bloedcel, spierweefsel, merel, spijsverteringsstelsel, maag, palissadeweefsel, zonnebloem, wortel, zenuwcel, bloedsomloop, huid.
    celweefselorgaanorgaanstelselorganisme
  2. b
    Een klasgenoot schrijft: 'Het hart bestaat uit hartcellen.' Waarom is dat niet helemaal juist?
26.11

Foutenjacht in een celtekening

Toepassen3Analyseren12 min
Tom heeft na het labo een uivliescel en een wangcel getekend en benoemd. Er staan minstens vijf fouten in.
Toms uicelcelwandbladgroenkorrelkernvacuoleToms wangcelkerncelwandvacuole?
De twee tekeningen van Tom, met zijn eigen benamingen.
  1. a
    Zoek de fouten in de tekening van de uivliescel.
  2. b
    Zoek de fouten in de tekening van de wangcel.
  3. c
    Wat ontbreekt er bij beide tekeningen, volgens de checklist voor een biologische tekening?
  4. d
    Welk onderdeel duidt Tom aan met het vraagteken?
26.12

Op de schaal

Toepassen3Tekenen15 min
Op deze lege logaritmische schaal is elke streep tien keer groter dan de vorige.
0,1 nm1 nm10 nm100 nm1 µm10 µm100 µm1 mm1 cm10 cm1 m10 m100 m
Een logaritmische schaal van 0,1 nm tot 100 m.
  1. a
    Zet een pijltje met de naam bij: een gistcel (8 µm), een zandkorrel (0,5 mm), een mitochondrie (1 µm), een watermolecule (0,3 nm), een slakrop (25 cm), een olifant (4 m).
  2. b
    Welke van deze zes kan je zien met het blote oog, welke met een lichtmicroscoop, welke alleen met een elektronenmicroscoop?
  3. c
    Hoeveel keer groter is de olifant dan de gistcel? Hoeveel strepen liggen ze uit elkaar?
Hint
Zet alles eerst in meter, of zoek tussen welke twee strepen de waarde ligt: 8 µm ligt tussen 1 µm en 10 µm, dicht bij 10.
Uitdagen

Uitdagen

transfer, open problemen, leerlijnen combineren
26.13

Habitat: een huidmondjeskaart van de meetkas

Uitdagen4Habitat60 min
Hoeveel huidmondjes hebben de planten in de meetkas, en waar zitten ze? Maak met de nagellakmethode van het handboek afdrukken van de boven- en onderkant van de bladeren van minstens twee soorten planten uit de kas (bijvoorbeeld sla en basilicum), en kies per soort ook een blad uit de zon en een uit de schaduw. Oculair 10×/18, tellen bij 400× (gezichtsveld 0,16 mm²).
  1. a
    Welke variabelen hou je gelijk als je bladeren vergelijkt? Noem er drie.
  2. b
    Tel op vijf plaatsen per afdruk en bereken het aantal per mm².
    plantblad (zon/schaduw)kanttellingen (5×)gemiddeldeper mm²
  3. c
    Maak een staafdiagram van het aantal per mm² (onderkant en bovenkant naast elkaar per blad).
  4. d
    Formuleer twee besluiten. Klopt 'de meeste huidmondjes zitten onderaan' voor jouw planten?
  5. e
    Een bonenblad heeft onderaan 260 huidmondjes per mm². Hoeveel zijn dat er op een blad van 40 cm²?
Zo wordt dit beoordeeld
AfdrukkenVoor elke plant en kant een bruikbare afdruk, correct benoemd op het glaasje.
Tellen en rekenenVijf tellingen per afdruk, gemiddelde en aantal per mm² juist berekend.
Eerlijk vergelijkenBladeren van dezelfde leeftijd, zelfde plaats op het blad, zelfde vergroting.
BesluitOnderbouwd met de tabel en de grafiek; verschillen zon/schaduw en boven/onder besproken.
26.14

Groen water in het reservoir

Uitdagen4Rekenen25 min
Het water in het reservoir van de meetkas ziet er lichtgroen uit. Je neemt een druppel en legt die in een telkamer: een dik objectglaasje met een ingekrast rooster. Het grote vak is 1 mm × 1 mm, en onder het dekglaasje staat er precies 0,1 mm water boven. Je telt de algencellen in het grote vak.
1 mm1 mmdiepte onder hetdekglaasje: 0,1 mmelk groen bolletjeis één algencel
Het grote vak van de telkamer bij 100×, met zestien kleine vakjes.
  1. a
    Tel de algen in de figuur (tel ze per klein vakje, dan vergeet je er geen).
  2. b
    Hoeveel mm³ water staat er boven het grote vak? Hoeveel mL is dat? (1 mL = 1 cm³ = 1000 mm³.)
  3. c
    Hoeveel algencellen zitten er in 1 mL reservoirwater?
  4. d
    In de klimaatmodule van Intermediate geldt een alarmgrens van 500 000 algencellen per mL. Zit dit reservoir onder of boven die grens? Wat doe je om de algen tegen te houden?
Hint
Hoeveel van zulke volumes van 0,1 mm³ passen er in 1 mL?
26.15

Waarom zijn cellen zo klein?

Uitdagen4Onderzoeken30 min
Een cel neemt voedingsstoffen en zuurstof op door haar oppervlak, en verbruikt ze in haar hele inhoud (volume). Onderzoek met kubussen wat er gebeurt als een cel groter wordt.
  1. a
    Bereken voor een kubus met ribbe 1 cm, 2 cm en 4 cm de oppervlakte (6 zijvlakken), het volume, en de verhouding oppervlakte : volume.
    ribbe (cm)oppervlakte (cm²)volume (cm³)oppervlakte : volume
    1
    2
    4
  2. b
    Wat gebeurt er met de verhouding als de ribbe verdubbelt? Wat betekent dat voor een cel die groeit?
  3. c
    Je snijdt de kubus van 4 cm in 64 kubusjes van 1 cm. Wat gebeurt er met het totale volume en de totale oppervlakte?
  4. d
    Leg met je antwoorden uit waarom een olifant niet uit reuzencellen bestaat, maar uit veel meer cellen van gewone grootte.
Hint
Oppervlakte van een kubus: 6 × ribbe × ribbe. Volume: ribbe × ribbe × ribbe.
26.16

Debat: leeft een virus?

Uitdagen3Argumenteren20 min
Een virus heeft erfelijk materiaal en kan zich vermenigvuldigen, maar alleen in een cel van een ander organisme. Buiten een cel doet het niets: het eet niet, ademt niet en groeit niet. Sommige virussen kan je zelfs als kristallen bewaren.
  1. a
    Geef twee argumenten om een virus levend te noemen, en twee om het niet levend te noemen. Gebruik de levenskenmerken.
  2. b
    Wat is jouw standpunt? Welk levenskenmerk weegt voor jou het zwaarst?
  3. c
    Waarom is het zinvol dat wetenschappers afspreken wat 'leven' betekent, ook al passen niet alle gevallen netjes?
Zo wordt dit beoordeeld
ArgumentenVoor en tegen, telkens gekoppeld aan een levenskenmerk.
StandpuntDuidelijk en onderbouwd; tegenargument erkend.
ZelfevaluatieKleur per doel: lukt al / bijna / nog niet