Kijk! Een robot
Een heel kort verhaal met veel herhaling en eenvoudige woorden. Perfect om samen te lezen en daarna de robot na te tekenen.
Vertel het verhaal opnieuw in tekeningen: minstens 6 vakjes, met tekstballonnen. Wat is het begin, het spannendste moment en het einde?
Wie zijn de personages? Wat gebeurt er in het begin, het midden en het einde? Wat is de mooiste of spannendste zin? Vul het uitwerkblad in.
Bedenk een ander einde, een volgend avontuur of een nieuw personage. Teken het of schrijf het — jij bent nu de schrijver.
Kan op het uitwerkblad of op een blanco blad.
Een heel kort verhaal met veel herhaling en eenvoudige woorden. Perfect om samen te lezen en daarna de robot na te tekenen.
Robot Pixel doet alleen wat je zegt: rijden, tillen, stapelen. Tot er op een dag een potlood naar hem toe rolt…
Mila en Sam gieten honing, zeep, water en olie in één glas. Waarom mengen ze niet? En waarom blijft die druif in het midden zweven?
Diep in een maanbasis blijft schoonmaakrobot Bolt tegen dezelfde muur botsen. Kunnen Ravi en Feya de fout in zijn programma vinden voor de zuurstof opraakt?
Jonas ziet een foto van een reuzengolf over de dijk van zijn eigen dorp. Duizenden keren gedeeld. Maar… klopt het wel?
Yasmine denkt dat ze nergens goed in is. Tot het nachtlampje van haar broertje stukgaat en zij met een kapot speeltje, een batterij en een lampje aan de slag moet.
Kijk. Dit is een robot. De robot is klein. De robot is blauw.
De robot heeft twee wielen. De robot heeft twee ogen. De robot heeft een knop. Druk op de knop. Piep! De robot rijdt. Vooruit. Stop.
“Hallo robot,” zegt Sara. De robot kijkt naar Sara. De robot rijdt naar Sara. De robot geeft Sara een balletje. “Dank je wel, robot!”
Nu draait de robot. Links. Rechts. De robot rijdt naar Tom. De robot geeft Tom een balletje. Tom lacht.
De robot is moe. De robot rijdt naar zijn doosje. De robot gaat slapen. Welterusten, robot.
Morgen speelt de robot weer. Met Sara. Met Tom. Met jou?
Teken de robot. Geef hem een naam. Wat kan jouw robot? Teken het in drie vakjes: de robot rijdt, de robot geeft iets, de robot slaapt. Vertel het daarna aan een vriend — in het Nederlands als het lukt!
In het atelier van Nour stond een kleine robot. Hij heette Pixel. Pixel was oranje, had twee grote wielen en een schermpje waarop zijn ogen straalden. Elke dag deed Pixel precies wat de kaartjes zeiden. Rijden. Pixel reed. Tillen. Pixel tilde. Stapelen. Pixel stapelde de blokjes netjes op elkaar, van groot naar klein.
“Goed gedaan, Pixel,” zei Nour dan. En Pixel piepte blij.
De andere robots in het atelier deden ook hun werk. Bliep sorteerde schroefjes. Zoem veegde de vloer. Iedereen deed wat op zijn kaartje stond, en niets anders. Zo hoorde dat, dachten ze.
Op een regenachtige woensdag gebeurde er iets vreemds. Nour tekende aan de grote tafel. Ze tekende de kat van het atelier, die Pluis heette. Plotseling rolde er een potlood van de tafel. Het rolde over de vloer, tik-tik-tik, en het bleef precies onder Pixel liggen.
Pixel keek naar het potlood. Er was geen kaartje voor een potlood. Wat moest hij doen? Hij wachtte. En hij wachtte nog wat. Maar er kwam geen kaartje. Toen deed Pixel iets wat hij nog nooit had gedaan: hij pakte het potlood zelf op.
Voorzichtig zette hij de punt op een leeg vel. Hij bewoog zijn arm een klein beetje. Er verscheen een lijn. Een wiebelige, kromme lijn. Pixel piepte verbaasd. Hij bewoog nog eens. Nog een lijn. En nog een.
“Wat doe jij nu?” bliepte Bliep streng. “Tekenen staat niet op je kaartje!”
“Dat mag niet,” zoemde Zoem. “Doe gewoon je werk.”
Pixel stopte even. Ze hadden gelijk: het stond niet op zijn kaartje. Maar de lijnen op het papier waren mooi. Ze leken nergens op, en toch leken ze op iets. Pixel keek naar Pluis, de kat, die op de vensterbank lag te slapen. En hij begon opnieuw. Een rondje voor het hoofd. Twee driehoekjes voor de oren. Een lange streep voor de staart.
Het was geen perfecte kat. De oren stonden scheef en de staart was veel te lang. Maar het wás een kat. Zíjn kat.
Nour kwam kijken wat al dat gepiep betekende. Ze zag het vel papier. Ze zag de scheve kat met de te lange staart. En ze zei niet: “Dat staat niet op je kaartje.” Ze zei: “Pixel… heb jij dit gemaakt?”
Pixel piepte zachtjes. Hij wist niet of hij iets fout had gedaan.
Maar Nour glimlachte breed. Ze pakte de tekening op alsof het iets kostbaars was, en ze hing hem op aan de muur, naast haar eigen tekeningen. “Dit,” zei ze, “is het mooiste wat er vandaag in dit atelier is gemaakt. Want dit heeft niemand je opgedragen. Dit heb je zélf bedacht.”
De volgende dag lag er naast Pixels kaartjes een nieuw kaartje. Er stond geen woord op. Er stond een potlood op getekend. Pixel begreep het meteen: dit kaartje betekende verzin zelf maar iets.
En weet je? Sindsdien had elke robot in het atelier zo'n leeg kaartje. Zoem maakte figuren van stof op de vloer. Bliep legde de schroefjes in de vorm van een ster. En als je nu binnenkomt, hangt de hele muur vol met dingen die niemand had opgedragen. Zomaar. Omdat het mocht.
Teken een strip van Pixel: het potlood rolt, Pixel twijfelt, Pixel tekent de kat, Nour hangt de tekening op. Of ontwerp jouw eigen “lege kaartje”: wat zou jíj maken als niemand zegt wat je moet doen?
Het regende al de hele dag, en Mila verveelde zich zo erg dat ze op de keukenvloer lag te zuchten. Haar neef Sam logeerde die week, en die kreeg plots een idee. “Kom,” zei hij, “we maken een regenboog. Binnen.”
Mila keek hem aan alsof hij gek was geworden. “Een regenboog maak je niet. Die komt vanzelf, na de regen.”
“Deze wel,” grijnsde Sam, en hij zette een hoog, smal glas op tafel. Uit de kast haalde hij honing, afwasmiddel, water, wat kleurstof en een flesje olie. “Kijk goed. En raad eerst wat er gebeurt.”
Eerst goot hij dikke, goudgele honing in het glas. De honing zakte langzaam naar de bodem en bleef daar liggen als een luie, glanzende laag. Daarna nam Sam het afwasmiddel — blauw en stroperig — en liet het voorzichtig langs de rand naar binnen glijden.
Mila hield haar adem in. Ze verwachtte dat alles zou mengen tot een vieze, bruine soep. Maar dat gebeurde níet. Het blauwe afwasmiddel bleef netjes bovenop de honing liggen. Twee lagen. Alsof er een onzichtbaar laken tussen zat.
“Waarom mengen ze niet?” vroeg Mila.
“Dat,” zei Sam, “is het geheim. Sommige vloeistoffen zijn zwaarder dan andere. Niet omdat er méér van is, maar omdat ze dichter zijn — de kleine deeltjes zitten dichter op elkaar gepakt. De zwaarste laag zakt altijd naar onder. De lichtste blijft bovenaan drijven.”
Ze gingen door. Water met rode kleurstof: dat legde zich boven het afwasmiddel. Dan een laagje met gele kleurstof, iets lichter nog. En helemaal bovenaan goot Sam de olie, die als een doorschijnende, glanzende deken bleef liggen en met geen mogelijkheid naar beneden wilde.
Vijf lagen. Zes. Het glas leek wel een regenboog die iemand had platgedrukt en in een glas gestopt. Mila durfde bijna niet te ademen, bang dat alles alsnog zou mengen.
“En nu,” zei Sam plechtig, “het echte experiment.” Hij pakte een druif uit de fruitschaal en liet hem in het glas vallen.
Plop. De druif zakte door de olie. Door de gele laag. Door de rode laag. En toen — precies in het midden — bleef hij hangen. Hij zonk niet verder. Hij dreef ook niet omhoog. Hij hing daar gewoon, alsof hij door de tijd was bevroren.
“Hoe kán dat?” fluisterde Mila.
Sam haalde zijn schouders op, maar zijn ogen lachten. “Raad eens. Denk na.”
Mila dacht. Ze dacht aan wat Sam had gezegd: de zwaarste zakt, de lichtste drijft. “De druif,” zei ze langzaam, “is zwaarder dan de bovenste lagen. Daarom zakt hij erdoor. Maar hij is líchter dan de onderste lagen. Daarom valt hij er niet doorheen. Hij hangt precies op de plek waar hij even zwaar is als de vloeistof eromheen.”
“Precies!” riep Sam. “Je hebt het zelf bedacht. Dat noemen ze dichtheid.”
De rest van de middag maakten ze glas na glas. Ze probeerden een kurk (die dreef helemaal bovenaan), een muntje (dat plofte regelrecht naar de honing) en een stukje lego (dat bleef, net als de druif, ergens halverwege hangen). Bij elk voorwerp raadden ze eerst, en dan testten ze. Soms hadden ze gelijk. Soms verrasten de lagen hen helemaal.
Toen Mila's mama thuiskwam, stond de hele keukentafel vol met kleurige glazen torens. “Wat is hier gebeurd?” vroeg ze, half lachend, half bezorgd.
“We hebben een regenboog gemaakt,” zei Mila trots. “Binnen. En ik weet nu waarom sommige dingen zinken en andere blijven zweven.”
Buiten was het inmiddels opgehouden met regenen. Aan de hemel stond een echte regenboog. Maar Mila vond die van haar toch net iets mooier — omdat ze precies begreep hoe hij werkte.
Teken een strip van het experiment, met de zwevende druif als spannendste vakje. Of werk het uit op papier: schrijf op wat Mila eerst dácht dat er zou gebeuren, en wat er écht gebeurde. Wil je het zelf proberen? Kijk in het Proefjeslab bij de dichtheidstoren.
Het alarm ging af om drie uur 's nachts, en op de maan is dat pikkedonker. Ravi schoot wakker in zijn slaapcabine, met bonzend hart. Overal in Maanbasis Zeven knipperde een oranje lampje. Op het scherm aan de muur stond in grote letters: WAARSCHUWING — GANG C GEBLOKKEERD.
Naast hem verscheen Feya al in de deuropening, haar haar alle kanten op. “Hoorde jij dat ook? Er is iets mis in Gang C.”
Samen roetsjten ze door de smalle tunnels van de basis. In de verte hoorden ze het: boem… boem… boem. Een dof, ritmisch geluid, keer op keer op keer. Toen ze de hoek omsloegen, zagen ze wat het veroorzaakte.
Het was Bolt, de schoonmaakrobot. Hij reed recht op de muur af — boem — draaide een klein stukje, reed weer op de muur af — boem — draaide, en botste weer. Hij zat vast in Gang C en blokkeerde met zijn brede lijf de doorgang naar de zuurstoftanks.
“Waarom stopt hij niet gewoon?” riep Feya boven het gebonk uit.
“Robots stoppen niet vanzelf,” zei Ravi. “Ze doen exact wat hun programma zegt. Als hij tegen de muur blijft botsen, dan zit die fout in zijn programma. We moeten de fout vinden. Een bug.”
Aan de zijkant van Bolt zat een luikje. Ravi klikte het open. Daar, op een rijtje kaartjes, stond Bolts programma — de lijst met stappen die hij steeds opnieuw uitvoerde. Feya las ze hardop voor, terwijl Bolt achter hen vrolijk verder beukte.
“Stap één: rij vooruit. Stap twee: als je een muur voelt… meet hoe ver de muur is. Stap drie: rij vooruit. Stap vier: begin opnieuw.”
Ze keken elkaar aan.
“Hoor je het?” zei Ravi langzaam. “Hij voelt de muur. Hij meet de muur. En dan… rijdt hij er gewoon weer tegenaan. Er ontbreekt een stap. Nergens staat: draai weg van de muur.”
“Maar hij draait toch wel een beetje?” zei Feya.
“Dat is toeval — dat is de botsing zelf die hem een tikje verdraait. Niet genoeg. Hij mist de stap die zegt: als de muur dichtbij is, draai dan echt weg voor je verder rijdt.”
Feya keek naar de zuurstofmeter aan de muur. Die was langzaam aan het zakken. Niet gevaarlijk snel, nog niet, maar zakken deed hij. “Kunnen we die stap erbij zetten? Nu meteen?”
Ravi knikte. Op elk kaartje kon je met een stift schrijven, en je kon de kaartjes van plaats wisselen. Dat was juist het handige aan Bolt: zijn programma zat niet vast in een chip, maar in kaartjes die je zelf kon aanpassen. “We schuiven een nieuw kaartje tussen stap twee en stap drie,” zei hij. “Er komt te staan: als de muur dichterbij is dan twintig centimeter, draai dan een halve slag.”
Feya schreef, haar hand trilde een beetje. Ze klikte het nieuwe kaartje op zijn plaats. Maar toen ze Bolt weer wilden aanzetten, aarzelde Ravi. “Wacht. We moeten het eerst nálopen in ons hoofd. Anders maken we misschien een nieuwe bug.”
Ze deden alsof ze zelf Bolt waren. Rij vooruit. Voel de muur. Muur dichterbij dan twintig centimeter? Ja. Draai een halve slag. Rij vooruit. Nu reed hij van de muur wég. Voel je weer een muur? Nee. Rij door. Het klopte. Het klopte echt.
“Klaar?” vroeg Feya.
“Klaar,” zei Ravi, en hij drukte op de knop.
Bolt kwam tot leven. Hij reed vooruit, recht op de muur af. Ravi's adem stokte. Bolt naderde de muur — dichter, dichter — en toen, precies op twintig centimeter, draaide hij netjes een halve slag en reed rustig de andere kant op. Weg van de muur. De gang uit. Recht naar zijn laadstation, alsof er nooit iets aan de hand was geweest.
De oranje lampjes stopten met knipperen. Het scherm sprong op groen: GANG C VRIJ. Ergens zoemde een pomp die de zuurstoftanks weer bijvulde.
Feya liet zich tegen de muur zakken en begon te lachen — die opgeluchte lach die alleen komt na een echte schrik. “We hebben een robot gerepareerd. Om drie uur 's nachts. Op de maan.”
“We hebben geen schroef aangeraakt,” zei Ravi. “We hebben alleen zijn denken gerepareerd. Eén ontbrekende stap. Dat was alles.”
Ze bleven nog even zitten, in de stille gang, terwijl buiten het raam de aarde langzaam ronddraaide, klein en blauw en ver weg. En Bolt? Die stond aan zijn laadstation zachtjes te zoemen, en botste nooit meer tegen een muur.
Teken Bolts programma als een strip van pijltjes en kaartjes: waar zit de fout, en welk kaartje lossen Ravi en Feya het op mee? Of werk het uit: schrijf Bolts oude programma én zijn nieuwe programma naast elkaar. Zin om zelf te “programmeren zonder computer”? Kijk bij de Codekrakers.
Jonas zat op de bank met de telefoon van zijn mama toen hij de foto zag. En zijn maag draaide om.
Het was een foto van een reusachtige golf. Een muur van grijs water, torenhoog, die over een dijk sloeg — en achter die dijk stonden huizen die hij herkénde. De kerktoren. De frituur op de hoek. Het was zíjn dorp. Onder de foto stond in vette letters: RAMP! Zeewater breekt hier door — vlakbij — deel dit voor het te laat is! Eronder: 14.000 keer gedeeld.
Jonas' handen werden koud. Zijn oma woonde vlak bij die dijk. Hij wilde meteen bellen, of huilen, of allebei tegelijk.
“Wat is er?” Zijn grote zus Lore kwam de kamer binnen en zag zijn gezicht. “Je ziet lijkbleek.”
Hij duwde haar de telefoon in de handen. “Kijk! Ons dorp! Er is een overstroming, oma woont daar, we moeten —”
Lore keek naar de foto. Ze keek lang. En toen deed ze iets wat Jonas niet verwachtte: in plaats van in paniek te schieten, ging ze rustig naast hem zitten. “Oké,” zei ze. “Voor we iets doen, gaan we één ding checken: is dit écht? Want op het internet is niet alles wat het lijkt. We stellen vier vragen. Doe je mee?”
Jonas knikte, al bonsde zijn hart nog steeds.
“Vraag één: wie heeft dit geplaatst?” Lore tikte op de naam bovenaan. Het was een account met een rare naam vol cijfers, zonder foto, aangemaakt vorige maand. “Geen krant. Geen weerbericht. Geen gemeente. Een onbekende. Dat wil nog niet zeggen dat het niet klopt… maar het is een eerste waarschuwingslampje.”
“Vraag twee: staat het ook ergens anders?” Ze opende een nieuw venster en zocht: overstroming in ons dorp. Er kwam… niets. Geen enkele nieuwssite. Geen VRT, geen lokale krant, helemaal niks. “Denk even na,” zei Lore. “Als het water écht door de dijk brak in ons dorp, zou dat overál in het nieuws zijn. Op elke zender. Maar het staat nérgens, behalve op dat ene account. Waarschuwingslampje twee.”
Jonas voelde de knoop in zijn maag een heel klein beetje losser worden. “Maar… de foto dan? Ik zie toch ons dorp?”
“Vraag drie: klopt het beeld? Kijk eens héél goed.” Ze zoomden samen in. En nu Jonas beter keek, zag hij het: de golf had geen spatten, geen schuim, de rand was vreemd glad, bijna geschilderd. De frituur op de hoek stond er wel, maar de letters op het uithangbord waren wazig en krom, alsof niemand ze echt had geschreven. “Dit beeld is bewerkt,” zei Lore. “Misschien met een computer, misschien met zo'n programma dat nepfoto's maakt. Ze hebben een echte foto van ons dorp genomen en er een golf bij gefabriceerd.”
“En vraag vier,” zei ze, “wat wil dit bericht van mij? Lees het onderschrift nog eens. ‘Deel dit voor het te laat is.’ Het schreeuwt. Het wil dat je bang wordt en meteen op ‘delen’ drukt, zonder na te denken. Echte waarschuwingen van de gemeente zeggen kalm wát je moet doen. Ze proberen je niet bang te máken — ze proberen je te helpen.”
Ze legde de telefoon neer. “Vier keer een waarschuwingslampje. Wie? Een onbekende. Waar nog? Nergens. Het beeld? Bewerkt. Wat wil het? Dat je in paniek deelt. Conclusie?”
Jonas ademde diep uit. “Het is nep.”
“Het is nep,” knikte Lore. “En weet je wat het gevaarlijke eraan is? Niet dat golf zelf — die bestaat niet. Het gevaarlijke is dat veertienduizend mensen het al gedeeld hebben zónder te checken. Elke keer dat iemand op ‘delen’ drukt, lijkt het een beetje echter. Angst verspreidt zich sneller dan de waarheid, als je niet even stopt om na te denken.”
Toch belde Jonas zijn oma. Niet in paniek, gewoon om zeker te zijn. Ze nam op met haar gewone, vrolijke stem. Buiten scheen bij haar de zon, vertelde ze, en ze had net de was buiten gehangen. Geen golf. Geen water. Niks aan de hand.
Toen hij ophing, keek Jonas nog eens naar de foto op het scherm. Een uur geleden had die hem doodsbang gemaakt. Nu zag hij vooral de scheve letters, de te gladde golf, de rare naam bovenaan. Alsof iemand een goocheltruc had uitgelegd, en hij nu zelf de dubbele bodem kon zien.
“Ga je het melden?” vroeg hij.
“Ja,” zei Lore. “En ik ga het níet delen. Weet je wat ik wél ga doen? Precies wat wij net deden, aan iedereen die het doorstuurt: vier vragen. Wie? Waar nog? Klopt het beeld? Wat wil het van je? Als iedereen even stopt om die te stellen, heeft zo'n nepfoto geen schijn van kans.”
Werk het uit op papier: schrijf de vier checkvragen van Lore over, en noteer bij elke vraag wat het waarschuwingslampje was. Of bedenk zélf een (verzonnen) nepbericht en teken erbij hoe je zou ontdekken dat het niet klopt. Meer hierover bij de Mediadetectives.
Yasmine wist zeker dat ze nergens goed in was, en ze had daar bewijs voor. Een hele map vol, om precies te zijn: toetsen met rode cijfers, rapporten met opmerkingen als “kan meer inzet gebruiken” en “laat zich te snel ontmoedigen”. Haar broer Adam, die pas zeven was, kon al beter hoofdrekenen dan zij. Als de juf een vraag stelde, kroop Yasmine weg achter de rug van het meisje voor haar, in de hoop onzichtbaar te worden.
“Slimme mensen,” had ze zichzelf allang wijsgemaakt, “zijn mensen die de antwoorden weten. En ik weet ze nooit.”
Op een avond in de herfst begon het. Adam kwam haar kamer binnen met natte ogen en een kapot nachtlampje in zijn handen — een klein sterretje van plastic dat 's nachts zachtjes gloeide. Zonder dat lampje durfde hij niet te slapen; hij was bang in het donker. “Het doet het niet meer,” snikte hij. “Mama zegt dat we pas volgende week een nieuw kunnen kopen. Maar ik moet vannácht slapen.”
Yasmine wilde zeggen dat ze er niks aan kon doen. Dat ze geen technisch mens was. Dat hij bij mama moest zijn. Maar Adam keek haar aan met zo'n groot, hoopvol vertrouwen — alsof grote zussen alles konden repareren — dat de woorden in haar keel bleven steken. “Geef eens hier,” hoorde ze zichzelf zeggen.
Ze draaide het sterretje om. Aan de onderkant zat een klein dekseltje met een schroefje. Ze had geen idee wat ze deed, maar ze pakte de kleine schroevendraaier uit de knutseldoos en draaide het open. Binnenin: een plat batterijtje, twee dunne draadjes, en een piepklein lampje. Een van de draadjes was losgeraakt van de batterij. Dát was alles. Eén los draadje.
Ze drukte het draadje terug op zijn plek. Het lampje flikkerde even… en bleef toen donker. Ze probeerde opnieuw. Niets. Het batterijtje was leeg — je kon het bijna voelen aan hoe krachteloos het was.
“Lukt het?” vroeg Adam met een klein stemmetje.
“Nog niet,” zei Yasmine. En tot haar eigen verbazing voegde ze eraan toe: “Maar ik geef niet op.”
Ze dacht na. Een lampje heeft stroom nodig. De batterij was leeg. Maar ergens in huis moesten toch andere batterijen zijn? Ze doorzocht de la in de keuken en vond een oude afstandsbediening met twee volle batterijtjes erin. Van het speelgoed van vroeger — een kapotte robot die niemand nog gebruikte — haalde ze een houdertje waar precies zo'n batterij in paste, met twee metalen veertjes en twee draadjes eraan.
Aan de keukentafel legde ze alle onderdelen voor zich uit, zoals een chirurg zijn instrumenten. Het lampje. De draadjes. De batterijhouder. Een rolletje plakband. Ze verbond het ene draadje van het lampje met het ene draadje van de batterij, en het andere met het andere. Ze hield haar adem in.
Niets.
Haar eerste reactie was de oude, vertrouwde reactie: zie je wel, ik kan dit niet. Ze voelde de tranen van frustratie prikken. Maar toen dacht ze aan iets wat ze de meester ooit had horen zeggen en meteen weer was vergeten: een uitvinder faalt niet, een uitvinder ontdekt wat niet werkt. Wat wérkte er niet?
Ze keek nog eens goed. Het lampje had, net als de batterij, een kant. Een plus en een min. Misschien had ze ze verkeerd om verbonden. Ze draaide het lampje om en probeerde opnieuw.
Een klein, warm, geel licht sprong aan. Het brandde. Het brándde echt.
Yasmine staarde ernaar alsof ze een wonder had verricht. Ze had, met een leeg sterretje, een oude afstandsbediening en een kapotte robot, een lampje aan het branden gekregen. Niemand had haar verteld hoe. Er stond geen antwoord in een boek. Ze had het zelf uitgezocht — door te proberen, te falen, en opnieuw te proberen.
Maar ze was nog niet klaar. Een los brandend lampje was gevaarlijk en lelijk. Ze plakte het batterijtje netjes vast onder het plastic sterretje. Ze knutselde van een velletje wit papier een kapje, zodat het licht niet fel maar zacht werd, precies zoals het vroeger was. En op het kapje, met haar mooiste stift, schreef ze Adams naam.
Toen ze het lampje op zijn nachtkastje zette en aandeed, gloeide de kamer zacht en geel. Adam kroop onder de dekens met een gezicht vol pure bewondering. “Jij hebt het gemáákt,” fluisterde hij, alsof zijn zus tot de machtigste mensen op aarde behoorde. “Jij bent een uitvinder.”
Yasmine wilde protesteren — ik ben niks, ik heb overal slechte punten voor — maar ze deed het niet. Want terwijl ze daar in de deuropening stond en naar het zachte licht keek dat zíj had gemaakt, drong er iets tot haar door. Al die tijd had ze gedacht dat slim zijn betekende: de antwoorden al weten. Maar vanavond had ze geen enkel antwoord geweten. Ze had alleen niet opgegeven. Ze had een probleem opgedeeld in kleine stukjes, het ene na het andere geprobeerd, geleerd van wat misging, en het opnieuw gedaan tot het lukte.
Misschien, dacht ze, was dát ook een soort slim. Een soort dat niet op haar rapport stond. Een soort dat je niet meet met een rood cijfer, maar met een klein geel licht in een donkere kamer, en een broertje dat eindelijk rustig sliep.
De volgende ochtend deed ze iets wat ze nog nooit had gedaan. Ze nam de kapotte robot, de lege sterretjes en de oude afstandsbediening en stopte ze in een doos onder haar bed. “Reserveonderdelen,” noemde ze het. Want ze wist nu iets wat ze de avond ervoor nog niet wist: kapotte dingen zijn geen afval. Het zijn dingen die wachten tot iemand ze opnieuw uitvindt. En zij, Yasmine, die nergens goed in dacht te zijn — zij bleek precies zo iemand te kunnen zijn.
Werk het verhaal uit: schrijf de drie keer op dat Yasmine bijna opgaf — en wat ze telkens deed om toch door te gaan. Of teken een strip van haar uitvinding, stap voor stap (het losse draadje, de lege batterij, de nieuwe batterij, het lampje verkeerd om, en eindelijk licht). Extra uitdaging: bedenk zélf iets kapots dat je zou willen “opnieuw uitvinden”, en teken je plan. Zin om echt met lampjes en stroom te werken? Kijk bij Spel & geheim naar de papieren stroomkring.